



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Vijf voor twaalf voor Gents woonbeleid
De verschillende politieke partijen lijken het er al een tijdje over eens te zijn dat het woonbeleid drastisch, en liefst zo snel mogelijk, moet veranderen. De woonkosten swingen immers de pan uit en nemen een té grote hap uit het woonbudget, vooral uit dat van de meest kwetsbare groepen. Ondanks die schijnbare consensus rond wonen, wordt de praktijk getekend door immobilisme. Verschillende beleidsniveaus schuiven de verantwoordelijkheid door, waardoor oplossingen voor de gehele woonproblematiek op de lange baan geschoven worden.
Gemeenteraadsverkiezingen 2006
De schijnbare consensus over de nood aan een ander woonbeleid is niet nieuw. Onder druk van middenveldorganisaties was wonen al tijdens de Vlaamse verkiezingen van 2004 een belangrijk thema. Dit moest vanzelfsprekend ook doorwegen in het Gentse beleid. Maar is er in de vorige beleidsperiode daadwerkelijk een beter woonbeleid gerealiseerd?
Opvallend: tijdens de campagne voor de jongste gemeenteraadsverkiezingen in Gent was wonen zowel een thema waarmee de meerderheidspartijen graag uitpakten – ‘we zijn goed bezig: zie maar hoeveel we al gerealiseerd hebben!’ - als een thema waarmee de oppositiepartijen het beleid bekritiseerden - ‘zie maar hoeveel er nog moet gerealiseerd worden!’.
Om te bewijzen dat ze wel degelijk iets hadden verwezenlijkt, verwezen de meerderheidspartijen SP.a, Spirit en VLD naar de twee grote stadsvernieuwingsprojecten die in gang werden gezet: Bruggen naar het Rabot en Zuurstof voor de Brugse Poort. De oppositiepartijen CD&V en Groen! schaarden zich achter deze projecten, en bleken ze ook tijdens de verkiezingscampagne nog steeds te ondersteunen, zij het niet helemaal voluit. De kritiek van CD&V was dat de verkeerde prioriteiten werden gelegd – Ledeberg en de Dampoortwijk zouden eerst aangepakt moeten worden. Groen! stelde dat het allemaal veel te traag ging (slechts voor een fractie van de slechte woningen werd in de vorige legislatuur een oplossing gevonden) en dat de stadsvernieuwingsprojecten te veel gericht zijn op prestige en te weinig zijn op de reële woonnoden.
Waar meerderheid en oppositie het echter roerend over eens waren, is dat de woonproblemen in Gent prangend zijn en om een onverwijlde aanpak vragen.
Druk op de ketel
Een opgemerkte actie met betrekking tot het woonbeleid was het verzoekschrift van Anke Hintjens aan het Vlaams Parlement. Anke Hintjens is voormalig woordvoerster van de Holebifederatie en stond als onafhankelijke kandidate op de Gentse SP.a-lijst. Opvallend is dat Hintjens haar campagne voor de Gentse gemeenteraadsverkiezingen opbouwde rond een verzoekschrift gericht aan het Vlaams Parlement.
Het verzoekschrift geeft belangrijke pijnpunten aan: in drie jaar tijd is de gemiddelde prijs van een woonhuis in Gent met 50 procent gestegen; de helft van de huurwoningen heeft een prijskaartje van meer dan 400 euro per maand; de tien procent armste inwoners besteden 64 procent van hun inkomen aan huisvesting; in Gent staan 7000 gezinnen op de wachtlijst voor een sociale woning. Over Hintjens’ visie op het Gentse woonbeleid komen we in het verzoekschrift echter weinig te weten. Ook het probleem van de slechte huisvesting snijdt ze niet aan.
Een vaak gehoorde opmerking is dat woonbeleid gewestelijke materie is, en dat Stad Gent dus afhankelijk is van het Vlaamse beleid. In een opiniestuk op de TiensTiens-website wees Anke Hintjens er nochtans op dat het vorige college tweeduizend nieuwe sociale woningen beloofde en er op zes jaar tijd uiteindelijk veel minder realiseerde (volgens Anke Hintjens maar 200, volgens Groen! 300).
Het is duidelijk dat het college op het vlak van wonen specifieke ambities heeft. Maar doet het stadsbestuur, aangezien het geld voor sociale woningbouw van de Vlaamse regering moet komen, hier geen beloften die ze niet kan waarmaken? In welke mate kan een stedelijke overheid een eigen woonbeleid voeren? En bieden de prioriteiten die het Gentse stadsbestuur in haar woonbeleid stelt een oplossing voor de specifieke woonproblematiek van onze stad?
De doolhof van het woonbeleid
De stelling dat het Gentse stadsbestuur weinig macht heeft als het gaat om het verbeteren van de woonkwaliteit klopt wanneer het gaat om bijkomende sociale huisvesting. Sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen slechts huizen bouwen wanneer ze daar geld voor hebben. Dit geld moeten ze halen uit de verhuring of krijgen van de Vlaamse overheid. Doordat de huurders van sociale huurwoningen steeds armer worden, halen de sociale huisvestingsmaatschappijen steeds minder inkomsten uit de verhuur (hoe minder men verdient, hoe minder men moet betalen). Hierdoor raken deze sociale huisvestingsmaatschappijen in financiële problemen.
Om dit op te lossen moet de Vlaamse regering bijpassen, wat ze gedeeltelijk doet: de financiering van de sociale huisvesting is tussen 1994 en 2004 gestegen van 55 miljoen naar bijna 230 miljoen euro. Deze stijging is echter niet voldoende om de nood aan bijkomende sociale woningen te betalen.
Nochtans is er in principe voldoende geld voor sociale huisvesting. De federale regering geeft jaarlijks zo’n 1,5 miljard euro uit aan de zogeheten fiscale aftrek voor woonkrediet, recentelijk omgevormd tot de woonbonus. Die maatregel houdt in dat iedereen die een lening aangaat om een huis te kopen de maandelijkse afbetaling kan aftrekken van zijn belastingen. Volgens Pascal De Decker, docent aan de Hogeschool Gent en specialist op het vlak van huisvesting en ruimtelijke ordening, komt de woonbonus vooral ten goede van de mensen met een hoger inkomen en schaft men die dan ook beter af. Op die manier zou er 1,5 miljard euro vrijkomen voor een ander en socialer woonbeleid, wat zes keer zoveel zou zijn als er nu ter beschikking staat voor sociale huisvesting.
En de stad?
We hadden het echter over het Gentse woonbeleid. Aangezien er niet genoeg geld ter beschikking is, doet het Gentse stadsbestuur beloftes die ze niet kan waarmaken. Volgens Anke Hintjens getuigt de belofte van tweeduizend bijkomende sociale woningen van goede wil. Men kan dit echter ook zien als misleiding. In plaats van de vinger op de wonde te leggen en het tekort aan geld voor sociale huisvesting aan te klagen, houdt het stadsbestuur de hogere beleidsniveaus buiten schot en toont ze zich een gewillige navolger van het Vlaamse en federale beleid. Dit is het gevolg van de samenstelling van het bestuur. De paarse coalitie laat niet toe dat het bestuur een kritische stem laat horen: ofwel past de kritiek niet in het kraam van de VLD, ofwel niet in dat van de SP.a.
Het Gentse woonbeleid zelf is evenmin onproblematisch. In haar huisvestings- en stadsvernieuwingsbeleid legt het stadsbestuur nog steeds de nadruk op het principe van sociale mix. Hiermee bedoelt het stadsbestuur zowel een mix tussen sociale en ‘niet-sociale’ woningen als een mix tussen bevolkingsgroepen. In de praktijk komt het erop neer dat de stedelijke overheid via grootschalige stadsvernieuwingsprojecten meer gegoede gezinnen wil aantrekken om zogenaamde concentratiebuurten te bestrijden. Op het eerste gezicht lijkt daar niets mis mee. Het probleem is dat dit beleid van sociale mix in de praktijk botst met twee andere doelstellingen. Het botst zowel met de doelstelling om tweeduizend nieuwe sociale woningen te verwezenlijken als met de doelstelling om op korte termijn iets te doen aan de 23 000 slechte woningen in Gent en aan de 40 bouwblokken die nooit een goede kwaliteit zullen halen (volgens de woonbehoeftenstudie opgemaakt door de Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning, 2002).
Vooral deze slechte woningen tekenen de specifieke Gentse situatie, waardoor het huisvestingsprobleem in Gent niet alleen gaat om een tekort aan sociale woningen, maar vooral om de nood aan opwaardering van de kwaliteit van woningen. Momenteel gebeurt er erg weinig om deze twee doelstellingen te verwezenlijken.
Het nieuwe bestuursakkoord
Neem bijvoorbeeld het nieuwe bestuursakkoord. Daarin is terug te vinden dat wie grote woonprojecten (vanaf 50 woningen) wil realiseren, 20% sociale woningen zal moeten voorzien. Dit is een maatregel die de private ontwikkelaars, terecht, een deel van de verantwoordelijkheid voor de creatie van sociale woonruimte laat dragen. Problematisch is echter dat het stadsbestuur vanuit het principe van sociale mix ook het omgekeerde oplegt: “bij grote sociale bouwprojecten zal vanaf 50 woningen evenzeer de bouw van 20% niet- sociale huurwoningen worden opgelegd.” Deze maatregel zet natuurlijk een rem op de bouw van nieuwe sociale woningen en reserveert een deel van de schaarse stedelijke ruimte voor private projectontwikkelaars. Vraag is of we deze schaarse ruimte niet juist maximaal moeten inzetten voor de bouw van sociale woningen. Die keuze heeft het Gentse stadsbestuur blijkbaar nog steeds niet volledig willen maken.
Niet alleen het feit dat er te weinig wordt gekozen voor investeringen in sociale woningen, maar ook de manier waarop het stadsbestuur zich achter de hogere bestuursniveaus verschuilt, roept vragen op. Terwijl het huidige bestuur enkel kiest voor massale investeringen in prestigeprojecten zoals Gent Sint-Pieters, de Oude Dokken, het openleggen van de Reep en de bouw van een nieuw stadion voor AA-Gent, waren er tijdens de jaren ’90 projecten zoals Wonen In Gent (WIG) mogelijk, waarbij de stad wél investeerde in sociale woningen. Het is al te gemakkelijk andere beleidsniveaus in gebreke te stellen voor investeringen voor de meest kwetsbaren in Gent, terwijl het stadsbestuur zélf niet ten volle de kaart trekt van de groepen die overheidsinterventie het meeste nodig hebben. De focus op nieuwe woningen en aanbodvergroting veronachtzaamt daarenboven dat er zoveel slechte woningen zijn in de 19de-eeuwse gordel die nodig moeten worden aangepakt. Ook de nadruk op koopwoningen is ongelukkig, omdat er in Gent vooral problemen zijn met huurwoningen.
Ons advies
Belangrijk is dat de focus komt te liggen op de meest kwetsbaren in de maatschappij. Voor deze mensen is het essentieel dat hun slechte huisvestingssituatie wordt aangepakt, dat er meer sociale woningen komen én dat zij betere toegang krijgen tot een betaalbare woning. Als de stad dit niet alleen verwezenlijken kan, zou een duidelijk standpunt tegenover de Vlaamse regering een hoofdbekommernis moeten zijn.
Voor de realisatie van sociale woningen moeten de stad en het stedelijke ontwikkelingsbedrijf AG SOB zich veel meer richten op het realiseren van sociale woonprojecten en niet zozeer elitaire prestigeprojecten ondersteunen. Kwalitatieve woonruimte is schaars, deze ruimte moet dan ook maximaal ingezet worden voor diegenen die er het meeste nood aan hebben.
ELIAS VLERICK EN PASCAL DEBRUYNE
