



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Mijn vrolijke onbekende
Speciaal voor dit verhaal heb ik het eens een dagje geprobeerd. Om in deze stad iemand nieuw, zonder bekend haar of pluim te ontmoeten. Zo’n vrolijke onbekende die je in een pirouette draait, waardoor je perspectief van vogel naar kikvors verandert. Wat Martin Heylen in Siberië kan, moet mij toch wel zeker lukken in Gent. En bijna ga ik in mijn verkleedkoffer op zoek naar een Russische wollen muts.
Ik verheug me bij de gedachte om uit dat vijfde bord te mogen eten dat zal klaarstaan voor de onverwachte bezoeker. En ik kijk meteen al uit naar een gesprek met iemand wiens achternaam ik niet ken en misschien wel nooit zal kennen. Zo’n gesprek waar geen enkel mailtje of sms’je ter afspraak aan voorafgaat. Het toeval zal ons samen brengen. Al zal ik het toeval natuurlijk wel een handje moeten helpen. Want ik wil niet zomaar een praatje maken. Over het weer, de euro die alles duurder maakt en die vervelende wegomlegging waaronder de middenstand gebukt gaat.
Nee, dit moet een onbekende worden met een andere invalshoek. Een poetsvrouw uit het stadhuis bijvoorbeeld, die alle backstage verhalen uit de Gentse politiek in haar eigen sappige dialect uit de doeken kan doen. Die elke dag alle trouwers ziet passeren, in ’t lang en in ’t kort, in ’t wit en in ’t kleur, voor de primeur of een herkansing. “En bij iederen trouw moeten ze weer met iets gooien, madam. Vreselijk is dat. Rijst krijg je nog gemakkelijk weg met de stofzuiger. Maar die confetti, dat is echt brol. Blijft overal aanplakken.”
Met dit zelf ontworpen exemplaar in gedachten, begin ik aan mijn actieplan. De titel is voor de hand liggend maar toch zo onvoorspelbaar. Mijn vrolijke onbekende.
Ik ben zo iemand die overal lijstjes van maakt. Omdat het anders te vaak bij één actie blijft. En er zijn toch meestal wel een paar acties nodig om een plan te doen slagen. Mijn zoveelste lijstje dus. Dat niet in die propvolle lijstjeslade belandt, maar meteen daadkrachtig wordt opgevolgd.
Ik probeer het eerst aan de dichtstbijzijnde tramhalte. Vanuit het grote raam in mijn woonkamer kijk ik uit op zo’n wachthokje. Slechts drie uitverkoren tramreizigers kunnen op het bankje zitten. Maar die moeten in de winter dan wel kunnen leven met koude billen, want het bankje is gemaakt van kil metaal. De andere wachtenden spreiden zich in concentrische cirkels rond het hokje. Iedereen kijkt strak voor zich uit. Met af en toe een knikje naar links. Om te kijken of de tram er al aankomt. Ik heb ze vaak genoeg bespioneerd vanuit mijn woonkamer. Maar voor deze observatie toog ik vanuit mijn ivoren toren naar beneden om tussen de wachtenden te gaan staan, alsof ik ook met de tram mee moet. Ik pas meteen al niet in het rijtje, want ik kijk alle richtingen uit. Op zoek naar een eerste ontmoeting. Maar de mensen zien er moe uit. Een jonge gast zet zijn MP3-speler op shuffle. Het is nog te vroeg om keuzes te maken en liedjes te zoeken. En ik wil natuurlijk ook niemand tot last zijn. Ik weet hoe belangrijk ochtendstilte kan zijn.
Toch klinkt er ook wel gekwetter aan het tramhokje. Een man heeft twee kleine meisjes bij de hand die een boekentas op de rug hebben. Zij zien eruit alsof ze uit een roze prentenboek zijn weggelopen. Met passende kousjes en perfect geplaatste speldjes in het haar. Hij ziet eruit alsof hij al een veldmars heeft gelopen. Ik zou hem willen vragen of hij zichzelf ziet als een moderne man, of hij die staartjes zelf zo mooi heeft opgestoken en of hij ook vindt dat ze veel te snel groot worden. Maar zijn blik staat op onverstoorbaar. Proberen geïnteresseerd te luisteren naar die twee huppelmeisjes maar oh, wat zou het toch leuk zijn als ze even hun klep hielden.
Alle goede dingen bestaan uit drie. Maar ik denk niet dat deze man nog een derde meisje erbij kan nemen. En dan kijken plots alle gezichten opgelucht naar links. De verlichting. Het einde van de tunnel. De tram komt eraan en ik druip af.
Naar de volgende plaats waar ik mijn vrolijke onbekende wil ontmoeten. Ik denk aan iets groens, met een zachte, sprieterige ondergrond en houten bankjes die veel warmer zijn om op te zitten. Een park is nu eenmaal een ideale buitenplaats voor stadsmensen zonder eigen tuin. Maar in de winter zit er op het platteland ook niemand in zijn tuin de krant te lezen. En in de stad trekken mensen om precies dezelfde redenen ook niet naar een park. Simple comme bonjour, maar ik zeg nog geen vaarwel.
Vol goede moed begin ik aan een rustige wandeling. Hier en daar knik ik even naar een voorbijganger. Zo’n knikje van herkenning: ‘Het is fijn om hier even te zijn, vindt u ook niet?’ Maar dan zonder dat effectief te zeggen. En dat is wel jammer. Want je hebt soms maar één zinnetje nodig als kapstok om vervolgens een heel verhaal te kunnen vertellen. En om dat verhaal is het me natuurlijk allemaal te doen.
Misschien ben ik teveel in beweging om een praatje van lange duur aan te knopen? Bij het eerstvolgende bankje ga ik zitten. Zonder krant, boek of muziek. Want ik moet de passanten laten zien dat ik gestoord mag worden. Lichaamstaal is ook belangrijk. De pupillen wijd open, de mond instellen op een vriendelijke lach en achteroverleunen op het bankje om een toegankelijke indruk te maken. Heel naturel ziet het er misschien wel niet uit en ik ga me ook al snel vervelen. Van alle openingszinnen die ik had bedacht, is er geen één origineel of ondubbelzinnig genoeg om echt in de strijd te gooien. Van ‘Komt u hier wel vaker?’ en ‘Heeft u het ook zo koud, samen hebben we het misschien wel warmer’ over ‘Let op, uw schoenveter is los’ tot ‘Zou u soms ook weleens een boom willen zijn? Of een grote vogel in de lucht?’ Ach, meneer Merlijn, ik wou toch dat je me nu even kon helpen.
Maar bij gebrek aan inspiratie ook geen transpiratie. Ik krijg het koud. En ik krijg medelijden met de eendjes rond de vijver. Of zouden zij de kou niet voelen? Toch is het voor hen eigenlijk ook allemaal niet goed verdeeld. In de zomer lopen er veel bomma’s door het park met hun verwende kleinkinderen en een zak broodjes. Om de eendjes mee te voeren. Dat ziet er zo schattig uit. En dan zijn er ook nog van die picknickende studenten die massa’s eten achterlaten omdat ze nog altijd gewend zijn dat moeder zal volgen met de stofzuiger. En die handvol werkmensen met kruimelige broodjes die hun lunchpauze op zo’n bankje in het park doorbrengen. Want dat staat zo levensgenieterig tegenover de collega’s die in de muffe kantine blijven zitten. In de zomer is het hier dus een waar eendenparadijs vol lekkers. In de winter is het roeien met de kruimels die je hebt. Een trieste gedachte. En meteen ook een interessant thema om het eens met zo’n vrolijke onbekende over te hebben. Maar die is er niet, en dat is zijn gemis.
En ik ben ook gemist. Dat geef ik grif toe. Want het sociale weefsel van onze stad bevindt zich niet in die kleine plukjes groen of kleine kotjes glas. Hier ontmoeten mensen elkaar op café. Tussen pot en pint. Aan een toog op okselhoogte. Of aan een houten tafeltje dat intussen al doorweegt van de vele vuistslagen en leunende ellebogen. Nummer drie uit mijn lijstje wordt een voltreffer. Want alle goede dingen bestaan toch uit drie?
Maar bij het bestellen van mijn eerste Hommelbiertje slaat er alweer een ongemakkelijk gevoel toe. Ik weet mezelf zo niet meteen een houding te geven. En sigaretten om de tijd te doden rook ik niet meer. Gestopt wegens ‘het is absurd om iets te consumeren waaraan je straks dood gaat’. Zou ik toch nog eens een laatste pakje kopen? Heb ik tenminste iets te doen: mezelf verkankeren.
Alleen op café gaan is dus echt niks voor mij. Ik voel me net een paria. Een vriendloze in een stad vol leuke mensen. De enige die me zou begrijpen is die zatlap wat verderop. Maar ik ben nog veel te nuchter om zo’n gesprek aan te gaan. Ik wou dat ik een bordje kon opzetten: ‘Ik ben niet zielig en alleen, ik ben op missie’. Zou ik een berichtje sturen naar een vriendin? Of ze samen met mij wil wachten op die vrolijke onbekende? Al spelend met mijn gsm besef ik maar al te goed dat die weg nergens naartoe gaat. Behalve misschien naar een leuke avond, maar dat is nu even niet de bedoeling. En trouwens, ik ben een sterke madam, nergens bang van, kan alles alleen… Maar wat is dit een saaie dag aan het worden. Martin Heylen is dan wel naar Siberië gegaan, hij had wel een cameraploeg en vertaalster mee. Ik zit hier maar in mijn eentje.
Na een half uur heb ik alle etiketten uit de barkast gelezen en een heleboel nieuwe namen ontdekt. Ooit een kat gekend die Balantines heette. Blijkbaar ook een merk voor whisky. Ik heb ook alle spinnenwebben en stoffige hoekjes in de bar gevonden. Een kraakje in het plafond. Ik heb de twaalf bierkaartjes op de toog geteld en ik ben twee keer naar het toilet geweest als afleidingsmaneuver. Maar drie Hommelbiertjes verder gooi ik toch de handdoek in de ring. Vaarwel vrolijke onbekende. Wat jammer dat je er vandaag niet was.
VANESSA DEBRUYNE
