Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De kleine behoefte

TT10_p13 frictie_2_paul_bert
(foto: Paul Bert)

op hoog niveau

Op een lang geleden vakantiedag heb ik ooit eens een foto genomen van een duif die zich in een klein holletje in de muur probeerde te wringen. Ze kon maar net haar verige kont keren en toch leek ze niet van plan om ooit nog uit te vliegen. Het regende niet en er was ook geen wind. Ik snapte helemaal niet waarom ze wilde schuilen.

 

Ondanks al het schoons om me heen dat klaar stond om gefotografeerd te worden, bleef die banale duif me fascineren. Het leek me een ideale prent om in mijn toilet op te hangen. Samen met een heleboel andere foto’s van kleine, benepen ruimtes. Kwestie van het claustrofobiegevoel in mijn eigen kleinste kamertje te relativeren. Want daar is er tussen knie en muur nog altijd meer plaats dan in de muurholte waar duiven zich bezinnen over de komst van de postman en de doorbraak van het Internet.

 

Ik zie mezelf al plat op mijn buik liggen in een liftkoker en op reportage gaan naar de kleedhokjes van het plaatselijke zwembad, waar een moeder haar kroost in zeventien bochten en een badkostuum probeert te hijsen. Misschien kan er ook nog wel een foto bij van een stampvolle bus in India om naast die van een doos sardientjes in blik te hangen. Kwestie van nog een spreekwoord in mijn fotoreeks op te nemen als doordenkertje. Ik ben nu eenmaal meer een vrouw van woorden dan van beelden.

 

Met die simpele foto van een duif in haar nis sloeg mijn fantasie op hol. Van een drafje al snel in galop. En hoewel een duif altijd haar weg terugvindt, raakte ik al snel het Noorden kwijt. Of gewoon mijn zin voor realiteit. Ik begon zelfs al uit te kijken naar de reacties van mijn onwetende bezoekers die de weg naar mijn toilet zouden vragen. Met een vriendelijk glimlachje zouden ze terugkeren van hun plaspauze en hun eer betuigen aan mijn creatieve wc-versiering.

 

Ik zou een pioniersrol kunnen vervullen die een einde maakt aan de saaie toiletten waar je toch minstens een half uur per dag voor je uit zit te staren. Een inspiratiebron voor mijn vrienden die zich tot op vandaag, net als ik, al enorm moeten organiseren om toch tenminste voldoende toiletpapier in voorraad te hebben naast hun watercloset. Misschien moest ik er zelfs een patent op nemen? Dit gat in de muur kon wel eens het gat op de markt zijn waar menig ondernemend Amerikaan in het verleden al rijk mee is geworden. ‘Foto’s van kleine ruimtes om in het toilet op te hangen’. Ik zie me al naar de Kamer van Koophandel stappen met mijn dossier. In minstens drie talen. Netjes aan elkaar geniet. Met een speciaal dankwoord voor de duif inbegrepen. Ere wie ere toekomt.

 

Maar het heeft uiteindelijk niet mogen zijn. Net als veel van mijn leuke ideeën is ook deze een stille dood gestorven. De duif ligt in die propvolle lade met foto’s die al veel te lang wachten op een bestemming. Ik weet vaak niet meer waar ze vandaan komen of bij welk verhaal ze passen. Het zijn plaatjes van herinneringen en verwonderingen die allebei even snel vervagen. Om dan plots terug op te duiken. Omdat ze een kapstok vinden in mijn dagdagelijkse bezienswaardigheden waar ze nog eens aan kunnen hangen.

 

Vanuit mijn kantoor heb ik zicht op de Sint-Baafskathedraal. Of tenminste toch op de stellingen die op dit moment het religieuze gebouw ontsieren. Af en toe vliegt er een reiger voorbij mijn raam. Ik heb hem in overleg met mijn collega’s Walter genoemd. Hij zorgt voor de afleiding waar we soms voor onze computerschermpjes naar op zoek zijn. Hij is onze knipoog naar de wondere wereld die zich buiten afspeelt, terwijl wij ons klavier aftasten naar de juiste Cijfers en Letters.

Een reiger is veel groter dan een duif en heeft eigenlijk niets met die eerste vogel te maken. Hij zou niet eens in die inham van die vervallen muur hebben gepast. Maar heeft hij wel vleugels en neemt mijn gedachten mee naar een blauw voorwerp dat bovenop de kathedraal troont.

 

Op het vijftiende verdiep van de stelling is er een bouwvakkertoilet geplaatst op het middeleeuwse gesteente. De kathedraal werd al door talloze toeristen gefotografeerd in hun zoektocht naar mooie plaatjes om thuis in de lade te leggen. Nu lopen ze er in grote Spaanse, Hollandse en Japanse drommen omheen om ter vervanging dan maar een foto van het Belfort of de Sint-Michielskerk te nemen. Een kathedraal die gerenoveerd moet worden, past nu eenmaal niet in een fotoboek. Daar streven we naar onbezorgde perfectie, die zichzelf weet te onderhouden.

 

Sinds de dag dat ik Walter door het luchtruim van Gent volgde, grijpt het blauwe onding steeds vaker mijn aandacht. A toilet with a view (al zitten er wel geen ramen in het meeneemtoilet). En die bouwvakkers hebben intussen waarschijnlijk al schoon genoeg van dat Gentse uitzicht. Wat je elke dag urenlang op je bord krijgt, kan nooit zo goed smaken als wat je alleen op zondag krijgt. Toch gaan in mijn hoofd de radertjes aan het werk.

 

Zouden ze het toiletpapier naar boven halen met een katrol? Zou er een tiksignaal bestaan tussen de werkers van boven en die van beneden wanneer het laatste velletje is verstreken? En hoe zouden ze de kleine en grote behoeftes van de bouwvakkers opvangen? In een emmertje dat langs diezelfde katrol naar beneden moet? Of is er een ingenieus buizensysteem aangelegd dat in verbinding staat met de riolering? En dan vraag ik me tenslotte ook nog af, hoe het toilet wordt schoongemaakt? Zouden de werkers zelf hun wc-verfrisser en doekje meenemen naar het schoon verdiep? Of sturen ze de kuisvrouw van het bedrijf de stellingen op? Met een helm bovenop haar haarnetje en een kabel ter beveiliging rond haar schort?

 

Af en toe zie ik ze het toilet binnengaan. Vanachter mijn bureau kan ik hun gezichtsuitdrukking niet zien maar hun lichaamshouding verraadt een zekere nonchalance. Alsof ze gewoon het hoekje omgaan en blij zijn dat ze even kunnen gaan zitten. Of tenminste hun armen even kunnen laten hangen. Want mannen plassen doorgaans rechtstaand.

 

Al schijnt het voor hen ook gezonder te zijn om op de bril plaats te nemen. Dat heb ik ooit eens in een vrouwenblad gelezen waar geen enkele man in het openbaar mee wil gezien worden. Het was met andere woorden een typisch voorbeeld van zo’n artikel dat volledig naast de doelgroep schiet. Want wat heb je er nu aan dat ruim tienduizend Vlaamse vrouwen intussen weten dat een man beter gaat zitten op het toilet om de urineleiders volledig te ledigen? En dat de kans op prostaatkanker daardoor met ruim dertig procent vermindert? Hopen ze dan werkelijk dat die vrouwen de boodschap gaan verspreiden? Dat ze na het klinken van de glazen op een familiefeest tussen lippen en neus door even reclame zullen maken voor het zittend plassen? Over het comfort van een goeie zithouding en lege urineleiders? En zouden die mannen dan op hun beurt instemmend knikken en elkaar aanmoedigen om de beentjes voortaan te strekken op het toilet? Ik zie het in mijn eigen kringen niet meteen gebeuren.

 

Bij mijn dagelijkse lunchpauzewandelingetje door de stad passeer ik vaak aan de mannen in hun gele overalls die voor de poort van de kathedraal hun frigoboxen vol ouderwetse bruine boterhammen met kaas lichter maken. Elke keer lagen mijn toiletvragen op het puntje van mijn tong, maar ik beet ze er elke keer weer af. Tot ze het op een zonnige dag eens niet konden laten om mij na te fluiten bij het passeren. Ik kreeg een paar goeie ouwe bouwvakkercomplimenten naar mijn kop geslingerd waaraan vrouwen zich dienen te ergeren maar waar we achteraf toch altijd stiekem een beetje door gecharmeerd zijn. Ze gaven me niet alleen een lichtroze blos op de wangen, maar meteen ook de gedroomde aanleiding om mijn nieuwsgierigheid naar hun toiletritueel te stillen.

 

“We kunnen toch niet elke keer naar beneden komen als we een plaske moeten doen”, klonk het ontnuchterend vanonder een grote bruine snor. “Zoveel tijd mogen wij niet verliezen hoor, meiske. Werkmansuren zijn nu enorm kostelijk geworden. En omdat we voor ’t Stad werken, moet het reglementair zijn en kunnen ze niet zomaar een bende goedkope Polen inzetten, hé.”

 

Het antwoord dat tot mijn verbeelding moest spreken verviel in een betoog over hoge loonlasten en oneerlijke concurrentie van Poolse bouwvakkers. De verzuring in een notendop, of liever, in een rol wc-papier gewikkeld. Vroeger, toen de lonen nog betaalbaar waren en goedkope arbeid nog veilig weggemoffeld zat achter de Berlijnse muur gingen ze dus nog naar beneden om te plassen. In die goeie ouwe tijd die nooit meer terugkomt. Toen de duiven nog niet bang wegkropen in hun eigen kleine hokjes en de toeristen allemaal nog naar Blankenberge trokken, zonder fotoapparaat...

 

VANESSA DEBRUYNE