



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Het middenveld verliest terrein
Over repressieve tolerantie en het primaat van de politiek
Er is al veel inkt gevloeid over de relatie tussen de overheid en het middenveld. Vroeger lag dat nog helemaal anders. Toen waren de ideologische zuilen van groot belang en de overheid had met het middenveld weinig tot niets te maken, tenzij in conflict of indirect. Maar die tijd is voorbij. Eerst hebben de contestatiebewegingen van de jaren zestig en zeventig een bres geslagen in het verzuilde leven. Vervolgens is de overheid begonnen aan een gestage inkapseling van het middenveld. Via hun subsidiestromen en diverse soorten contracten en convenanten trachten de staatsmannen van vandaag zoveel mogelijk organisaties uit het middenveld aan zich te binden en aan hun eigen politieke logica te onderwerpen. De relatie tussen beiden wordt er op die manier steeds meer één van ‘repressieve tolerantie’, met de subsidiërende Minister of Schepen als verlicht despoot.
De theorie: repressieve tolerantie en het einde van ‘kritiek’
Marcuse bedoelt met dit begrip “dat kritiek steeds eenzijdiger wordt en zich inschakelt in de gevestigde orde”. De gevestigde machten zetten een progressief masker op via verhalen die bol staan van woorden als ‘participatie’, ‘inclusie’, ‘sociale cohesie’ en het ‘sociaal kapitaal’. Ondertussen blijven de hulpverleners en hulpbehoevenden, gepluimd van hun eigen emancipatorische jargon, op alle vlakken structureel ondergefinancierd. Wie vraagt om het geld te halen waar het zit of wie problemen heeft met investeerders en kapitaalkrachtige stakeholders krijgt de stempel ‘onrealistisch en onsubsidieerbaar’ opgeplakt.
Vraagtekens plaatsen bij de manier waarop beheerders van de overheid allerhande publiek-private samenwerkingsverbanden opzetten bij stadsvernieuwingsprojecten, wordt evenmin gesmaakt. Kritische meningen die in conflict treden over essentiële maatschappelijke vraagstukken, zowel parlementair als buitenparlementair, worden naar de marge van het publiek debat verbannen. Van organisaties wordt verwacht dat ze zich inschakelen in groeiende coalities die allen aan hetzelfde zeel van stadsvernieuwing trekken. Binnen deze marges van stadsvernieuwingsprojecten krijgen organisaties contracten aangeboden. Die zijn te nemen of te laten.
Politiek wordt op die manier gereduceerd tot een ‘beheerskwestie’ waar enkel binnen vooraf bepaalde lijnen over participatie kan worden gesproken. Zo wordt het middenveld omgevormd tot een netwerk van semi-autonome parastatalen. Een dergelijke consensuspolitiek leidt tot het opheffen van dissensus en conflict. Zo verdwijnt ‘de politieke daad’ uit het woordenboek van de gemiddelde hulpverlener. Een politieke daad moet niet kunnen functioneren binnen het kader van de bestaande relaties, maar moet dat kader zelf desgewenst kunnen veranderen.
Wanneer we naar een politiek gaan zonder ‘een politieke daad’, belanden we in een situatie van ‘postpolitiek’. De postpolitieke consensus zorgt niet alleen voor een vernauwing van politiek tot een louter technische beheerskwestie, maar creëert bovendien een repressief tolerante sfeer voor het middenveld. De manier waarop vrijwilligers, werknemers en organisaties met deze druk omgaan en zullen omgaan in de toekomst, wordt cruciaal voor de plaats en functie van middenveldorganisaties in onze samenleving. Al wie in de slipstream van de opgelegde consensus terechtkomt, verliest immers het vermogen om een reële tegenmacht te vormen. Hoe meer organisaties uit het middenveld bereid zullen zijn zich te laten inkapselen, hoe meer het volledige middenveld zal gaan functioneren als een bliksemafleider voor de ingrepen van bovenaf en als medebestendiger van bestaande onevenwichten in de samenleving.
De praktijk: voorbeelden uit Gent
Ongewenste kritiek
Het is interessant om van dichtbij op te volgen wat er onder de Gentse torens reilt en zeilt. Zo merk je de spanningen op tussen personen uit middenveldorganisaties en leden van het Gentse Schepencollege. Sociale organisaties vragen regelmatig om allerhande veranderingen, waar het stadsbestuur maar met mondjesmaat op ingaat. Dat is de normale gang van zaken. Vreemd en interessant is de manier waarop die spanning tussen middenveldorganisaties en lokale overheid tegenwoordig opgeslokt wordt door een groeiende symbiose tussen beide polen.
De voorbeelden liggen voor het rapen. Enkele nummers geleden verscheen in TiensTiens een artikel over het project ‘Bruggen naar het Rabot’. Daarin berichtten we onder meer over de convenanten die de Stad had afgesloten met het plaatselijke opbouwwerk. Het komt erop neer dat de buurtwerkers een inspraakronde dienden te organiseren, waarvan de uitkomst op voorhand was vastgelegd. De Stad wilde de kritieken en opmerkingen vanuit de buurt wel inpassen in haar plannen met de wijk, maar liet in wezen enkel toe om een punt of een komma te veranderen. Fundamentele kritiek, laat staan contestatie, werd niet gehoord. Het is het verhaal van de spreekwoordelijke bloembakken, waarbij de burger enkel nog de kleur van de bloemen kan kiezen. Nadat wij gewag maakten van deze werkwijze ontvingen we opmerkelijk genoeg een paar bijzonder kwade telefoontjes. Opmerkelijk, want is dit systeem van convenanten niet een goed bewaard publiek geheim?
Ongewenst buurtcomité
In een dergelijke sfeer van ‘vriendelijke dwang’ is het onmogelijk om als officiële buurtwerking nog met volle kracht en overtuiging op te komen voor de mensen in de buurt. Dat was ook de conclusie waartoe enkele buurtbewoners van de wijk Brugse Poort kwamen ten tijde van het veelbesproken project ‘Zuurstof voor de Brugse Poort’. Bij gebrek aan hulp en aandacht voor de problemen rond de onteigeningen in hun straat, richtten ze zelf een comité op. Hun grootste grief was dat de Stad systematisch leek aan te sturen op de gedwongen verkoop van de te slopen huizen, en dat liefst onder de marktprijs. Veel oudere mensen die niet op de hoogte waren van de juiste juridische wegen om een correcte vergoeding te bekomen, verkochten hun eigendom uiteindelijk behoorlijk onder de prijs. Terwijl het buurtcomité voor iedereen een eerlijke afhandeling probeerde te verzekeren, ‘vergat’ de officiële buurtwerking de te onteigenen straat uit te nodigen voor een inspraakronde over het project. Uitleg achteraf: ‘Jullie gaan toch weg uit de buurt’…
Ongewenste bewoners
Tot slot een voorbeeld uit het nu al maanden aanslepende vervolgverhaal van de Gentse Roma. Hoe deze mensen van het kastje naar de muur gestuurd worden is ondertussen genoegzaam geweten en aangeklaagd. Maar herbekijken we even de episode van hun verblijf in het belastingskantoor aan de Poel. Al na enkele weken werden ze daar buitengezet door de nieuwe eigenaar. Dat het gebouw toch leegstaat en die mensen nergens een dak boven het hoofd vinden, was ook voor de rechtbank geen argument. Maar terwijl er voor een dertigtal hulpbehoevende gezinnen geen plaats was aan de Poel, bleek daar enkele maanden later wel ruimte genoeg voor een sociaalartistiek project ‘op locatie’. In maart voerde het Nieuwpoorttheater er Legal, illegal op, een stuk van een Amerikaanse regisseur door en met vluchtelingen uit de stad.
Natuurlijk was het geen beslissing van het stadsbestuur om de Roma uit de Poel te zetten. Dat deed de eigenaar. De overheid leverde, geheel volgens procedure, enkel de nodige politiemensen, al kan men wel kanttekeningen zetten bij het krenterige aanbod van schepenen en burgemeester om voor de Roma tijdens de winter twee tenten te voorzien in Destelbergen.
Het geval aan de Poel is meer nog dan de vorige anekdotes exemplarisch voor de veranderende positie van het sociale en culturele middenveld in onze stad en samenleving. Je kan er zelfs een metafoor uit puren. Terwijl het hier in Gent, anno 2007, toegestaan is om van alles toneel te maken (desnoods van de miserie om de hoek), wordt echt verzet geweerd. Enigszins kritische kunst wordt getolereerd en zelfs aangemoedigd, want het trekt cultuurminnende tweeverdieners aan naar de stad en houdt de boel gezellig. Maar wie verder gaat, vangt bot. Of denkt u dat de jongens en meisjes van het Vluchtelingen Actie Comité, die al maanden met en voor de Roma naar leefruimte zoeken, ooit in aanmerking zullen komen voor subsidies?
De dwangbuis van de politiek
Op het einde van de jaren zestig en tijdens de jaren zeventig werden verzuilde samenlevingen in landen als België en Nederland opengebroken door de protestbewegingen van die tijd. Mei ‘68 werd het symbool voor een beweging die in ons land bijvoorbeeld al vroeger begon met ‘Leuven Vlaams’ in 1965. Uit politiek en sociologisch onderzoek naar deze beweging ontsproot het concept ‘middenveld’, als term voor een netwerk van organisaties uit de oude en nieuwe sociale bewegingen. De organisaties —zeker de nieuwe — waren autonoom ten opzichte van de staat. De vakbonden, mutualiteiten en culturele organisaties van de zuilen wisten zich ondertussen voor een deel te ontvoogden van de partij. Zo ontstond een ‘middenveld’, los van staat en zuil, als enige ware vertegenwoordiger van de wensen van het volk.
Maar terwijl nieuwe sociale organisaties tijdens de jaren tachtig welig tierden, waren vakbonden en mutualiteiten al snel een flink eind op weg om de bevoorrechte relatie met de zuil in te ruimen voor een steeds intiemere band met de overheid. De mutualiteiten werden de onmiskenbare dragers en organisatoren van de sociale zekerheid, de vakbonden legden steeds vaker hun strijdersplunje af om zich toe te leggen op uitkeringen. Zeker de laatste jaren is er op dat laatste punt een opmerkelijke evolutie, waarbij via de zogenoemde ‘bijblijfconsulenten’ de vakbonden meewerken aan het neoliberale activeringsbeleid. Met ‘neoliberaal’ is meteen een stout woord gevallen. Hoewel het begrip te lijden heeft onder inhoudelijke inflatie, is het neoliberale politieke project in dit verhaal een belangrijke sleutel voor wie wil verstaan waarom de overheid nu plots haar oog heeft laten vallen op middenveldorganisaties.
Met de economische crisis van de jaren zeventig en tachtig kwam de neoliberale geest voor eens en voor altijd uit de fles. Tegen het einde van de jaren tachtig groeide er een duidelijk compromis tussen jonge (neo)liberalen en leidinggevende delen van de sociaal- en christendemocratie. De basis van dat compromis werd ‘het primaat van de politiek’. Liberalen lieten hun ‘primaat van de markt’ vallen en de katholieken en socialisten bedreven nu steeds meer politiek vanuit de instellingen van de staat dan vanuit hun verzuilde organisaties. Overal groeide de overtuiging dat echte politiek enkel en alleen vanuit een ministerstoel bedreven wordt. Daarnaast werd algemeen aanvaard dat er nood was aan een zekere herverdeling van de welvaart over de Westerse middenklasse en startte in navolging van Tatcher en Reagan een doelgerichte deïnvestering in zwakkere groepen in de samenleving. De economische crisis werd politiek aangewend als uitvlucht voor deze wending.
Conclusie
Zoals aangehaald en met enkele Gentse voorbeelden geïllustreerd, zijn we goed op weg naar een totale inkapseling van het middenveld door de overheid. De politieke motivatie hiervoor is het bovenbeschreven ‘primaat van de politiek’. Het probleem van dit ‘primaat’ is dat het zeer weinig tot niet wordt ingezet om de private sector in een sociaal-maatschappelijke pas te laten lopen. Het principe wordt daarentegen wel graag van stal gehaald om sociale en culturele organisaties te verhinderen zich als instrumenten van tegenmacht op te stellen. Met een pen gedrenkt in repressief tolerante inkt tekenen ministers en schepenen enkel voor projecten die hun plaats in de maatschappij en hun beslissingen niet fundamenteel in vraag stellen. Dat wil zeggen: hier en daar de boel wat sussen en elders de ruimte inperken van wie ten gronde kritiek wil uitoefenen.
Als afsluiter willen we hoofd- en bijzaak nog eens duidelijk van elkaar onderscheiden. Het probleem is niet dat de sociale organisaties aan kracht aan het inboeten zijn. Het probleem is wel dat dit gebeurt ten koste van een heleboel mensen die juist rekenen op dat middenveld om hun stem te vertegenwoordigen. Mensen die uiteindelijk hun conclusies zullen trekken of die conclusies misschien al lang getrokken hebben. En daarbij kijken ze, dat is bekend, waarschijnlijk naar rechts. Misschien stof tot nadenken voor organisaties die geen graten zien in de vetpotten van de subsidiërende overheid en vrolijk de gezelligste projecten eerst neerschrijven…
NATHAN HERTOGEN EN PASCAL DEBRUYNE
Beste Jean, Dank voor uw
Beste Jean,
Dank voor uw reactie. Wat tegenwind zo nu en dan is goed voor de gezondheid.
Ik zou graag punt per punt antwoorden op uw bemerkingen (met enkele andere accenten dan Pascal) in de hoop de discussie hier misschien wat verder met u Pascal en eventuele andere lezers te voeren.
Aangaande de typisch linkse sociologie, zie ik geen problemen. We hadden niet de pretentie warm water uit te vinden en zijn inderdaad geen fan van Guy verhofstadt, Yves leterme, Johan Vandelanotte en hun respectievelijke kornuiten. De voorbeelden behoren tot het argumentarium voor de theorie en zijn dus meer dan een extra smaakje. Immers, als de Gentse anekdotes kloppen, is er iets waar van de basisstelling.
1. Niet nieuw, maar alvast ook ter linkerzijde onderbelicht als idee is de stelling (wat ik toch eens wil benadrukken) dat 'het neoliberalisme' veel meer dan een heruitvinding van het klassieke liberalisme van de 19de eeuws. De 'neoliberalen' zijn namelijk erg volwassen in hun instrumentaliseren van de staat.
Van belang hier is dat hen dat vanzelf noopt een dominante positie in te nemen tegenover de civiele maatschappij (dus ook 'het middenveld').
Essentieel in het artikel is het idee dat de zienswijze van basis (middenveld) tegenover top (staat) stilaan voorbijgestreefd is.
U stelt terecht dat er beïnvloeding is vanuit NGO's op regeringen. Maar aangenomen (zoals verdedigt in het artikel) dat het middenveld steeds meer betrokken raakt in de staat (parastataliseert, staat wordt), gaat het hier over invloed van basis naar top, maar over invloed van een subsector van de staat op de top van de staat.
Het idee dat NGO's zichtbare invloed hebben, is dus geen valabel tegenargument.
Verder is het basistisch discours van veel NGO's en middenveldsorganisaties is dan in wezen een masker. De realiteit is dat al veel van deze organisaties geïntegreerd zijn in de sociale regulering van de maatschappij, gestuurd vanuit de verschillende overheden.
2. Hier treedt ik Pascal volledig bij. Geld om wat te doen? Wat staat er tegenover al dat geld? Ik vind dit verre van een argument om onze stelling tegen te spreken.
Daarnaast kan het interessant zijn om puur en alleen voor België eens te becijferen hoeveel de werkingsmiddelen van allerhande ngo's en vzw's gestegen zijn, en hoeveel de werkingsmiddelen van bepaalde publieke diensten gedaald zijn. Een vraag daaromtrent: zouden we kunnen waarnemen dat veel van de taken en diensten van de overheid feiteljik 'geoutsourced' zijn? En dan het debat over de voor- en nadelen daarvan? Vragen, geen antwoorden hier...
3. Eens met u als u het probleem van bureaucratisering aankaart. Maar is dit geen argument om te stellen dat die organisaties stilaan soms meer weg hebben van overheidsapparaten dat van autonome basisbewegingen?
4. Binnen hetzelfde theoretisch kader kan men gerust stellen dat ook de zuilen gefungeerd hebben als instituten met een functie van maatschappelijke regulering, in symbiose met de staat.
Eigenlijk zien we de huidige situatie als een verderzetting van de verzuiling, met dat verschil dat de tussenstap (ideologische belangengroepen) stilaan verdwijnt en er een rechtstreekse band met de staat komt.
Misschien omdat dit efficiënter en beter controleerbaar is (minder potentie tot tegenmacht)? Of ook omdat liberalen geen noemenswaardig eigen middenveld hadden en dus geneigd waren de zuilen af te breken (burgermanifesten), waarna zich vanzelf de vraag stelde hoe dergelijke organisaties dan wel gecontroleerd moesten worden? Omdat de veranderende arbeidsomstandigheden (werkende vrouwen, mobiliteit, hoger onderwijs, etc...) nieuwe zuilvorming ondergroeven?
Beste, In ons artikel legden
Beste,
In ons artikel legden we de klemtoon op de manier waarop we, via enkele voorbeelden op lokaal niveau, een verschuiving zien ontstaan tussen overheid en middenveld. De inleiding vermeldt deze interactie of relatie. Dat deze relatie een tweerichtingsverkeer is, is een open deur intrappen en wordt niet ontkend. Het middenveld kan dus reageren en invloed uitoefenen. Dit is dus een feit, zoals u zegt en ik weet niet of we dat zelfs ontkennen.
De middelen zijn verhoogd, daar hebt u gelijk in. Gelukkig maar in een tijd waarin de armoede versterkt en de kloof tussen arm en rijk verdiept. Ons gaat het niet alleen over die 'meer' middelen, wel over wat er gedaan mee wordt (zoals u ook terecht stelt). Efficiëntie speelt een rol. Ik heb daar geen probleem mee, zolang men maar weet dat "efficiëntie" geen neutraal begrip is en dat het te pas en te onpas wordt ingeschakeld in een liberale besparingsronde om het geld wel in economische en fiscale tegemoetkomingen aan bedrijven te investeren. Dus meer financiering betekent geenszins een militantere positie.
Wij hebben ons gefocust op de relatie (het tweerichtingsverkeer dus) tussen overheid en middenveld met de vraag wie aan het langste eind trekt in deze tweerichtingsrelatie. Momenteel, zo hebben wij de indruk, is het de overheid. Door financieringsmechanismen en voorwaarden daarvoor die gelieerd zijn aan de overheid (stad of staat) en convenanten die verstrakken, trekt de overheid terug macht naar zich toe. Dat vroeger geen hemel op aarde was, betekent nu niet het omgekeerde.
Het neoliberalisme is een bestaand economisch systeem. Het is een systeem van neo-liberalismen op verschillende plaatsen en doorheen verschillende temporele intervallen. Tatchertijdperk is het Blairtijdperk niet en het is ook het actieve welvaartstaat-socialisme niet. Hét neoliberalisme bestaat op zich alleen tegen die achtergrond. Dat we echter in een tijdperk zitten waarin economische groei centraal staat en dat andere waarden en doelstellingen nogal onderschikt zijn daaraan, alsook de invloed die dit heeft op het middenveld, is allemaal wel reëel.
Uw kritiek op cijfers is deels terecht, al focust ze op middelen en efficiëntie, terwijl we het vooral hebben over de onderhandelingsmarge in het tweerichtingsverkeer tussen overheid en middenveld. Deze analyse wordt wel gesteund door empirisch materiaal van empirisch wetenschapper Stefan Walgrave die zelf bedenkingen uit over het kritische potentieel van veel nieuwe sociale bewegingen.
Vriendelijke groeten,
Debruyne Pascal
Kei goed artikel. Meer van
Kei goed artikel.
Meer van dat
De overheid is heeft het
De overheid is heeft het idee van mondige kritische burgers als positieve bijdrage aan een gemeenschap totaal aan kant geschoven en wenst enkel nog een soort van onderaannemers te subsidiëren, die bereid zijn om de opgelegde opties uit te voeren. U zal wel voelen dat Ik het oordeel van de auteurs. De manier waarop men in mijn streek (Z.O.-Vlaanderen) vzw 't Uilekot probeert aan kant te schuiven, spreekt boekdelen: zie
http://www.uilekot.org/index.php?option=com_content&task=view&id=477

Dit artikel is een goed
Dit artikel is een goed voorbeeld van een klassieke linkse sociologie, gekruid met wat Gentse voorbeelden.
Wat hierin volledig ontbreekt zijn de nodige kritische reflectie en kanttekeningen; het 'theoretisch' kader wordt nogal gemakkelijk quasi blind overgenomen.
Enkele voorbeelden (niet exhaustief):
1. Er wordt eenvoudig weg vanuit gegaan (als 'het axioma van Marcuse') dat het een top-down eenrichtingsrelatie is tussen overheid en middenveld. De vraag dat het wel eens een tweerichtingsrelatie zou kunnen zijn wordt niet gesteld en al helemaal niet de vraag dat de relatie wel eens in de omgekeerde richting dominant zou kunnen zijn.
2. Er wordt ook vlotjes aan feiten voorbij gegaan; vb dat het aantal medewerkers (absolute aantal en full-time equivalenten) in de sociale sector er de laatste 20jaar spectaculair op vooruit is gegaan ... en ja dit vertaalt zich ook in het budget.
Zo structureel ondergefinancierd is de sector niet, zeker niet als de jaren 60-70 zoals als benchmark neemt zoals in het artikel gebeurd voor de vermeende onafhankelijkheid.
Waar mischien wel vragen bijgesteld zouden mogen worden is de manier waarop vele van deze instellingen de hen toegewezen middelen aanwenden. De efficientie en effectiviteit zou hier vele malen hoger kunnen zijn. (maar mischien is dit neoliberaal denken en is deze bendenking dan totaal misplaatst)
3. Hierop aansluitend, vele van deze organisaties zijn naar mini-zuiltjes geevolueerd waarbij de eigen structuur de eerste doelstelling is. De historische doelstelling is niet meer dan element in hun positionering. Pas hier eens de bureaucratie benadering van Weber op toe. idem voor ministeries (950.000 ambtenaren in België)
4. Ook zou men zich vragen stellen mogen stellen over die onafhankelijkheid in de jaren 60-70 van verschillende organisaties, de verzuiling wordt hierbij vlotjes gepasseerd.
Heel dit artikel gaat nogal sterk uit van pessimistisch, maar vooral ook mechanistische maatschappijbeeld waarin het 'neoliberalisme' (via slinkse wegen als de onzichtbare hand) alles vorm geeft. Om dit alles te verklaren komt op het einde van het artikel dan 'het compromis' tussen sociaal-democraten en neo-liberalen naar boven met als uitsmijter het Tatcherisme er bovenop. Weerom vlotjes de cijfers en feiten negerend dat dat de totale sociale uitgaven (in absolute waarde maar vooral) in relatieve belangrijkheid over de afgelopen decennia er enkel maar op vooruit gegaan zijn.