



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Brugfiguren versterken band tussen ouders en school
Mieke Blancke en Kika Carpentier zijn allebei brugfiguren in Gentse scholen. Al enkele jaren bouwen ze enthousiast aan een toegankelijker onderwijsnet. Geen evidente opdracht. Informeren, verduidelijken, vertalen, een babbeltje aan de schoolpoort, huisbezoeken: bruggen bouwen kost inspanning.
Tien jaar geleden ging het brugfigurenproject in Gent van start. Vanuit de idee van gelijke onderwijskansen voor alle kinderen botste men op een gebrekkige samenwerking tussen school en ouders. Het initiële doel van het project was de prestaties van de kinderen in de basisschool te verbeteren zodat de kansen op doorstroming naar het hoger onderwijs zouden vergroten. We vroegen ons af hoe het project ondertussen loopt. Mieke Blancke is sinds de start van het project brugfiguur op de basisschool Victor Carpentier in de Muide. Kika Carpentier is sinds twee jaar stedenfondsmedewerkster op de basisschool ’t Klimrek in de Brugse Poort.
> Hoe zouden jullie zelf jullie taak als brugfiguur omschrijven?
Mieke: “We proberen de communicatie tussen ouders en school te verbeteren: dingen verduidelijken, ‘vertalen’. Door een intensiever contact met de ouders op te bouwen, proberen we te polsen nar hun wensen. Het is belangrijk dat we positief nieuws brengen uit de klas, zodat de ouder niet enkel als aanspreekpunt gezien wordt wanneer we ons zorgen maken om hun kind.”
Kika: “Concreet vind ik de informele momenten aan de schoolpoort heel belangrijk. Er zijn namelijk heel veel drempels te overwinnen. De mensen hebben geen gsm of durven niet te antwoorden omdat ze het nummer niet herkennen. Ook de taal is een drempel. Oudercontacten verlopen bij ons bijvoorbeeld met de hulp van zeven tolken: een hele puzzel, maar zeer leuk. Als brugfiguur moet je echt open staan voor alle culturen. Daarnaast doe ik ook veel huisbezoeken. Tijdens die huisbezoeken merk ik dan de extreme kansarmoede, de kraakpanden. Heel wat overheidsinstanties sluiten de deuren voor zo’n mensen. Ik probeer hen in contact te brengen met diensten die hen wel kunnen helpen. Soms ga ik mee als vertrouwenspersoon. Ik merk dat het contact vlotter verloopt als er een Belg meegaat.”
Mieke: “Het is voor die extra ondersteuning, soms heel simpele dingen, dat wij er zijn.”
> Wat zijn volgens jullie de grootste drempels die ouderbetrokkenheid op school tegenwerken?
Kika: “De belangrijkste drempel is in mijn ogen de moeilijkheid om ouders op school te krijgen. Daarom komen wij aan huis, samen met het kind. Dat maakt het contact speelser en meer relaxed.”
Mieke: “Het verleden van de ouders speelt dikwijls een belangrijke rol. Sommigen hebben zelf slechte herinneringen aan hun schooltijd of zijn ongeschoold. Je moet daar voorzichtig mee omgaan en tonen dat je de zorg en liefde voor het kind gemeenschappelijk hebt. Non-verbale communicatie is daarbij belangrijk. Kleine dingen, zoals een hand geven, kunnen veel doen.”
> Zijn er ook ouders bij wie je het gevoel hebt dat die betrokkenheid op school nooit zal bereikt worden?
Mieke: “Er zijn zeker ouders die zich te weinig vragen stellen bij de school. Ze vertrekken vanuit een bijna blind vertrouwen in de school en geven eigenlijk de opvoeding af aan de schoolpoort, om die ‘s avonds terug op te nemen. Zolang er niets misloopt zien ze dan ook geen reden om contact te hebben met de school.”
> Hoe gaan jullie het zogenaamde ‘Mattheüseffect’ tegen? Daarbij komen de voordelen van een bepaalde maatregel meer ten gunste van hen die er het minst behoefte aan hebben, terwijl zij die het nodig hebben in de kou blijven.
Kika: “Van de 120 leerlingen op onze school ken ik quasi alle ouders. Wij hebben 21 kinderen met de Belgische nationaliteit, van wie 20 kinderen allochtone roots hebben. Alle anderen hebben een andere nationaliteit.”
Mieke: “Ik denk ook dat het Mattheüseffect niet geldt voor onze scholen. In deze situatie is de kans zeer klein dat onze ondersteuning bij ouders terechtkomt die de extra steun eigenlijk niet nodig hebben. In scholen waar de meeste ouders wel zeer vlot met de school communiceren, is het risico natuurlijk veel groter. Op die scholen zijn er dan ook vaak zeer mondige en eisende ouders met een stevige ouderwerking aanwezig, die van de brugfiguur ook samenwerking en ondersteuning verwachten.”
> Eén keer het vertrouwen gewonnen, komen ouders om hulp vragen voor tal van problemen. Hoe stel je je grenzen?
Kika: “Ik start samen met hen dingen op. Ik help ze bij het zoeken op Internet, bijvoorbeeld naar telefoonnummers, en we leggen samen het eerste contact met de persoon die ze nodig hebben. Ik ga de eerste keer zelfs mee, maar daarna moeten ze uiteraard alleen gaan. Ze weten wél dat ik blijf terugkomen voor problematische afwezigheden.”
Mieke: “Het blijft moeilijk om ‘nee’ te zeggen. Maar ik probeer toch duidelijk af te bakenen. Voor alles wat met de kinderen en de school te maken heeft, ga ik heel ver met de ondersteuning. Voor andere zaken probeer ik door te verwijzen naar beter geplaatste hulpverleners. Meestal kennen ze die andere diensten wel.”
> Hoe gaan jullie om met ouders die weinig tot niet geschoold zijn, die van landen komen waar school minder belangrijk is?
Mieke: “In de meeste culturen is het toch zo dat de school gekoppeld wordt aan ontwikkeling. Verder kan ik alleen uitgaan van het hier en nu. In ons land is het nu eenmaal zo dat de school zeer belangrijk is. Mensen die hier leven zouden dus moeten inzien dat school ook voor hún kinderen heel belangrijk is. En kinderen helpen trouwens dikwijls hun ouders met de dingen die ze op school leren: ze lezen hen voor of spelen tolk.”
> Het is één ding om ouders te betrekken bij de school, maar de brugfiguur moet daarnaast ook de leerkrachten en het uitgebreide schoolteam sensibiliseren. Hoe pakken jullie dat aan?
Mieke: “Vanuit de projectleiding wordt verwacht dat we het schoolteam goed informeren over kansarmoede. In het begin bracht ik op een teamvergadering inhoudelijk iets over kansarmoede naar voor als zogenaamde deskundige. Maar die methode heeft niet goed gewerkt. Het werkt veel beter als je het concreter aanpakt. Nu werk ik binnen een klasgroep rond de leefwereld van de kinderen, die ze kennen en waar ze bezorgd over zijn. Dat zorgt voor meer samenwerking.”
Kika: “Het beleid dat de school voert is hierin ook heel belangrijk. Schoolmateriaal, opvang, boeken, schrijfgerief, … bij ons is alles gratis. Dat verlaagt mee de drempel.”
> Hoe verhinderen jullie dat je tussen ouder en leerkracht komt te staan?
Mieke: “Dat is een valkuil waarmee we vaak te maken krijgen. Contact tussen de ouders en de school komt er dikwijls pas wanneer er problemen zijn. Je zult ouders niet snel naar de directeur zien stappen om te zeggen: “Meneer, we zijn toch zo tevreden over uw school.”
Er zijn ook weinig spontane ontmoetingsmomenten. In de kleuterschool valt dat goed mee omdat de ouders hun kind tot in de klas brengen. Daar heb je meer kans dat er een band ontstaat tussen de leerkracht en de ouders. Op de lagere school gaat de bel en worden de kinderen verwacht in de rijen te staan. Het is eigenlijk inherent aan dat systeem dat je minder communicatiemomenten hebt.”
> Jullie zijn beide van Belgische afkomst. Zien jullie voor- of nadelen tegenover jullie allochtone collega’s?
Kika: “Ik heb een collega op school van Bulgaarse afkomst. Zij bereikt de Bulgaarse ouders heel vlot omdat ze de taal spreekt. Maar als Belgische sta je wel neutraler tegenover de verschillende culturen. Van zodra mijn collega aan de poort een gesprek start in het Bulgaars, is ze alle niet-Bulgaarse ouders kwijt.”
Mieke: “Maar dat overkomt niet alleen allochtone brugfiguren. Als ik aan de schoolpoort met een Turkse mama en een Albanese mama heb gepraat en voor een zwarte papa iets heb gedaan, dan hebben de Belgen meteen gezien dat ik weer bij de allochtonen stond. Je moet constant rekening houden met dat broze evenwicht.”
Kika: “Toch kan een speciale band met een bevolkingsgroep helpen. Zo is mijn contact met de Roma families dan weer heel goed. Ik ben altijd samen op stap geweest met Darina, de vroegere brugfiguur op de school. Zij was zelf van Roma-afkomst en heeft mij voorgesteld aan de families.”
> Waarom richt dit project zich op het basisonderwijs, en niet op het secundair onderwijs? Zien jullie een noodzaak aan uitbreiding?
Kika: “Ik vind van wel. Ik denk bijvoorbeeld aan de ouders die de voeling verliezen met hun puberende kinderen. Nu worden ze rechtstreeks naar het CLB gestuurd, maar dat is direct een schoolexterne instantie.”
Mieke: “Bij heel veel jongeren uit het secundair onderwijs zie je het watervaleffect: schoolmoe worden, afglijden van beroeps naar deeltijds, …”
> Het initiële doel van het brugfigurenproject was eigenlijk om het project zelf overbodig te maken. Dat is dus nog niet gelukt?
Mieke: “Men ging ervan uit dat de mentaliteitswijziging in het schoolteam als effect zou hebben dat de drempel voor ouders lager zou worden. Maar het is niet omdat de juf openstaat voor culturen en begrip heeft voor kansarmoede, dat alles daarom vlot gaat. Heel veel van wat wij doen om de drempel te verlagen, kan niet zomaar door de leerkracht gebeuren. Kunnen we bijvoorbeeld verwachten dat alle huisbezoeken die wij nu doen buiten de lesuren door leerkrachten gebeuren?”
> In jullie job staan jullie dicht bij de ouders, het kind én de leerkracht. Welke hiaten zien jullie, vanuit die overzichtspositie, in ons onderwijssysteem?
Kika: “Vorig jaar hebben we drie leerlingen gehad die naar het regulier middelbaar konden, maar de anderen gingen naar het beroepsonderwijs of buitengewoon secundair. Ik kan je nochtans verzekeren dat het niet allemaal dommeriken zijn. Maar ze beginnen soms pas school te lopen in België vanaf hun elfde. Wij hebben nu twee onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers waar ze de taal en sociale vaardigheden leren. Maar dat volstaat niet om de achterstand weg te werken. Ik droom van een ‘inloopschool’ voor anderstalige nieuwkomers. Ook voor het gewone schoolsysteem zou dit een goede zaak zijn. Niet alle scholen krijgen voldoende middelen om die kinderen op te vangen, wat voor overlast kan zorgen.
In alle scholen gelden nog altijd dezelfde, vaste eindtermen. Ze spreken altijd van het kind als individu. Maar ook scholen zouden wat individueler mogen bekeken worden. Dat moeten ze op federaal niveau dringend eens aanpassen.”
Mieke: “Ik ijver ook voor kleinere groepen, en zeker in scholen zoals de onze met een groot percentage GOK-leerlingen (Gelijke OnderwijsKansen, red.). Een school moet ook meer zijn dan een team van leerkrachten. Als het van mij afhangt, mogen er gerust ook psychologen of opvoeders werkzaam zijn op school. Samen met de gezinnen in de wijk kan zo gebouwd worden aan een ‘brede’ school.”
> Wat is jullie motivatie om deze job uit te voeren?
Kika: “Ik ben enorm geboeid door verschillende culturen en mensen. Ik ben zelf ook in het buitenland geboren, in Peru. Tot mijn acht jaar gin ik daar naar school en sprak ik enkel Spaans. Daarna ging ik in België naar een eliteschool. Naar het schijnt plaste ik op school gewoon in de riolering. Ik weigerde op toiletjes te zitten, want ik kende dat niet. Die kleine maar pertinente cultuurverschillen proberen te overbruggen, dat is voor mij een droomjob.”
Mieke: “Het menselijke contact, de verschillende culturen, de afwisseling in de job en de aantrekkingskracht van de wijk: het havengebied. Ik houd van een no-nonsense mentaliteit. Ik zit dus wel goed hier in de Muide.”
INGE DEVUYST
