



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Johan Sanctorum over de spontane stad
De levenswandel van Johan Sanctorum – naar eigen zeggen zijn ‘curriculum mortis’ – is een bijna chaotische zoektocht naar samenhang. Achtereenvolgens was hij uitgever/hoofdredacteur van een filosofisch magazine, drukker, intendant-regisseur van een operagezelschap, docent aan de universiteit, communicatieadviseur bij Noël Slangen, architectuurcriticus… en nu filosoof/columnist/onderzoeksjournalist. “Ik ben niet de Johan Sanctorum van tien jaar terug, maar ergens toch weer wel, want ik heb een verleden, een geheugen, littekens...” Weinig kans om zonder gespreksstof te vallen, dus.
> U werkt momenteel samen met Alfredo De Gregorio en schreef een boek over Aldo Rossi. Wie zijn deze mensen en hoe bent u met hen verbonden?
Johan Sanctorum: “Alfredo De Gregorio is een architect met Italiaanse roots die uit hetzelfde Hasseltse milieu afkomstig is als Noël Slangen, Steve Stevaert, Ernest Bojak e.a. Maar hij is een urbanist met eigenzinnige ideeën die sterk afwijken van het klassieke modernistische zootje dat overal zijn ding wil doen, zonder aandacht voor het stedelijk organisme. Ik doe research voor hem rond stedelijke identiteit, een begrip dat wij twee jaar geleden gelanceerd hebben en waar nu zowat iedereen het over heeft. Uit onze samenwerking groeide het boek ‘Passione Urbana’, waarin ik eigenlijk teruggrijp naar de Italiaanse architect Aldo Rossi die in 1997 overleed. Rossi waarschuwde in de jaren ’60 al dat de gedachteloze architectuur van de schone plaatjes, die vooral de aandacht vestigt op het ego van de ontwerper, niet deugt. Hij was een filosoof-kunstenaar met een sterk picturaal talent, zoals ik met een muzikaal talent begiftigd ben. Het is een voordeel en een handicap, het maakt je onthecht maar het schept ook gespletenheid, je pendelt over en weer tussen werelden. Aldo Rossi was voor mij hoe dan ook een revelatie; als persoon, als architect en als denker.”
> U lijkt bevreesd voor het systeemdenken in onze maatschappij. Het systeem probeert ons voortdurend te beheersen en te beknotten, zo zegt de bijna Foucaultiaanse geest van uw werk?
Sanctorum: “Ik ben niet bevreesd, ik stel gewoon vast. Het systeem, zijn mechanica en zijn strategisch beheersingsinstrumentarium moeten inderdaad voortdurend in vraag gesteld worden. Maar Foucault was eigenlijk nog optimistisch. Hij analyseert de machtsstructuren en definieert subversiviteit als de ‘luis in de pels’, iets dat in de marge gedijt.
Maar in de postmoderne samenleving worden alle tegenstellingen in één grote talkshow samengebracht. Alles komt samen in het model van de neoliberale logica van vraag en aanbod.
De functie van de massamedia is nu vooral om het marketingmechanisme te smeren. Zopas gaf mediaminister Geert Bourgeois de commerciële zenders de toelating om met kinderreclame te beginnen. Maar ook Tony Mary, baas van de openbare omroep, vraagt elke dag luider om reclame op zijn zenders.
De luis is een nuttig dier geworden. Je mag je zeg doen, maar eigenlijk heeft het allemaal geen belang. Dat is de tragikomedie van de hedendaagse democratie.
> De architectuur die ingeplant wordt in steden, van woonkazerne tot een gigantisch city-marketinggedrocht als het Urbiscomplex in Gent, vervult u met afkeer. Volgens u leidt slechte architectuur zelfs tot geweld. Over de situatie in de Parijse banlieues schreef u: “Liever een organisch gegroeide krottenwijk dan Le Corbusiers idee van ‘Totale Planning’, van beheersing en totale ontmenselijking.”
Sanctorum: “Toen ik dat artikel in De Standaard publiceerde, kreeg ik half architectuurminnend Vlaanderen over me heen. Vreemd hoe Le Corbusier nog altijd een soort heilige is. Toch is hij de peetvader van de stedenbouwkundige maakbaarheidsmythe, die het jaar nul uitroept en vindt dat men eerst de mens mentaal moet afbreken alvorens de zogenaamde ‘nieuwe mens’ kan verrijzen. In het verlengde van deze fascistoïde, anorganische logica vond Le Corbusier dan ook maar dat men de oude stad moest vernietigen, die aanknopingspunten met het verleden en het collectief geheugen bevatte. Het modernisme beoogde de hersenspoeling. En inderdaad: zijn beruchte, gelukkig nooit uitgevoerde ‘Plan Voisin’ uit 1923 beoogde een kaalslag van een groot stuk van de Parijse binnenstad. Le Corbusiers universum was daarenboven gebaseerd op segregatie, allerminst op een sociale mix: elke klasse moest haar eigen soort gebouwen hebben. De hogere klasse woonde uiteraard meer luxueus en dichter bij het stadscentrum, het proletariaat moest uitwijken naar de kazernes in de periferie. Op de achtergrond speelde onmiskenbaar een rechts-totalitaire tijdsgeest, gecombineerd met een anti-traditionalistisch maakbaarheidsideaal.
Ik verkies dan inderdaad de sloppenwijken, waar het systeem geen greep op heeft en waar nog een vorm van zelfredzaamheid heerst. De opstand in de banlieues was niet eens politiek (naar het schijnt terroriseren diezelfde allochtonenbendes nu ook de jongeren die in Parijs tegen het banenplan betogen en dus eigenlijk aan hun kant staan), maar puur biologisch, zoals opgehokte kippen of varkens psychotisch worden.
Geplande stedelijkheid leidt tot een pervers soort machtsarchitectuur die geweld uitlokt. Niet toevallig komt ze voort uit het 19de-eeuwse nationalisme. Kijk naar de planoloog Hausman die in het Parijs van 1860, ten tijde van het conservatief-burgerlijke Empire-regime, de brede boulevards ontwierp waarop we zo graag flaneren en die allemaal in stervorm op één punt uitkomen, de Place de l’Etoile. Die brede boulevards waren vooral bedoeld om legers snel ter plaatse te brengen en stedelijke onlusten vlug te smoren. Maar door dat historisch perspectief te verwaarlozen, borduurt de moderne architectuur voort op dezelfde vormentaal, en is ze gedoemd om fouten eindeloos te herhalen. Kijk naar Ground Zero: op de plaats van de Twin Towers zal een nóg hogere mastodont verrijzen, het lijkt wel alsof het modernisme in zijn destructieve logica ook zijn eigen vernietiging programmeert…”
> Veel steden zijn nochtans trekpleisters geworden door de handtekening van grote architecten. Kijk naar het Guggenheimmuseum in Bilbao van Frank Gehry, of het Antwerpse justitiepaleis van de architect Richard Rogers. Slecht kan zo’n trend toch niet zijn?
Sanctorum: “Tja, die ‘handtekening’, dat is het nu juist. Ik heb over het Antwerpse Justitiepaleis twee jaar geleden een kritisch artikel geschreven waarin ik waarschuwde voor spilzieke prestige-architectuur. En die kritiek lijkt nu bevestigd: Rogers heeft het budget schromelijk overschreden en niemand durfde in te gaan tegen deze halfgod uit Londen. De staat zal het gebouw dus noodgedwongen verkopen en leasen, de fameuze truc van de ‘sluitende’ Verhofstadt-begrotingen, die de bevolking nog eens een bom duiten zal kosten. Deze financiële strop is echter maar de oppervlakte van een dieperliggend euvel: ‘Sir’ Richard Rogers is op geen enkel moment met Antwerpse stedelijke identiteit bezig geweest, laat staan met het imagoprobleem van onze justitie sinds de Witte Mars.
Want dan had dit een nederig, bescheiden gebouw kunnen zijn in plaats van een modernistische remake van het Brusselse Poelaertpaleis. Wat is dat gebouw dus wél? Een merkteken van de architect: ‘Hier was Richard Rogers’. Voor een privé-woning zou dat nog kunnen, maar voor publieke architectuur vind ik dat gewoonweg immoreel. Ik denk dat stedelijke architectuur zich dringend eens moet bezinnen over haar missie. En daarvoor wou mijn boek Passione Urbana een aanzet zijn. Een pleidooi voor meer bescheidenheid en meer authenticiteit, de stad herdenken vanuit de grote en kleine verhalen.”
> Architectuur moet dus gebouwd zijn op verhalen en patronen van onderop. Maar hoe kom je tot zo’n ontwerp? Leidt een dergelijke aanpak niet tot een kneuterige stad in plaats van een moderne metropool?
Sanctorum: “Je moet het echt zien als een vorm van psychoanalyse, een therapie die heelt via de herinnering. Zieke, geblokkeerde mensen zitten in de knoop met hun verleden. De steden van vandaag verzieken en blokkeren omdat ze in handen zijn van planologen die een soort artefact, een kunststad in gedachten hebben. We moeten een stad zien zoals een hond haar ervaart: met zijn neus naar de bodem gericht. Sterk zintuiglijk en daardoor schijnbaar onsystematisch. Dat is niet kneuterig maar organisch en sensueel, het aanvoelen van de ‘korrel’.
Het uiteindelijke architecturale ontwerp moet naadloos passen in dat geheugenweefsel, zonder een pastiche of historische imitatie te worden.
Dat is dus absoluut het tegendeel van de Le Corbusier-doctrine. Goede architectuur zie je niet, zo vanzelfsprekend is ze. Dat bedoelde Aldo Rossi met zijn fameuze slogan: ‘In order to be significant, architecture has to be forgotten’.”
> Uw geleefde stad, als ik dat zo mag noemen, is een vrouwelijke stad die het romantische, ongeordende binnenbrengt in de rationele en lineaire mannelijkheid van steden?
Sanctorum: “Het gaat me om complementariteit, een soort erotische spanning tussen de rationele, monumentale ‘mannelijke’ stad en de intuïtieve, intieme en informele ‘vrouwelijke’ stad. Ik zie steden als organismen met twee kanten, zoals elk menselijk wezen ook beide seksen in zich heeft. Dat is nu zelfs biologisch aangetoond.
Leuven is bijvoorbeeld zo’n stad die duaal en zelfs hermafrodiet functioneert. Enerzijds een universiteitsstad waar de ratio van het academisme triomfeert. Tegelijk is het echter een stad van het begijnhof en het zorgprincipe, een soort vrouwelijke zin voor samenhang en totaliteit die haaks staat op de anatomische levensvisie. Het zijn die twee krachtvelden die Leuven maken tot een aangename, vitale stad, je voelt het ook als je erin loopt. Het stedelijke raster heeft zich daarop onbewust georiënteerd: er is het avenue-gevoel van de Bondgenotenlaan en het Stationsplein, maar er zijn ook de talloze steegjes, binnenhoven en verborgen plekjes die ons aan het oog van Tobback’s camera’s onttrekken. Er mag van mij dus controle en overzicht zijn, zolang er ook maar zijstraten, vluchtwegen en uithoeken zijn die ons dat ‘savanne’- gevoel geven van onopvallendheid en geborgenheid. Ik noem dat ‘vrouwelijk’, omdat het om interieurs gaat, kleine momenten, het efemere, het spontane en het toevallige. Meer op de maancycli georiënteerd dan op de zonnetijd.
Gent anderzijds beleeft die dubbelslachtigheid op een andere manier, namelijk die van ‘mannelijke’ torenstad, die schaduwen werpt waarin vrouwelijke ‘okselmomenten’ gedijen. Dat spel tussen hoogte en diepte, licht en duisternis, is typisch Gents. Met het water als spiegel tussen de twee. Soms gaat het om kleine, verrassende accenten.”
“Wat is het Atwerpse justitiepaleis? Een merkteken van de architect: ‘Hier was Richard Rogers’. Voor een privéwoning zou dat nog kunnen, maar voor publieke architectuur vind ik dat gewoonweg immoreel.
> Sas Van Rouveroij en Sven Gatz pleiten er in hun ‘Liberaal Stedenmanifest’ voor om vanuit een liberaal stedelijk perspectief de middenklasse terug naar de stad te brengen. Uiteindelijk brengt deze nieuwe stedelijke middenklasse een welvaartscreatie die de hele stad ten goede komt. Kortom, het verhaal van Richard Florida’s ‘Creatieve Klasse’. Hoe staat u tegenover deze visie?
Johan Sanctorum: “Ja, dat is een typisch neoliberale visie van de ‘hardwerkende Vlaming’ die, zo wordt stilzwijgend meegegeven, voor al de sociale parasieten betaalt: de allochtonen, werklozen, etc. De middenklasse is helemaal niet creatief. Ze is vooral behoudsgezind en angstig, daarom migreert ze terug naar de stad. Het platteland is terug een gevarenzone geworden, de villawijken worden steeds meer door homejackers geterroriseerd.
Het Antwerpse Zuid (waar het Justitiepaleis staat) en de Brusselse Dansaertstraat bijvoorbeeld worden zo een soort trendy luxeghetto’s.
Ook het Hasselt van Steve Stevaert is zo’n typisch geval: in het centrum wonen hoofdzakelijk gegoede gepensioneerden. Er is veel sociale controle, maar ook veel politie aanwezig om hen een veiligheidsgevoel te bezorgen. Vandaar ook de typische kneuterigheid die de Hasseltse binnenstad kenmerkt. Voor mij is dat geen pluriform stedelijk weefsel maar een monocultuur die politiek met voorbedachten rade wordt gecreëerd.”
> Diezelfde ‘Sas’ wou maar al te graag een Forum in Gent; met of zonder een wedstrijd en ongeacht of de Gentenaar dat zou willen. Volgens U past het idee van zo’n forum niet bij het karakter van het Gentse leven?
Sanctorum: “Het rijke culturele weefsel van deze stad is sinds de middeleeuwen subcultureel. Het functioneert vanuit kleine entiteiten, gezelschappen, clans, theatergroepjes, kunstkringen, enz. Elk hebben ze hun eigen publiek, rituelen, codes. Zo’n Forum zou volgens mij al die aparte cellen vernietigen door ze in één superprogrammatie te willen integreren.
Het project werd dan nog eens op een perverse manier doorkruist door de persoonlijke ambities van Gérard Mortier, een narcistische operaintendant van het grote geld die graag met architectuur uitpakt, alweer om een duurzaam merkteken na te laten in de geschiedenis. Sorry, maar een Forum bouw je niet om Mortier een monument te geven.
Er zijn andere mogelijkheden om nieuwe culturele infrastructuur te creëren. Ik denk bijvoorbeeld aan het verkommerde Circus Mahy, dat wél historische banden heeft met de stad en een eigen verhaal vertelt. Af en toe moeten het debat en de stedelijke communicatie ook leiden tot het niét realiseren van een ontwerp. Of architecten dat nu leuk vinden of niet.”
> Die cultuursector lijdt volgens u aan het ‘Borgiacomplex’. Wat bedoelt u daarmee?
Sanctorum: “Ik bedoel daarmee dat intellectuelen en kunstenaars zich veel te sterk aan het systeem en het gezag binden. Cesare Borgia was de mecenas van Niccolo Machiavelli, die ik intens bestudeerd heb.
Machiavelli was niet alleen schrijver maar ook kunstenaar en dichter. Zijn hoofdwerk Il Principe is voor de helft een kritiek op zijn broodheer en voor de andere helft een lofzang, vreemd maar waar. Kunstenaars laten zich te gemakkelijk naaien. Iemand als Jan Fabre was goed begonnen, als een soort straathond en villadief die in kleine zaaltjes groteske, half geïmproviseerde stukken bracht. Maar dan is hij zichzelf beginnen kopiëren en at hij van de verboden vrucht: hij werd gesubsidieerd en daardoor onschadelijk. Men ging zijn werk in de gangen van de ministeries hangen. Nu heeft hij zelfs het plafond van het koninklijk paleis mogen decoreren. Altijd weer met die eeuwige kevers, zijn handelsmerk, daarin lijkt hij op een architect (lacht).”
> Het cultuurbeleid wordt uitgedacht door een minister met een scoutsvisie. U stelt dat cultuur ‘de doedelzak is die de kudde moet bijeenhouden’. De heersende cultuurvisie maakt volgens u de dissidentie of het kritische discours verdacht. Moet cultuur zijn politieke (conflictueuze) rol terug opnemen ?
Sanctorum: “Wat Bert Anciaux nu beoogt, is ‘drempelverlaging’ en ‘participatie’. Participatie betekent dat het systeem zo’n mate van perfectie heeft bereikt, dat het al zijn contradicties kan integreren. Dat is intrigerend én benauwelijk. Tegenwoordig wordt iedereen die ‘neen’ of zelfs ‘ja, maar…’ zegt als verzuurd beschouwd. Maar als niemand nog aan de zijlijn gaat staan om het spel van buitenaf te bekijken, is er ook geen analyse of kritiek meer mogelijk. Cultuur is nochtans, sinds de oertijd, een dissident fenomeen, een afwijking op de norm: het is de verzamelnaam voor alle uitingen van identiteit. Cultuur is dus verstoppertje spelen, in een hoekje kruipen en verhalen vertellen. Niét voor alle oren bestemd.”
> U houdt een pleidooi voor ‘subculturen’. Kunnen steden hiervoor de broedplaats zijn, een soort van stedelijke Multitude?
Sanctorum: “De stad van morgen zal veelvormig zijn of zal geen stad meer zijn. Dat heeft ook met toe-eigening te maken: de stedeling moet de stad terug veroveren op het bestuur dat de ruimte usurpeert. Deze momenten van ‘privatisering’ (op een bank gaan zitten met een zakje friet, of gewoon ergens staan en je lief vastpakken…) vormen voor mij de essentie van de stad, als vrij-plaats. We creëren constant microterritoria die als bellen ontstaan en weer oplossen in de stedelijke ruimte. De ‘Stedelijke Multitude’ gaat over het leven dat zich verzet tegen de mythologie. Zoals de Romeinen hun rug keren naar het Colosseum en ’s zondags op het trottoir middagmalen. Of de Antwerpenaren die tegen de kathedraal plassen, wat de Hollanders dan hebben overgenomen. Dat is echter maar mogelijk omdat er een Colosseum en een kathedraal zijn.
Monumenten en grote verhalen zijn noodzakelijk. Ze lokken reactie uit: de spontane, ironische, informele wandeling, het misbruik, de nonchalance. Steden zijn uitgevonden om te kunnen balanceren op de rand van het wettelijke, het fatsoen, het respect. Net daarom mogen ze niet té gezellig worden. Uiteindelijk geloof ik zelfs niet dat de stad een utopische plek is, een soort Platonisch Atlantis. Ik denk dat we de stad hebben uitgevonden om ‘la condition humaine’ zo scherp mogelijk te stellen en uit te vergroten, met al haar hoekigheden en absurditeiten. Een menselijk laboratorium dus, gericht op traagheid, reflectie, discussie, bewustzijn. Met als centrale vraag: Quo vadis? Waar gaan we naar toe?”
PASCAL DEBRUYNE
