Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Godverdomme, Vlaanderen is vrij: Het Gentse Activisme (1914 - 1918)

p34_vlaanderen vrij

De Eerste Wereldoorlog was niet om mee te lachen, zoals dat wel vaker het geval is met wereldoorlogen. Via het activisme probeerden militante flaminganten het beste te maken van de Duitse bezetting, maar het beste leek in dit geval verdacht veel op landverraad. En nergens werd zoveel land verraden als in Gent.

 

Op 28 juni 1914 gaf Gavrilo Princip het startschot voor de Eerste Wereldoorlog, dwars door het hoofd van de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand. De binnenvallende Duits overrompelde Gent zonder veel slagen of stoten en maakte van de stad een kazernestad in het zogenaamde Etappengebied. Kort gezegd betekende dit dat de vijand hier een beetje kwam chillen als hij de loopgraven weer eens beu was.

Het stadsleven veranderde grondig: inkwartiering van soldaten, opeisen van werkelijk alles (van huizen en paarden tot champagne en dameshorloges), verplichte tewerkstelling, willekeurige arrestaties, deportaties, terechtstellingen, rantsoeneringen, hongersnood, … En overal, werkelijk overal: soldaten.

In zijn roman ‘De hel en hoe ze op aarde kwam’ (1919) schetst Vooruit-journalist Jozef De Graeve een apocalyptisch beeld van de bezette stad: “De beschaving dreigde teenmaal in puin te vallen. De lugubere aanblik der doodsche, onverlichte straten der stad gaf er een voorgevoel of de zekerheid van. Het leven […] verschrompelde […] tot ellendigst middeleeuwsch bestaan, met al de barbaarsche kenmerken ervan. Alles en allen rondom scheen tot ondergang gedoemd.” De ellende van de bevolking contrasteerde absurd met het futurisme van het alomtegenwoordige “formidabel militaire machien”.

Na de oorlog hing de pacifist Heinrich Wandt de vuile was (vooral het ondergoed) van dat ‘militaire machien’ buiten. Als we Wandts boek ‘Etappenleven te Gent’ (1920) mogen geloven, waren de Duitsers in Gent lui, dom, wreed, inhalig en - bovenal - oversekst: “Hoog klinkt het lied van de schoonheid en de liefde der Gentse meidekens! Er bestaat slechts één Gent en er zijn slechts éénmaal Gentse meidekens geweest!”

Gent veranderde volgens Wandt tijdens de oorlog in een soort megabordeel, wat niet eens zo veel verschilt van de officiële verslagen. De armoede dwong veel vrouwen in de prostitutie en geile Duitsers waren er genoeg. De militaire overheid probeerde de prostitutie in te dammen door van het ‘oudpeekestehuis’ op de Ferdinand Lousbergkaai een veredelde hoerengevangenis te maken. Niet dat het hielp. De straat hield er alleen de bijnaam ‘microbenboulevard’ aan over.

 

Liever Duitscher dan Belg

Nog voor de Duitsers goed en wel uitgepakt waren, stond een stel Gentenaars al klaar om met de bezetter te beginnen heulen. De enthousiastelingen van ‘Jong Vlaanderen’ vroegen niets minder dan “de van Germaansch standpunt noodzakelijke inlijving van de Nederlandsch sprekende gedeelten van België en Fransch-Vlaanderen bij Duitschland”. Ze wilden eigenlijk een onafhankelijk Vlaanderen, maar boden zich aan de bezetter aan onder het motto: “liever Duitscher dan Belg”. Ze stuurden de Duitse keizer met kerstmis ’14 een (niet ondertekend) kaartje om zich ervoor te verontschuldigen dat de Vlamingen aan de verkeerde kant vochten.

Zelfs de Duitsers vonden het fanatisme van dit groepje weirdo’s er een beetje over. In hun door de Duitsers gefinancierde krant de Vlaamsche Post - ook wel de Vlaamsche Pest genoemd - moesten de Jong Vlamingen zich dan ook flink intomen.

Dat wil niet zeggen dat den Duitsch de Vlamingen niet voor zijn tank wilde spannen, integendeel. De Duitsers beseften wel dat ze Vlaanderen alleen geleidelijk van België konden losweken. Ze verzonnen daar een woord voor dat alleen een Duitser kan bedenken: de(r) Flamenpolitik.

Het flamingantisme leek een makkelijke prooi. Voor de oorlog was het aantal flaminganten sterk toegenomen, zonder dat ze politiek voet aan de grond kregen bij de gevestigde partijen. Het succes van aparte Vlaamsgezinde partijtjes, zoals de Vlaamsche Blok (!), bleef beperkt.

De taalonrechtvaardigheid was nochtans opmerkelijk. De taalwetten die bestonden, werden niet uitgevoerd. Het was overal erg, maar in Gent was het héél erg. Slechts 8% van de bevolking was Franstalig, maar het publieke leven was volledig verfranst. Frans spreken was een teken van beschaving. “De eigenlijke werkersklas verwart het begrip van geleerdheid met ‘Fransch kennen’”, noteert kranige bomma Virginie Loveling in haar oorlogsdagboek. Niet te verwonderen, aangezien zelfs veel ‘salonflaminganten’ thuis en op feestjes liever Frans praatten.

De achterstelling van de Nederlandstaligen veroorzaakte steeds meer protest. Toch bleek slechts een beperkte groep flaminganten, de zogenaamde ‘activisten’, bereid daadwerkelijk met de bezetter samen te werken.

p34_vlaanderen vrij
Het Belfort

 

‘We leeren niemendal en we lijden honger’

In Gent voerden de Duitsers al snel een aantal Vlamingvriendelijke maatregelen in. De straatnamen werden vernederlandst, aankondigingen in het eentalig Frans mochten niet meer en ook de Gentse horeca moest vervlaamsen. Het Café Français veranderde zijn naam dan maar in Café Frans.

Von Bissing had evenwel grootsere plannen met Gent: de vernederlandsing van de Hogeschool (de universiteit) sloeg eind 1915 in als een bom. Zowat alle proffen weigerden hieraan mee te werken. De Duitsers deporteerden daarop hun twee bekendste tegenstanders: de historici Henri Pirenne en Paul Fredericq. Pirenne was een Franssprekende Belgicist, maar Fredericq stond bij zijn collega’s bekend als ‘le mouvement Flamand’.

De deportatie maakte van iedereen die nog aan de Nederlandstalige universiteit meewerkte meteen een verrader. De beheerder van de universitaire plantentuin klaagde dat het opeens zelfs ‘onvaderlandsch’ bleek de planten te wieden. De Duitsers bombardeerden een heleboel activisten tot prof en zochten de rest van het personeel in Duitsland en Nederland (dat uit de oorlog bleef).

Ook de studenten bleven weg. Een groot deel vocht in het Belgische leger tégen de Duitsers en de rest bleef liever thuis. Zoals een student, die wel ging, rapporteerde: “[Ge moest] op zijn minst een held zijn om er heen te durven. Ge moest vechten tegen alles. Tegen uw ouders, tegen uw leeraars, tegen uw pastoor, tegen uw burgemeester, tegen heel uw dorp; tegen de ongeldigheid der diploma’s, […] tegen een besliste boycot heel uw voort leven lang; tegen u zelf, omdat Gent zoo ver in de Etappen lag en ’t voedsel er zoo schaarsch was en de bommen van de Geallieerden er zo overvloedig neerbrandden.”

Het geheel draaide sowieso uit op een veredeld fiasco. De studenten waren ontevreden over de proffen, de proffen waren ontevreden over de studenten en overal was er tekort: “We zouden beter thuis zijn, we leeren niemendal hier en we lijden hoger.”

p34_vlaanderen vrij

 

Vlaanderen onafhankelijk!

Voor de fanatieke doordouwers was de vernederlandsing van de Hogeschool maar gerommel in de marge. Met hulp van de Duitsers wilden de activisten de Belgische staat en de bevolking voor voldongen feiten stellen: “Het volk staat niet aan onze zijde, maar wij moeten het tegen zijn wil genezen.”

Een staatshervorming was volgens de activisten het perfecte medicijn. De Raad van Vlaanderen, een soort zelfbenoemde Vlaamse regering, overtuigde de Duitsers België te federaliseren. Het unitaire bestuur van België hield op te bestaan, de ministeries werden gesplitst. De Waalse ministeries verhuisden naar Namen, de Vlaamse bleven in Brussel. Het personeel van de Vlaamse ministeries diende massaal zijn ontslag in, waarna de Duitsers wederom een hele resem activisten benoemden.

De bestuurlijke scheiding was maar het begin: eind 1917 kondigde de Raad van Vlaanderen zonder meer de zelfstandigheid van Vlaanderen af. Om dit te vieren, trok een stoet activisten op 27 januari 1918 naar de Vrijdagmarkt en zwoer daar de eed van trouw aan Vlaanderen. Gelukkig saboteerde iemand het podium, zodat een vlaggendrager er doorviel en er voor het publiek ook nog wat te lachen viel.

De Gentse bevolking reageerde woedend en verbijsterd op de ‘onafhankelijkheid’, vooral omdat ze samenviel met een reeks Duitse razzia’s. In ‘De Hel’ klinkt het zo: “die lafaards van flaminganten… Vlaanderen is vrij, zeggen ze… Godverdomme… zoudt ge ze niet doodsmijten!”

Na deze Vlaamse ‘zege’ grepen de activisten ook in Gent zelf de macht. Ze kregen de Duitsers zover dat ze burgemeester Braun en een andere schepen afzetten en deporteerden. Een Duitser die geen Nederlands sprak werd burgemeester, en een aantal activisten werd schepen. Gent werd zo de enige plek waar de activisten van de Duitsers daadwerkelijk enige macht kregen.

Ze deden er weinig mee. De Gentse activisten rolden voortdurend vechtend over straat, waardoor ze geen tijd meer hadden om andere mensen te ambeteren. De ronkende retoriek van hun Gentse leider in zijn toespraak op 11 juli 1918 veranderde daar weinig aan: “België is een uitvindsel van diplomaten! Vlaanderen is het werk van God! God’s werk zal leven! Onze groote Germaansche broeder, die wij met de lijken onzer gevallen voorouders beschermden, moet ons nu redden en aan een klein volk zijn tol aan de menschheid betalen!” Duitsland zou meer dan zijn tol betalen, maar niet aan de activisten.

 

Een vrije hand (op uw bakkes)

Na de bevrijding volgde de afrekening. De meeste Gentse activisten ontvluchtten wijselijk het land. De woedende massa keerde zich tegen alles wat van ver of kortbij naar Duitse sympathieën rook. Huizen werden kort en klein geslagen, een aantal mensen kreeg rake klappen en ‘verdachte’ vrouwen werden kaalgeschoren. Het leger stond erbij en keek ernaar. Een officier verklaarde hierover: “Je moet ten minste één dag het volk, na een periode van zoo’n onderdrukking, eenigszins de vrije hand laten.”

Enkele Vlaamsgezinde frontsoldaten probeerde de straatjustitie in te tomen. De onredelijke dominantie van het Frans in het Belgische leger had bij veel soldaten de Vlaamsgezindheid aangescherpt, wat vreemd contrasteerde met de anti-Vlaamse stemming onder de bevolking.

Na de oorlog draaide Gent de klok terug, alsof er nooit iets gebeurd was. De universiteit werd weer Franstalig, behaalde diploma’s en benoemingen werden ongeldig verklaard, zelfs de notulen van het schepencollege en de straatnamen werden weer eentalig Frans.

Flamenpolitik en activisme hadden de Vlaamse zaak in het verfranste Gent schijnbaar meer kwaad dan goed gedaan. “Hoe wilt ge, dat de bevolking zich door den vijand laat opdringen, wat de vriend niet of slechts met bijna onoverkomelijke moeite bewerken kon!” noteerde Virginie Loveling al in 1916. Loveling zag zelfs een samenzwering en vroeg zich af “of er onder de zoogenaamde aktivisten geene heimelijk in dienst van de franschgezinden staan om het Vlaamsch hatelijk te maken.”

En eigenlijk was dit nog maar het begin. In de periode tussen de twee oorlogen zou het verschil tussen fransch- en vlaamschgezinden pas echt uitgroeien tot een onoverbrugbare kloof.

 

WOUTER BRAUNS

 

Het standaardwerk over het Gentse activisme is ‘Het aktivistisch avontuur’ van Daniël Vanacker (1991).
Naast de in de tekst vermelde ooggetuigenverslagen schetst ook ‘Gent en de Eerste Wereldoorlog’, onder redactie van André Capiteyn (1991), een goed beeld van de stad in deze periode.