



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Louis Albrechts: plannen voor een meervoudige toekomst
Louis Albrechts is één van de grondleggers van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Begin dit academiejaar ging dit monument van de ruimtelijke planning in Vlaanderen met pensioen. Tijd voor een gesprek over verleden, heden en toekomst van de ruimtelijke planning in Vlaanderen.
> Je studeerde sociologie. Op welke manier beïnvloedde deze achtergrond je benadering van de planning?
Albrechts: “Ik schreef mijn licentiaatverhandeling over medebeheer in de Duitse kool- en staalbedrijven. Onder invloed van het Joegoslavische experiment was daar in linkse hoek veel aandacht voor. Ik leerde daar dat planning breed gedragen moet worden door de mensen die geraakt worden door de beslissingen.
In sommige vakken, zoals verkeer en vervoer, had je als student sociologie geen achtergrond. Het planningsonderwijs was toen ook zwak, heel sterk gestoeld op de praktijk. De sociologie was wel sterk in kritische wetenschappelijke analyses, maar kwam zelden met antwoorden voor de problemen die ze zo scherp analyseerde. Wat me aantrok in ruimtelijke planning was de stap van verklaren naar oplossingen formuleren. De discussie was dan of dit antwoord technocratisch tot stand moest komen of gedragen moest zijn door de actoren die het plan mee moeten realiseren. Geïnspireerd door de modernistische idee van de maakbaarheid van de ruimte en de idee dat dit fundamentele keuzes voor de toekomst veronderstelde, koos ik voor het laatste. Deze problematiek van strategische ruimtelijke planning hield me mijn hele carrière bezig.”
> Als opdrachthouder van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kreeg je de kans om jouw benadering in de praktijk om te zetten. Hoe werd het draagvlak voor het maken van een RSV opgebouwd? Wat was jouw rol en bij uitbreiding die van de Vlaamse planningswereld daarin?
“De neoliberale jaren ‘80 waren moeilijke jaren. Net zoals ‘overheid’ en ‘vakbond’ was ‘planning’ in die jaren een vies woord. De postgraduaatopleidingen ruimtelijke planning raakten in de problemen omdat er zo weinig perspectief was voor de studenten. Met een viertal betrokkenen trokken we in 1992 naar minister Kelchtermans. Tot onze verrassing kregen we daar te horen dat de minister eraan dacht om de draad van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) opnieuw op te pikken. Kelchtermans had als Vlaams minister van Leefmilieu een globaal kader voor het milieubeleid ontwikkeld (het MINA-plan) en wou nu hetzelfde doen voor ruimtelijke ordening.
Charles Vermeersch en ikzelf waren bereid deze opdracht op te nemen, maar alleen als we onze ideeën op een lijn konden stellen met die van de minister. We deden dit via een document - Vlaanderen in Vorm - waarin we onze inhoudelijke voorwaarden oplijstten en uitlegden hoe we onze visie een institutionele verankering wilden geven. We vroegen de minister om een planningsdienst uit te bouwen die onze ideeën kon assimileren en uitvoeren. Omdat ruimtelijke ordening toen omgeven was met een geur van cliëntelisme en corruptie wilden we ook dat de minister een aantal achterpoortjes zoals het minidecreet en de opvulregel dichtte. We zijn als opdrachthouders altijd heel voorzichtig geweest en hebben erover gewaakt ons door niemand voor de kar te laten spannen. We hebben ons bewust binnen de administratie gelokaliseerd met als doel nieuwe inzichten daar te institutionaliseren.
Wij beseften heel duidelijk dat we een draagvlak bij de bevolking nodig hadden. De gewestplanning met de algemene en bijzondere plannen van aanleg konden hier absoluut niet voor zorgen. Daarom maakten we gebruik van de vrijheid die we van de minister kregen om zelf studieopdrachten uit te schrijven. Door studies te bestellen konden we de praktijkwereld op een actieve manier betrekken en hen de kans geven mee te wegen op het proces. Zo vermeden we oppositie.
Een drietal eerdere pogingen om een RSV op te stellen mislukten, waardoor een aantal mensen de boot afhielden. We zijn met heel veel mensen gaan praten om uit te leggen wat we wilden doen. We probeerden daarbij telkens de uitwerking van onze ideeën te vertalen naar de lokale situatie van de gesprekspartners zodat ze zich concreet konden voorstellen wat het RSV voor hen zou betekenen. Op die manier kregen we heel wat lokale bekommernissen te horen..
Noch Charles Vermeersch noch ikzelf hadden een politiek mandaat of een partijkaart. We werden er dus niet van verdacht er een verborgen agenda op na te houden. De nauwste contacten in de civiele samenleving onderhielden we met het ACW. Als organisatie met een sterke koepel waren zij een gemakkelijkere gesprekspartner dan het gedecentraliseerd werkende ABVV. Voor het ACW ging de kwaliteit van de omgeving over de problematiek van alleenstaanden voor wie het woningaanbod niet overeenkwam met hun behoeften, over het gebrek aan openbaar vervoer, over het tekort aan speelplaats, over verkeersonveiligheid, over weinig kwalitatieve stedelijke woonomgevingen enzovoort.
De contacten met de Boerenbond verliepen moeilijk, maar met individuele landbouwers ging het vlotter. We begrepen de legitieme eis van landbouwers voor een stabiel wettelijk kader en rechtszekerheid.”
> Hoe kwamen jullie tot de belangrijkste doelstellingen van het RSV?
“Het hoofdprincipe was het versterken van de steden. Die hadden toen een barslecht imago. Dat moest uiteraard een verlengstuk krijgen in de landelijke gebieden. Daar werd het principe restrictiever omgaan met de open ruimte. We presenteerden dit positief door de natuurlijke structuur voor te stellen als de groene ruggengraat van Vlaanderen. De doelstellingen “poorten als motor voor ontwikkeling” en “infrastructuren als bindteken voor locatie van activiteiten” komen voor mij op een ietwat lager niveau omdat ze daarin reeds vervat zitten. Vrijwel niemand wist wat het eindresultaat zou zijn. Na decennia ruimtelijke planning via bodemgebruikplannen was iedereen onwennig.”
> In welke mate slaagde het RSV erin haar doelstellingen te bereiken?
“Het belangrijkste is de institutionalisering van een strategische manier van plannen. De ruimtelijke planningsdienst breidde uit van vier naar een 30- tot 40-tal medewerkers. Samen hebben we geleerd hoe met structuurplanning om te gaan.
Ik vind het spijtig dat de structuurplanning wettelijk verankerd is. Dat gaat in tegen het vooropgestelde strategische karakter en maakt vernieuwing moeilijk. Nochtans moeten we steeds opnieuw keuzes maken voor structurele verandering. De nood aan planners bij de Vlaamse ruimtelijke planningsdienst, het vervangen van ervaren planners en de krapte op de arbeidsmarkt, impliceerde dat nogal wat jonge mensen aangenomen werden. Het gebrek aan ervaring werd dan ook gecompenseerd door de neiging om de structuurplannen te strikt te gaan toepassen. Structuurplanning was bedoeld als strategisch planningsinstrument eerder dan als regulerend instrument voor het toekennen van vergunningen.”
> Sommigen argumenteerden dat de economische dimensie niet voldoende opgenomen en ondersteund werd in de structuurplanning.
“Het was niet evident de juiste gesprekpartner te vinden: individuele bedrijven, het VEV of de Vlaamse administratie Economie? We lieten studies uitvoeren om tot een inzicht te komen in de economische structuur. Cabus en Vanhaverbeke voerden deze studies uit, maar bekritiseerden het RSV achteraf wel omwille van de volgens hen zwakke economische dimensie. Die kritiek vertaalde zich later in het SPRE-rapport waarin zij de ruimtelijk-economische hoofdstructuur van Vlaanderen uittekenden.
Toen we het Vlaams Economisch Verbond contacteerden, was hun enige reactie dat ze een bepaalde hoeveelheid hectaren nodig hadden voor economische activiteiten. We hebben toen ramingen van de toekomstige nood aan ruimte gemaakt op basis van de dynamiek van jobcreatie. We vertaalden het volume arbeidskrachten in oppervlakte. Op basis van onderzoek maakten we een inschatting hoe de verschillende sectoren in de toekomst zouden evolueren qua ruimte-behoefte.
Ons studiewerk gaf ons een stevige onderhandelingsbasis. Dit was nodig omdat economie een sterke sector is met eigen studiediensten en journalistieke kanalen, die zeer snel de boodschap verspreidde dat het RSV negatief zou zijn voor de economie en tewerkstelling. Maar als je de industrie laat doen, clustert ze rond autostrades en andere vervoersinfrastructuur. Om de steden te versterken en de open ruimte te vrijwaren, moet de overheid kunnen bijsturen.
> Hoe bekijkt u de tendensen vanuit het kabinet Van Mechelen om terug ruimte aan te snijden voor nieuwe bedrijventerreinen? Moet het RSV niet steeds opnieuw opboksen tegen een politieke logica die haaks staat op haar eigen, meer duurzame lange termijnlogica?
Je kan een ondernemer natuurlijk niet verplichten op een bepaalde plek te investeren. Inzichten die vanuit het SPRE naar boven komen, moeten meegenomen worden. Hierbij zal er met en niet voor de economische sector moeten gewerkt worden, net zoals ik pleit voor het samenwerken met andere actoren. Maar hier speelt het machtselement natuurlijk een belangrijke rol.”
> Pascal Dedecker noemde het RSV sociaal bijziend en stelde dat de ruimtelijke principes van het RSV niet gestoeld zijn op sociale rechtvaardigheidsprincipes. Hij vindt onder meer dat de compacte stadsidee als abstracte idee opgelegd werd door de planners en geen rekening hield met mogelijke sociale verdringingseffecten. Vind je deze kritiek terecht?
“Wonen en tewerkstelling in de stedelijke gebieden bevorderen, vormt een hoeksteen van het RSV. Het duurzaamheidsprincipe dat aan het RSV ten grondslag ligt betekent ook dat sociale verdringing tegengegaan moet worden, maar naar mijn mening moet dit door de steden gedaan worden. Het valt niet te ontkennen dat er verdringingseffecten zijn, maar zijn die erger dan in de jaren ‘80 toen er nog geen RSV was?
Sociale woningbouw annex groepswoningbouw is een constante in ruimtelijke ordening. De woonuitbreidingsgebieden in de gewestplannen gaven de overheid de mogelijkheid om initiatieven te nemen wat betreft sociale woningbouw. Sommige overheden hebben die gebieden snel aangesproken; andere hebben voorzichtiger gebouwd en hebben nog reserve.
Het is onmiskenbaar dat de prijs van bouwgronden gevoelig gestegen is. In welke mate het RSV daartoe heeft bijgedragen zou moeten onderzocht worden. Duurdere bouwgrond heeft geleid tot kleinere percelen. Ik beoordeel dit positief. Grond is schaars en we moeten er dan ook zuinig mee omspringen.”
> Strategische ruimtelijke projecten lijken de nieuwe hype te zijn in de planningswereld. Het RSV wordt dikwijls gebruikt om prestigieuze stadsprojecten, die de economische competitiviteit van onze postindustriële steden moeten opvijzelen, te legitimeren en inspraak van de bevolking af te wijzen (b.v. Oude Dokken en Sint Pietersstation in Gent, Stationsbuurt in Antwerpen).
“De stedelijke projecten waren bedoeld als signalen dat de stad belangrijk is. Veel overheidsmaatregelen starten als punctuele maatregelen, maar deinen later uit zodat het effect ervan verwatert. Onze bedoeling was een maximaal resultaat te bekomen in een beperkt aantal strategisch gekozen projecten.”
> Loopt het niet fout met de signaalwaarde van strategische stadsprojecten als het RSV gebruikt wordt om inspraak van de lokale bevolking af te wijzen?
“Laat me daar zeer duidelijk in zijn. Geen enkel voorstel binnen het RSV kan of mag gebruikt worden om de gewettigde inspraak van de lokale bevolking af te wijzen.”
> Wat is de verantwoordelijkheid van de planning op Vlaams niveau om te zorgen dat ruimtelijke kwaliteit in steden alle sociale groepen ten goede komt?
“Het RSV had specifieke bedoelingen met de strategische projecten. Als je daarbij het uitgangspunt van duurzaamheid voegt, met een uitgesproken sociale dimensie, dan is het duidelijk dat de Vlaamse overheid er mee moet over waken dat duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit niet op een eenzijdige manier ingevuld worden.”
> Macht is een centraal gegeven in je denken over planning. Stellen de structurele machtsonevenwichten die ingebakken zitten in onze kapitalistische samenleving geen grenzen aan de mogelijkheden van het beleid om de sociale problemen op te lossen?
“Op basis van interviews met ministers, kabinetsmedewerkers en mijn eigen aanvoelen heb ik een aantal jaren na de goedkeuring van het RSV een analyse gemaakt van hoe macht daar gespeeld heeft. In het RSV hebben we op macht ingespeeld door coalities aan te gaan en ‘vrienden te maken’. Zo was er de nauwe samenwerking met vakbonden en de milieubewegingen maar ook met vakgenoten, om de macht van de economische sector wat te breken. We hebben ook ervaren dat kennis macht betekent. Door kennis te verwerven in economische dossiers stonden we sterker in onze discussies. In interkabinettaire werkgroepen werden we vaak geconfronteerd met oud-studenten die werkten voor ministers met een verschillend politiek signatuur. In bepaalde gevallen was dit nuttig om machtsrelaties te doen kantelen. Onze aanwezigheid maakte het vaak mogelijk om de intrinsieke kracht van de redenering te laten doorwegen.”
> Moet planning naast een beleidsproject ook geen politiek project zijn?
“Planning is onlosmakelijk met de politiek verweven, maar het is geen politiek. Het is een project gebaseerd op waarden. Wat mij betreft staan ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal. Sommige beleidsprojecten zijn echter nog te zeer technocratische projecten. Het is moeilijk om een discussie te hebben over waarden, maar het is belangrijk om ze te expliciteren. Daarom is het zo belangrijk samen te werken met politici waarmee je op één lijn kan zitten.”
> Welke belofte houdt de planningsdiscipline in voor de toekomst?
“Ik heb het gevoel dat ruimtelijke planning bij een aantal grote dossiers ofwel zichzelf buiten spel zet ofwel buitenspel gezet wordt. Er moet nodig aan communicatieve planning gedaan worden. Neem nu de Lange Wapper in Antwerpen: daar komt geen van beiden aan bod. We moeten dus meer aanwezig zijn in het publieke debat rond grote maatschappelijke problemen zoals de opwarming van de aarde en diversiteit. Planners moeten toekomstbeelden creëren, hun creativiteit inbrengen en oplossingen suggereren. We hebben geen nood aan meer van hetzelfde. Neem nu de verkeersproblematiek. We kunnen niet eindeloos meer kilometers met de auto gaan rijden. Het is een gunstig moment om dat aan te pakken, nu de kosten van het autogebruik gevoelig stijgen. We moeten inzetten op spoor-, water- en collectief vervoer en compact wonen.
Daarnaast moeten planners diversiteit op de agenda plaatsen. We moeten van een aantal problemen troeven proberen te maken. Als we in het zuiden op vakantie gaan, vinden we lokale markten, het uitstallen van waren op trottoirs positief. In onze eigen steden is het vaak een bron van ergernis. Diversiteit heeft belangrijke linken met ruimtelijke planning, vooral wat betreft de fysiek-ruimtelijke integratie van diverse maatschappelijke groepen. Denken we maar aan de discussies over quota’s versus homogene gemeenschappen.
Om de belofte van planning te kunnen waarmaken moeten we geloven in de maakbaarheid van de ruimte en het beeld van planning als het afleveren van bouwvoorschriften doorbreken.”
STIJN OOSTERLYNCK EN PASCAL DEBRUYNE

Om een goed staaltje te zien
Om een goed staaltje te zien van de hedendaagse planningscultuur, is de onderstaande link over de Oosterweelverbinding in Antwerpen zeer illustratief:
http://www.indymedia.be/nl/node/28277