



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De Cool van het Kosmopolitisme
De Zweedse stadsantropoloog Ulf Hannerz maakte eind jaren zestig naam met zijn veldwerk in één van de ruwste Afrikaanse ghetto’s van Washington, waar hij de ‘zwarte’ cultuur en haar relatie tot de mainstream ‘witte’ cultuur onderzocht. De weerslag van zijn observaties kwam terecht in Soulside, een boek dat één van de klassiekers van de stadsantropologie werd. Hannerz is vooral actief op het vlak van globaliserings-, media- en stadsantropologie. Vandaag coördineert hij als professor Sociale Antropologie aan de universiteit van Stockholm een interdisciplinair project rond kosmopolitisme.
> U coördineert een project rond kosmopolitisme. Sinds de jaren ’80 is er veel discussie over de inhoud van dat concept. Een van de opvattingen die vele mensen vandaag nog steeds huldigen is dat kosmopolitisme vooral een Westerse aangelegenheid is.
Hannerz: “Dat is één van de ideeën die gaandeweg eigenlijk gesneuveld zijn. Er zijn buiten de Westerse wereld een heleboel mensen die al dan niet uit eigen keuze met het Westen te maken krijgen. Zij zijn vaak erg kosmopolitisch; om te beginnen hebben ze hun eigen cultuur en daarnaast moeten ze noodgedwongen een andere, Westerse cultuur oppikken. Westerse mensen die zich door de wereld bewegen - ik denk dan bijvoorbeeld aan zakenmensen - zijn daarentegen veel meer in hun eigen cultuur ingekapseld. Zij eten dezelfde maaltijden, verblijven in dezelfde hotels, enzovoort.
Het houdt ook verband met de vraag tot welke klasse kosmopolieten behoren. Het is logisch te veronderstellen dat kosmopolitisme een zaak van de elite is. Geprivilegieerde mensen kunnen het zich veroorloven te reizen, een opleiding te betalen en veel talen te leren. Op die manier is het natuurlijk makkelijker kosmopoliet te worden. Maar sinds het einde van de twintigste eeuw heeft kosmopolitisme, door de komst van migranten en vluchtelingen die in contact komen met de populaire cultuur, het potentieel om zich over verschillende groepen te verspreiden.”
> Bent u tijdens uw veldwerk in contact gekomen met kosmopolitisme in lagere sociale strata?
“Zeker. Ik denk dan in de eerste plaats aan een Nigeriaans dorpje waar ik in de jaren ’70 werkte. Daar was absoluut sprake van lokaal kosmopolitisme. De inwoners van dat dorp waren gewend aan etnische diversiteit, wisten iets over de verschillende ‘stammen’ in de stad en kenden woorden uit zo’n half dozijn talen. Een vriend uit het dorp stelde me op een dag voor om samen in de import-export business te gaan. Die mensen hebben dus wel degelijk een idee over de rest van de wereld. Zij weten welke producten ze het liefst zouden importeren, dromen ervan om naar een overzeese universiteit te gaan om dan terug te komen als invloedrijk persoon en rijk te worden. Kortom, zij hebben brede horizonten en zelfs al zien zij de wereld buiten hun dorp niet op regelmatige basis, ze zijn er toch mee bezig.”
> U hebt het nu over een dorp. Is het een misvatting eerder de stad als de natuurlijke habitat van de kosmopoliet te beschouwen?
“Er is een link met de stad, maar die is zeker niet noodzakelijk. Je wordt niet alleen kosmopoliet door in de stad te leven. Er zijn andere plekken die heel gewoontjes lijken, maar behoorlijk kosmopolitisch zijn. Zo is er een klein dorp in het zuiden van Zweden waar ik nu al vijfendertig zomers doorgebracht heb. Het plaatsje is door de jaren heen veranderd en ik ben verbaasd over de variëteit aan levensverhalen. Een van mijn buren is een gepensioneerde Zweedse boer die getrouwd is met een Oost-Pruissiche. Zij is nu de zeventig gepasseerd. In haar tienerjaren vluchtte ze voor de Russische sovjettroepen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Dan is er een andere man in het dorp die ook Pruisisch blijkt te zijn. Hij stopte met school op zijn vijftiende en is nu een excellente zwemmer die hier en daar wedstrijden won en al de Nijl overzwom. Zo is er de ene na de andere. Ik had hen niet verwacht in mijn dorp. Maar zoiets kan per toeval gebeuren. Het is niet zo dat die mensen naar daar verhuizen omdat er andere kosmopolieten wonen.”
> Kunnen we uit dit alles afleiden dat kosmopolitisme in de eerste plaats een state of mind is en er bijgevolg veel verschillende varianten op zijn?
“Inderdaad. Het is een soort oriëntatie. In het begin zag ik kosmopolitisme als een pakket van karakteristieken die verbonden zijn met die state of mind; het op waarde schatten van diversiteit, nieuwsgierig zijn naar het andere en er bovendien goed mee omkunnen. Nu denk ik niet langer dat deze eigenschappen per definitie in een pakket komen. Er zijn meer en meer mensen die overweg kunnen met diversiteit, zonder het daarom allemaal zo fantastisch te vinden. Gewoon door het feit dat ze in een grootstad leven, pikken ze die vaardigheden op. We moeten er ons ook van bewust zijn dat niet alle mensen die kosmopoliet zijn zichzelf als dusdanig beschouwen. Aan de andere kant heb je de ‘pseudo-kosmopolieten’, die zichzelf graag als kosmopoliet profileren, maar het niet echt zijn. Voor hen is kosmopolitisme iets ‘cool’ geworden…”
> De stad wordt vaak voorgesteld als een gevaarlijke plaats. Is het kosmopolitisme een manier om met de anonimiteit en diversiteit van de stad om te gaan?
“Kosmopolitisme vormt inderdaad een manier om zin te geven aan wat binnen de stad gebeurt. Het vergt bepaalde competenties om met de diversiteit in de stad om te gaan en die kunnen verworven worden binnen dagelijkse leeromgevingen in de stad. Neem nu de supermarkt: wanneer je de gesprekken van mensen in de supermarkt zou overhoren, de grappen die gemaakt worden …: die observaties laten zien hoe een heel divers publiek er in slaagt om met elkaar om te gaan. De grapjes die door de wachtenden aan de kassa gemaakt worden hebben een sociale functie. Ze scheppen een vluchtige relatie en een vorm van vertrouwen. Mensen hoeven niet noodzakelijk de wereld rond te reizen om kosmopoliet te worden. Zeker stedelingen kunnen in hun eigen woonplaats kosmopoliet worden, bijvoorbeeld door vluchtige ontmoetingen in de supermarkt. Tegenover de kosmopoliet die weet om te gaan met de stedelijke diversiteit heb je de mensen die zich terug trekken in ‘gated communities’, afgesloten woonwijken buiten of zelfs in het stadscentrum. Het is zeker niet in een dergelijke omgeving dat je de vaardigheden zal opdoen om met diversiteit om te gaan.”
LIEN DE COSTER
