



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
KTA Lindelei: Op bezoek bij de oudste technische school van Vlaanderen
Reportage
Het Koninklijk Technisch Atheneum Lindelei is bekend tot ver buiten Gent. De school ligt al sinds haar ontstaan in 1825 aan de Coupure, die toen nog een land- en tuinbouw gebied was. De nijverheidsschool is de oudste technische school van Vlaanderen. Op het einde van dit schooljaar verlaat de school haar historische site. De gebouwen zijn al een tijdje niet langer aangepast aan de noden van het hedendaagse technische onderwijs. Hoog tijd dus voor een bezoek aan de school waarvan de ontwikkeling zo sterk verstrengeld is met de sociale en economische geschiedenis van Gent.
Een ‘clyn huyzeken’ aan de Lindelei
In 1434 vestigden zich kloosterzusters op de plaats waar later het KTA zou komen. Ze kregen er een ‘clyn huyzeken’ om in te wonen. Twintig jaar later bouwden ze er een klooster en een kerk. Nog later, in 1545, kwam er een school voor meisjes uit welgestelde families. Dat verklaart waarom er aan de Lindelei, die een erg geschikte ligging had voor het laden en lossen van schepen, geen scheepvaartactiviteiten ontwikkeld werden. Het klooster liet die activiteiten verbieden in de omgeving van de school.
Het klooster verdween in 1783 toen Jozef II, de Keizer Koster, de macht van de Kerk wou afbouwen en verschillende kloosterorden afschafte.
De gebouwen en de site kregen in de jaren daarna verschillende bestemmingen. In de gebouwen langs de Sint-Agnetestraat werd bijvoorbeeld een ‘Werkhuis van Liefdadigheid’ ondergebracht. In dit werkhuis werden bedelaars en vagebonden opgesloten om te werken. Met de opkomst van het industriële kapitalisme deed ook een nieuwe arbeidsmoraal van ijver en productiviteit zijn intrede. Rondtrekkende, werkbekwame bedelaars waren een aanfluiting van die arbeidsmoraal en moesten dan ook gedisciplineerd worden. Door hen ijver en routine aan te leren probeerde men de vagebonden op een productieve manier in te schakelen in de nieuwe economische orde. De tuchthuizen konden echter niet concurreren met de echte werkhuizen en waren verlieslatend, ondanks de giften van rijke burgers en de toelagen van de stad Gent.
De industrialisering en het ontstaan van technische scholen
Het leren van een vak gebeurde lange tijd al doende op de werkplaats. Ouders van leerlingen sloten een contract af met een meester, waardoor hun zoon lid werd van een gilde. Naarmate de leerling vorderde werd hij gezel en meester. Tijdens de 18de eeuw ontstonden steeds meer nijverheden buiten de gilden om. Voor een hele reeks beroepen werden jongeren dus niet langer op een systematische manier opgeleid. De arbeidsproductiviteit was dan ook laag en de technologische en economische ontwikkeling werden erdoor afgeremd. Om de economische expansie te stimuleren trachtte landvoogd Karel van Lorreinen een ingenieursopleiding in te richten, maar het plan mislukte.
Ondertussen bleef de behoefte aan geschoolde arbeiders toenemen. Met de doorbraak van het industriële kapitalisme werd Gent meer dan ooit het economische centrum van Vlaanderen. Vooral de katoenindustrie ontwikkelde zich stevig. Omdat er een gebrek was aan geschoolde arbeiders lieten fabrieksbazen Engelse arbeiders overkomen. Toen de Hollandse koning Willem I in 1817 de universiteiten van Gent en Luik oprichtte, wilde hij dat er naast die universiteiten ook een school zou bestaan die praktisch georiënteerde lessen werktuigkunde en scheikunde gaf. Dit leidde in 1827 tot de oprichting van de eerste technische school in België, de School voor Kunsten en Ambachten in Gent. De school werd gehuisvest in het oude Sint Agneteklooster aan de Lindelei.
In de doelstellingen van de school werden de verhoging van de arbeidsproductiviteit en dus de creatie van meerwaarde gekoppeld aan sociale emancipatie en verhoging van de lonen. In het oprichtingsdecreet staat als doelstelling van de school te lezen: ‘aan den werkman een wetenschappelijk onderwijs verschaffen dat hij in de werkplaats niet kan verkrijgen, hem daardoor de middelen aan de hand te doen om zijn stoffelijken toestand te verbeteren, zijn verstand te ontwikkelen door hem op te leiden tot de kennis der algemene wetten die de verandering van de stof regelen, en hem aldus trapsgewijze aan de dwingelandij van de sleur onttrekken, de economische waarde van zijn arbeid verhogen, hem ertoe in staat stellen bij te dragen tot de toename van de voortbrenging en de verhoging der lonen’.
De uitbouw van de nijverheidsschool
Na de Belgische onafhankelijkheid werd de school overgenomen door het Gentse stadsbestuur. Gent betaalde de gebouwen, maar de wedden en de aanstellingen van het onderwijzend personeel waren – wegens het belang dat hieraan gehecht werd - voor rekening van de minister van Onderwijs. De uitbouw van de Gentse nijverheidsschool verliep parallel met de ontwikkeling van de Gentse industrie. De stormachtige ontwikkeling van de Gentse textielsector deed de nood ontstaan om vakopleidingen, althans voor ploegarbeiders en technici, niet langer individueel en op de werkplaats te organiseren, maar collectief en op een centrale plaats: de school. Zo werd in 1849 een speciale school voor nijverheidstekenen en weefkunde opgericht omdat de sterk gemechaniseerde Gentse textiel industrie behoefte had aan machinetekenaars. In het begin van de 19de eeuw was er in Gent geen enkele lokale tekenaar, tenzij een Duitser of een Engelsman.
De school kreeg een dubbele structuur. De arbeiders en ambachtslieden kregen ’s avonds en in het weekend, dikwijls na werkdagen van 10 uur, les in het Nederlands. Ze werden opgeleid tot stokers, machinisten (van stoommachines) en ploegbazen. De daglessen werden in het Frans gegeven en gevolgd door de zonen van fabrieksbazen en kaderpersoneel. Omdat Gent het economische centrum van Vlaanderen was, drong de verfransing er het verst door. De taalscheiding was een sociaal, veeleer dan een geografisch, onderscheid en deze scheiding tussen elite en ‘gewoon volk’ kwam dus ook in het onderwijs tot uiting. De fabriekszonen en het kaderpersoneel kregen wiskunde, handel en vreemde talen. De toenemende handel met het buitenland maakte dit soort onderwijs noodzakelijk. In 1894 wordt dit taalonderwijs door Jan Wannijn uitgebouwd tot een eigen talenschool: het Commercial and Polyglot Institute. Na de Eerste Wereldoorlog moet Jan Wannijn ontslag nemen wegens collaboratie met de Duitsers. Hij verhuisde zijn school, die bekend werd als de English Club, naar de Savaanstraat.
Weinig algemene vorming
De school groeide snel uit tot de grootste Belgische nijverheidsschool. In 1884 waren er 1165 leerlingen ingeschreven. De Gentse nijverheidsschool verwierf prestige doordat haar oud-leerlingen in Gent nieuwe bedrijven oprichtten, belangrijke functies innamen in binnenlandse en buitenlandse bedrijven of op andere manieren uitblonken. Leo Baekeland, de uitvinder van velox fotopapier en bakeliet, volgde avondlessen op de nijverheidsschool. Een van de kunststoffen uitgevonden door Baekeland (phenolic) lag aan de basis van het Gentse bedrijf Vynckier. Ook de begaafde Gentse natuurwetenschapper en fotograaf Désiré Van Monckhoven en de schilder Théo Van Rhysselberghe liepen er school. Gentse industriëlen zoals Paul de Smet de Nayer, Pierre Rosseel en de latere burgemeester Emile Braun onderhielden nauwe contacten met de school. Ze zetelden in het bestuurscomité van de school, pleitten voor nieuwe richtingen die aan hun groeiende behoefte naar geschoolde arbeidskrachten voldeden, zorgden ervoor dat de school over de juiste uitrusting en machines beschikte en gaven de leerlingen werk in hun fabrieken. De school was dan ook bijzonder goed uitgerust en had haar eigen bibliotheek, leeszaal en museum.
Opmerkelijk is dat de school al vroeg meisjes toeliet in het beroepsonderwijs (het technisch onderwijs bleef voorbehouden voor jongens). In 1863 werd er een cursus tekenen ingericht voor meisjes en in 1882 werden meisjes ‘op proef’ toegelaten in de cursus elektriciteit. Dit gebeurde onder impuls van progressieve krachten in het stadsbestuur.
Ondanks de voorbeeldrol van de school bleef het niveau van het technisch onderwijs (net zoals elders) laag. Het technisch onderwijs groeide door op nieuwe behoeften van de industrie in te spelen, maar dit gebeurde niet binnen vaste structuren. Er was een wildgroei van richtingen, die allen nauw aansloten op de door de plaatselijke industrie gewenste beroepsprofielen. Van algemene vorming, coördinatie tussen de leervakken en verschillende graden en wat men nu ‘vakoverschrijdende eindtermen’ noemt, was er geen sprake. De schoolbevolking was erg heterogeen in leeftijd, beroep, motivatie en voorkennis. Het leerlingenverlies was groot en velen behaalden nooit een getuigschrift, omdat de combinatie van onderwijs en lange werktijden ondoenbaar bleek.
In de jaren 1930 werd het onderwijs aan de nijverheidsschool geleidelijk aan vernederlandst. De vernederlandsing van het hoger onderwijs was al enkele decennia een eis van de Vlaamse beweging. Julius Mac Leod richtte zijn voorstellen op het vernederlandsen van de Gentse universiteit, maar werd door Lodewijk de Raet, de stichter van de Vlaamse economische beweging, aangevallen omdat hij niets zei over de vernederlandsing van het Gents technisch onderwijs. De Raet benadrukte het belang van technisch geschoolden voor de Vlaamse economische ‘emancipatie’. Zolang er geen geschoolde Vlaamse arbeiders waren, argumenteerde De Raet, zouden Franstaligen de economische en technologische ontwikkeling blijven controleren.
Na de Tweede Wereldoorlog
Het heropstarten van de economie na de Tweede Wereldoorlog en de technologische achterstand die België en andere West-Europese landen opgelopen hadden, stelden nieuwe uitdagingen aan het technisch onderwijs. Minister Camille Huysmans wilde het technisch onderwijs rationaliseren en uitbreiden. Hij benoemde Francis Cocquyt, de directeur van de Gentse nijverheidsschool, tot inspecteur-generaal en liet hem de voorstudies uitvoeren. De Gentse textielbaron Braun zat de commissie die het technisch onderwijs moest rationaliseren voor. Huysmans probeerde het technisch onderwijs te herwaarderen, meer eenvormigheid in de leerprogramma’s te brengen en de diploma’s gelijk te schakelen met die van het middelbaar onderwijs, maar stootte op veel weerstand.
De babyboom en de economische expansie leidden tot een explosie van de schoolbevolking. De school bereikt het hoogtepunt van haar roem, organiseerde regelmatig Europese studiedagen en stond in binnen- en buitenland in hoog aanzien. Leopold Dewulf, een leerkracht met West-Vlaamse roots, herinnert zich hoe ‘verder studeren’ in zijn jeugd betekende: ‘naar de nijverheidsschool gaan’. En dan waren er eigenlijk maar twee keuzes: ofwel Gent, ofwel Oostende. Leopold koos voor Gent en hij is gebleven. Sinds 1978 is hij er leerkracht. Hij denkt met enige weemoed terug aan de Lancashire stoomketels die er tot 1971 de verwarming en machines aandreven en één ton kolen per dag verbruikten.
Moeilijke jaren
De jaren 1970 waren moeilijke jaren. Het wegtrekken van de industrie leidde tot hoge werkloosheid. De zwaarste klap kwam in 1977. Toen werd het hoger technisch onderwijs, zoals de studie industrieel ingenieur, definitief afgesplitst. De nijverheidsschool werd onthoofd. De werkplaats mechanica werd leeggehaald. De technische bibliotheek, een van de beste van België, werd meegenomen. Leerkrachten trokken weg en het contact tussen de directies was verstoord. De invoering van het VSO-systeem eiste een zware tol van het technisch onderwijs. Het systeem kostte veel, waardoor er op de apparatuur en de uitrusting, eens de trots van de school, moest worden bespaard.
Begin de jaren ‘80 begon het profiel van de studenten te veranderen. De kinderen van voornamelijk Turkse migranten deden hun intrede. Hun ouders waren naar hier gehaald in een laatste, mislukte poging om de industrie concurrentieel te houden met de lage loonlanden. Terwijl het technisch onderwijs, ondanks de nijpende behoeften aan technici, nogal stiefmoederlijk behandeld wordt door ‘autochtone’ Belgen (het watervalsysteem), weten Turkse ouders een technische opleiding nog wel te waarderen. Een beroep of stiel leren wordt in die gemeenschap van groot belang geacht. Misschien kan de nijverheidsschool voor de Turkse jongeren dezelfde emanciperende rol vervullen die het decennialang vervulde voor Vlaamse arbeiderskinderen. De ambitie is er in ieder geval. De school vangt dikwijls leerlingen op die elders niet meer terechtkunnen. Technisch onderwijs laat, door de praktijklessen, meer individueel en informeler contact met de leerlingen toe. Zo komen eventuele problemen makkelijker naar boven en kunnen ze aangepakt worden.
Het einde van de Lindelei
Eind dit schooljaar verlaat de nijverheidsschool de site aan de Lindelei en trekt ze in de nieuwe gebouwen op de eveneens historische site van de oude veeartsenij-campus tussen de Coupure en het Casinoplein. De oude gebouwen van de nijverheidsschool zijn al lang niet meer aangepast aan de hedendaagse onderwijsnormen en er is te lang te weinig geïnvesteerd om van renovatie en herinrichting een haalbare kaart te maken.
De gebouwen werden deels ontworpen door de stadsarchitecten Pauli en Van Rysselberghe en hebben architecturale waarde. De gevel aan de Lindelei is geklasseerd. Op de muren op het binnenplein van de school kan je nog vaag de nummers van de vroegere kloosterhuisjes zien. De gietijzeren ramen van de school zijn gemaakt door ambachtslui. Het plafond van het labo elektriciteit wordt ondersteund door neogotische bogen en het gebouw herbergt een oude goederenlift met houten tandrad. De school heeft ook een didactisch waardevolle collectie oude technische toestellen.
Wat er met de site zal gebeuren is niet duidelijk. Die is eigendom van de scholengroep, dus van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs (RAGO). RAGO betaalt ook de nieuwe site. Er zouden plannen zijn om de gebouwen te verkopen. In ieder geval iets om in de gaten te houden.
STIJN OOSTERLINCK
