Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Binnenkijken bij bedelaars

p15_bedelaars
(foto: freddy Willems)

Elke zich respecterende stad heeft er recht op. Ook Gent. Geen grootsheid zonder de beangstigende dualiteit van super-de -luxe en mega-marginaliteit. De confrontatie met bedelaars blijkt echter geen gemakkelijke zaak. De reactie van de meeste voorbijgangers varieert van straal negeren tot gegeneerd in de zakken tasten en gauw verder hollen. Wat is er zo confronterend aan deze mensen en aan deze manier van geld verdienen?

 

De mening van de Gentenaar

Bevraagt men de Gentenaar over zijn manier van omgaan met bedelaars, dan getuigen de antwoorden van een mix van onbegrip, wantrouwen en empathie. Het antwoord van Georgette, een vrouw van 70, is illustratief: “Ik geef altijd aan die jongen die aan de Club zit met zijn hond. Een koek voor zijn hondje, een euro voor hem. Mijn dochter zegt: ‘Daar moet ge niet aan geven, dat is ne verslaafden’. Maar ik denk dat ze de mensen te snel een stempel geven. Al ken ik er wel één die een goed inkomen heeft en toch zit die daar te bedelen op de hoek. Dat snap ik niet.”

Naast de occasionele uiting van ongecompliceerde sympathie – “Ik heb geen enkel probleem met bedelaars. Het geeft een extra sfeer aan de buurt, vind ik” - passeren een hoop clichés de revue: “Ik geef geen geld. Iedereen moet voor zijn geld werken. En die mannen rijden dan ’s avonds met hun BMW of Mercedes weg”, of “Ik geef niets. Als ge nen boterham probeert te geven willen ze het niet. Ze willen enkel geld. Om te drinken”.

Bedelaars lokken bij mensen dus dubbelzinnige en in vele gevallen negatieve reacties uit. Terecht?

 

Wie zijn ze?

“Er zijn continu een twintigtal bedelaars actief in Gent,” vertelt commissaris De Wilde Van Politie Gent. “De klassieke bedelaars, zittend met een potje voor zich, zijn momenteel vooral Bulgaren. Vorig jaar waren het meer Roemenen. Het zijn vooral pendelaars afkomstig uit Brussel maar er komen er ook uit Noord-Frankrijk. Enkelen verblijven in Gent. Autochtone bedelaars gebruiken eerder een actieve benadering. Dit zijn dan vooral jongeren, verslaafden.”

Tijl Meheus en Hans Bodyn, coördinatoren van het straathoekwerk in Gent, zien een mix van autochtonen, allochtonen, druggebruikers, daklozen, jongeren, mensen met een psychiatrische stoornis, Roemenen, Slovaken en Bulgaren.

“Je kan spreken van een afromingseffect: verschillende instellingen zoals behandelingscentra, psychiatrische klinieken en dergelijke beperken zich bewust of onbewust, aangezien ze toch worstelen met plaats- en middelengebrek, tot de gemakkelijkste deelgroepen, degene waar ze het snelst resultaat mee kunnen bereiken. De multi-probleemgevallen en recidivisten vallen overal uit de boot en belanden op straat.”

 

Waarom bedelen ze?

Hoewel hun achtergrond zeer verschillend kan zijn, is de drijfveer om te bedelen zeer  gelijklopend: voorzien in hun levensonderhoud. Bij allen betekent dit geld voor de basisbehoeften: huisvesting, eten, kledij en medische kosten. Bij een deel van hen, en dan vooral bij de autochtone bedelaars, komt hierbij nog de financiering van een verslaving (voornamelijk alcohol, bij de jongeren ook andere drugs).

“Op straat leven is duur,” vertelt Bries Andrey, bedelaar in Gent sinds meer dan tien jaar, “Als je geen huis hebt, kan je nergens koken en ga je bijna elke dag frieten eten of iets dergelijks. Je hebt hele dagen niets te doen en wat doe je dan anders dan drinken om je problemen te vergeten? Ik moet dan ook nog voor mijn hond zorgen. Soms wil ik eens deftig slapen en een douche nemen en dan huur ik een kamer in een hotel.”

 

Zijn er geen alternatieven?

Een veelgehoorde kritiek is dat er ander manieren zijn om aan geld te komen. Iedereen kan werken en voor wie dit niet kan zijn er de uitkeringen waar de belastingbetaler elke maand aan bijdraagt.

In het geval van de allochtone bedelaars is meteen duidelijk dat dit, aangezien ze geen recht hebben op arbeid of uitkering, niet voor hen opgaat. Preda Rusalin, een jonge Roemeen, vertelt: “Ik ben hier met mijn vrouw. Mijn kinderen zijn in het buitenland. Hier kan ik meer verdienen met bedelen dan met werken in mijn land.”

Maar ook voor autochtone bedelaars blijkt gaan werken geen eenvoudig alternatief. “Werk zoeken als je geen dak boven je hoofd hebt is niet gemakkelijk. Wie neemt je aan als je ongeschoren en ongewassen bent?”, verklaart Bries.

Zelfs een uitkering is geen evidentie. Het OCMW van Gent heeft de naam flexibel en hulpvaardig te zijn maar werkt binnen een vooropgesteld beleid waarover ten gepaste tijde gerapporteerd moet worden. Dit, tijdsdruk en de persoonlijke zienswijzen van de assistenten, maken het verkrijgen en behouden van een uitkering niet altijd evident. “Sinds de overgang van het bestaansminimum naar het leefloon zijn de voorwaarden strikter geworden. Ik heb soms de indruk dat sommigen van het OCMW meer techneuten dan sociaal assistenten zijn geworden.” Joost Bonte van het VOS (Vlaams Overleg Straathoekwerk nvdr) verwijst hier naar het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat met de omschakeling is ingevoerd.

 

Rechten en plichten

Daisy De Grauwe van de Dienst Thuislozen: “Een thuisloze zonder inkomen bieden wij een leefloon aan als alleenstaande (711,56 euro/maand). Deze uitkering is wel gekoppeld aan een GPMI-contract. Dit houdt in dat we in overleg met de thuisloze haalbare afspraken vastleggen om vooruit te geraken in vaak een kluwen van problemen. Als iemand weigert om zich hierop in te schrijven, dan beperkt het leefloon zich tot een uitkering als samenwonende (474, 37 euro/maand).’ 

Dat een beleid van rechten en plichten niet zo logisch is als het voor velen lijkt, getuigt ook Hans Bodyn: “Om een uitkering te verkrijgen moet men gedomicilieerd zijn, een inkomstenbewijs kunnen voorleggen, op de afspraak verschijnen bij de sociaal assistent. Dit zijn zaken die voor mensen in een moeilijke levenssituatie zeker niet evident zijn. Soms hebben mensen ook al een slechte ervaring met de hulpverlening achter de rug en blijven ze liever uit hun buurt.” Leen (dit is niet haar echte naam), die vijf jaar bedelde en van kraakpand naar nachtopvang zwierf, kan dit bevestigen: “Ik had geen domicilie in Gent en kon hier dus geen uitkering krijgen. Mijn vriend die in dezelfde situatie was, startte een procedure om zijn adres bij het OCMW in te schrijven en moest anderhalf jaar wachten voor dit in orde was.’

Ook de zoektocht naar een woning is voor de dakloze bedelaar haast onbegonnen werk. “De privémarkt is ondoenbaar,” vertelt Bries. “Vele huiseigenaars aanvaarden geen bankwaarborg of een waarborg van het OCMW. Als je al eens op bezoek mag, dan worden de meesten afgeschrikt door je uiterlijk. Als ik mijn hond meeneem omdat ik hem nergens anders kan laten, dan is het nog erger. Ik stond acht jaar op de lijst voor een sociale woning alvorens ik er één toegewezen kreeg. Omdat ik ze weigerde, ik plande toen juist naar het buitenland te trekken, verloor ik voor twee jaar het recht op een lijst te staan.”

 

Repressie

Wie huis noch werk heeft, is veroordeeld tot een straatleven en tot bedelen. De wet op landloperij werd afgeschaft in 1993 en op zich is bedelen niet strafbaar. “Als de bedelaars zich aan bepaalde regels houden (passief bedelen, geen actieve benadering van de mensen, geen kinderen, geen honden nvdr) dan worden ze met rust gelaten,” getuigt commissaris De Wilde. Maar aangezien het leven van de bedelaars zich helemaal op publiek domein afspeelt, komen ze al snel in aanraking met de politie. Onderlinge ruzies, druggebruik, luidruchtig gedrag: alles wat de openbare orde verstoort, leidt in eerste instantie tot een identiteitscontrole en fouillering en in vele gevallen tot een aanhouding. “Vroeger ging er geen dag voorbij zonder dat ik opgepakt werd. Soms meerdere keren per dag,” vertelt Bries. Hij heeft de indruk dat de politie veel strenger tegen hen optreedt dan tegen de studenten. ‘Als wij met een groepje bier zitten te drinken of een joint roken, dan worden we meteen gecontroleerd. Studenten die net hetzelfde doen, worden met rust gelaten.”

Dat de maatschappij gelijkaardig gedrag verschillend beoordeelt bij verschillende groepen, weet ook Joost Bonte: “Bedelaars worden bij een actieve benadering van mensen administratief aangehouden, de horden fondsenwervers in de winkelstraten mogen ongestoord hun gang gaan. De politie treedt streng op tegen bedelaars op kruispunten omdat dit gevaarlijk is voor hen en de autobestuurders maar niemand kijkt op van de Rode Kruis-stickeractie.”

Zelfs op stedenbouwkundig vlak sluipt de intolerantie binnen, getuigt Hans Bodyn: “Bij de heraanleg van de Korenmarkt verdwenen de bankjes omdat dit typische ‘hangplekken’ waren. Bedelaars worden op steeds minder plaatsen getolereerd: uit stations, kerkportalen en openbare toiletten worden ze verjaagd.”

Bries heeft de indruk dat de stad momenteel strenger optreedt tegen krakers: “De vorige burgemeester had een goede band met de krakers en kwam wekelijks een babbeltje doen en vragen of we iets nodig hadden. Nu worden steeds meer kraakpanden ontruimd.”

 

Liefdadigheid kwetst

Onze maatschappij heeft het duidelijk moeilijk met bedelaars.

De Duitse socioloog Simmel stelde dat de meeste menselijke relaties gestoeld zijn op uitwisseling: geven en een equivalent terugkrijgen. Anders gesteld: voor wat hoort wat. Dat dit ‘equivalent’ bij bedelen niet duidelijk is, maakt het geven aan bedelaars voor velen zo moeilijk, zeker binnen de huidige neoliberale ideologie. Twintig cent verliezen in een stofzuiger of de goot stelt minder problemen dan het deponeren van hetzelfde bedrag in het potje van de bedelaar. Men krijgt er immers niets voor in de plaats. Wat men niet beseft, is dat een gift nóóit vrijblijvend is. Een unilaterale gift ontwricht, markeert iemand als minder dan een ander. Charity wounds.

Dat bedelaars gezien kunnen worden als een symptoom voor de tekorten en de ziekten van onze samenleving is een andere reden waarom we het er moeilijk mee hebben. Dat zoveel Roemenen en Bulgaren er voor kiezen om hier te komen bedelen, ver weg van hun vertrouwde omgeving, duidt op de ongelijke verdeling van de rijkdom in de wereld. Het zien van autochtone bedelaars stuit indien mogelijk nog erger tegen de borst: hoe genieten van de eigen luxe als er landgenoten zijn die duidelijk zoveel minder hebben? Liever dan face tot face geconfronteerd te worden met dit alles, reageren we met een mix van sociale voorzieningen en repressie. Sociale zekerheid kan op die manier gezien worden als het inlassen van een barrière, een administratieve machinerie, tussen rijke gevers en arme ontvangers. Steeds meer wil onze maatschappij iedereen en bij uitstek ‘de probleemgevallen’ categoriseren en hieraan gevolgen koppelen (behandelingen, steun trekken of niet, …) Wie zich niet in dit systeem wil inpassen, moet maar oprotten.

 

Lichtpunten

Nochtans kan het ook anders.

“Toen ik het zeer moeilijk had, heeft de straathoekwerker me door deze periode gesleurd. Wanneer ik hem nodig had, stuurde ik een sms en dan belde hij terug. Dit was niet het geval bij andere diensten,” vertelt Leen.  “Het grote voordeel van onze straathoekwerkers is dat ze tijd hebben,” beaamt Tijl Meheus, “en om mensen in een problematische leefsituatie te helpen heb je veel tijd nodig. Tevens is er een veelheid aan kleine initiatieven nodig in plaats van één grote eenheidsworst. De probleemsituaties zijn zo gevarieerd dat men ze niet allemaal met één aanpak kan oplossen.”

Op Gentse bodem zijn er al heel wat initiatieven. Deze staan gebundeld in het adressenboekje of de site www.metweiniggeld.be van Samenlevingsopbouw Gent vzw. Huize Triest biedt tijdens de week slaapplaats voor 5 euro en maaltijden voor 2 euro aan. In de nachtopvang kan men een beperkt aantal keren gratis overnachten. Bij een aantal KRAS-diensten (hoofdzakelijk vzw’s die op vrijwilligers draaien) kan men op verschillende plaatsen in de stad voedsel, maar ook een hele resem andere ondersteuning, verkrijgen.

Dat deze initiatieven tekortschieten, daar is men zich bij de verschillende betrokken diensten van bewust. De Dienst Thuislozen van het OCMW startte sinds een jaar dan ook met een intensievere samenwerking met andere diensten zoals straathoekwerk en met een eigen team dat ‘zorgwekkende zorgvermijders’ tracht te bereiken en ze weer vertrouwen tracht te geven in hulpverlening. Een werkgroep dak- en thuislozen werd vanuit het Lokaal Sociaal Beleid Gent opgericht om pijnpunten te onderzoeken en aan te pakken. Willem Gobeyn, voorzitter van de werkgroep: “Aangezien de nachtopvang bedoeld is als noodopvang en vele thuislozen dagelijks op zoek zijn naar een slaapplaats, werd beslist een Nachtopvang-plus op te richten waar men, tegen een kleine betaling, voor een maand een bed kan huren. Dit project is inhoudelijk en financieel rond, we zoeken enkel nog een geschikte accommodatie. Een ander probleem waar thuislozen mee geconfronteerd worden, is het vinden van een plaats waar men zijn spullen kan achterlaten. Hiervoor willen we in de toekomst op drie plaatsen lockers te beschikking stellen. Voor gezinnen in een precaire leefsituatie hopen we een nieuw Service- en Ontmoetingscentrum op te richten.”

Maar misschien nog belangrijker dan deze officiële initiatieven is ‘gewone’, menselijke solidariteit en tolerantie. Ervaren bedelaars kennen de restaurants waar ze gratis aan een maaltijd kunnen geraken. Bij kraakpanden wordt, na een gesprek, in sommige gevallen een overeenkomst tussen krakers en eigenaar bereikt: onderhoud van het huis in ruil voor een ongestoord verblijf. Een van de belangrijkste ingrediënten om op straat te kunnen overleven is dan ook gratis: wederzijdse vriendschap en steun.

 

TOM CORNU