



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Over de toonbank
Bespiegelingen en anekdotes over allochtoon ondernemerschap
Het nachtwinkelmysterie
Aan mediabelangstelling voor nachtwinkels is in de reguliere pers geen gebrek. Met de regelmaat van de klok worden de aanwezigheid en wildgroei van nachtwinkels verantwoordelijk gesteld voor nachtelijke overlast, overmatig drankgebruik bij jongeren, vervuiling, verloedering en vandalisme. Dagwinkeliers en horeca-uitbaters mopperen over oneerlijke concurrentie, ondemocratische partijen over de gekleurde uitbaters. Voer het begrip ‘nachtwinkel’ in op Google en constateer dat bijna alle artikels gepost zijn door Vlaams Belang. De regelgeving ten overstaan van nachtwinkels wordt steeds strenger, de controle op de naleving ervan vindt niet zelden plaats onder de vorm van razzia’s. Want, zo wil het vooroordeel: nachtwinkels moeten wel een reden hebben om het daglicht te schuwen.
Ons van TiensTiens interesseert het niet zozeer of nachtwinkels nu een dekmantel vormen voor louche zaakjes, dan wel een eerlijke broodwinning voor hardwerkende, allochtone winkeliers. Wij — en we vermoeden dat we daarin niet alleen zijn - vinden nachtwinkels vooral intrigerend omdat ze als paddestoelen uit de grond schieten en weer verdwijnen, bijna onopgemerkt, met telkens nieuwe (voornamelijk Pakistaanse) gezichten achter de toonbank.
De interne keuken van het nachtwinkelwezen zal de doorsnee pizza- en bierfanaat allicht worst wezen, maar wij vragen ons af: hoe gaat dat nu in zijn werk, een nachtwinkel oprichten? Zakt zo’n Pakistani dan af naar Gent, huurt hij met zijn bescheiden startkapitaaltje een pand op de Vlasmarkt, doet hij elke week eigenhandig de boodschappen in de dichtstbijzijnde Colruyt en kiest hij, zijn voorgangers klakkeloos imiterend en wars van enig commercieel inzicht, precies die producten uit die ook in de vier naburige nachtwinkels op de schappen hun versheidsdatum staan te verstrijken? Of komt diezelfde Pakistani naar ons land en wordt hij tijdens zijn zoektocht naar een baan door de Grote Breedlachende Baas van de Verenigde Nachtwinkels geheadhunt om in één van zijn nieuwe filialen aan de slag te gaan? (De winst gaat uiteraard naar de centrale pot, op een schamel uurloon voor de uitbater na.) Of wacht, wordt onze Pakistani misschien in het búitenland gerekruteerd om — hoge verdienste! veel doorgroeimogelijkheden! — in het Belgische nachtwinkelwezen aan de slag te gaan? En welk mysterieus orgaan heeft dan de centrale leiding over het strak georganiseerde geheel der nachtwinkels?
Het wraakroepende aan dit potje brainstormen is: we kunnen niet eens nagaan hoé mis we de bal slaan of waar onze fantasie het precies overnam van onze vooroordelen. Het verhaal over de economische organisatie van nachtwinkels is immers — ga maar na — simpelweg nog niet gebracht. Te ondoorzichtig of een gat in de onderzoeksmarkt? Hopend op dat laatste bekrachtigde ons bescheiden onderzoek helaas al snel de eerste stelling. De geïnterviewde nachtwinkeluitbaters zwegen immers in alle talen (maar vooral in gebroken Engels), recente statistieken over het aantal allochtone ondernemingen bleken vrijwel onbestaand, juridisch onderzoek naar de schijnzelfstandigheid van nachtwinkeluitbaters stootte op gelijkaardige hindernissen en werd gestaakt. TiensTiens… Wie tips, vermoedens, hypotheses of verklaringen heeft mag die altijd voorleggen aan de redactie. Intussen laten we het nachtelijke stilzwijgen even achter ons en vallen binnen in de dagelijkse drukte van de Dampoortstraat.
Dampoortstraatparabels
De Dampoortstraat is een symboolstraat aan het worden van de multiculturele samenleving. Waar anders vind je allochtone bakkers, slagers, kruideniers en kappers naast een Bloemen Marleentje, een oervlaamse kaashandel en een winkel voor binnenhuisinrichting?
De meeste winkels zijn hier open op zondag en gesloten op maandag. De allochtone winkeliers houden hun winkel bovendien later open dan hun Belgische collega’s. Dat verklaart voor een groot stuk waarom de handelszaken er floreren: er komen veel passanten en pendelaars voorbij, die snel nog een boodschap kunnen doen aan voordelige prijzen. Toch komen in de meeste winkels vooral vaste klanten uit de buurt: het is snel en dichtbij, en vaak kennen ze de uitbaters persoonlijk.
Eén kiwi en een gescheurde jeans
Wij beginnen onze tour bij Caliskan, de grote fruit- en groentewinkel op de hoek. Caliskan betekent ‘harde werker’ en is tevens de familienaam van de uitbaters. Zoals veel allochtone ondernemingen is het een familiezaak, gesticht door vader en moeder en nu mee draaiende gehouden door de zonen. Het aanbod is verscheiden: kruidenierswaren en een versafdeling, maar evengoed bezems, afwassponsjes en fietsbellen. Hier bieden ze aan wat mensen dagelijks nodig hebben: geen luxeartikelen of unieke stukken, maar goedkope verse en droge voeding en een beperkt aanbod producten voor lichaamshygiëne en huishoudartikelen. Het cliënteel van de winkel is gemengd en bestaat grotendeels uit buurtbewoners. Vooral Turkse klanten proberen hier wel eens af te dingen, maar ook Belgen durven onderhandelen over de prijs. “Bij Turkse klanten gaan we daar soms wel op in”, zegt de uitbater, “want als Turkse mensen boodschappen doen kopen ze vaak een hele kist appelsienen of appels tegelijk, terwijl de Belgen met één kiwi en een appel in hun mandje naar de kassa komen.” Nog een waarneming over het gedrag van zijn klanten: “Zwarte klanten gedragen zich anders dan de anderen: als zij aan de kassa staan gaat het veel trager. In de tijd dat ik met één van hen afgerekend heb, heb ik al met drie Belgische of Turkse klanten afgerekend. Ze kijken je aan en tellen dan heel traag, één voor één, hun euro’s neer. Ik weet niet waarom ze dat doen. Het is vreemd.”
In het pand ernaast heeft één van de zonen van de groentewinkel de bederfelijke waar achter zich gelaten om een properder, eigentijdser zaak uit te bouwen: Blue Store, een jeanswinkel. Gezeten tussen de bloemkolen en de olijven werd hij getroffen door de vaststelling dat bijna iedereen die voorbijkwam een jeansbroek droeg. Nu, twee jaar later, draait zijn jeanswinkel op volle toeren en denkt hij aan uitbreiden. Naast het Turkse jeansmerk Rodi vind je er nog tal van andere merken, waaronder Lee Cooper en Levis. Dat mensen in zijn zaak meer dan honderd euro neertellen voor een Levis met scheuren erin en moddervlekken erop, daar verwondert hij zich nog elke dag over.
(Lams)koteletten, koeken en kappers
Aan de overkant van de straat lopen we even binnen bij slagerij Aile Kasabi (‘De Familieslagerij’). Het vlees dat hier verkocht wordt is ritueel geslacht, maar er komen ook veel niet-islamitische klanten over de vloer. Ook hier proberen Turkse klanten wel eens af te dingen, “maar het is hier wel Europa hé! Niet Turkije! Ik ben daar heel strikt op, op de prijzen.” De slager is dikke maatjes met de bakker aan de overkant en loopt af en toe binnen om iets zoets van achter de toonbank te grissen. Chocoladekoeken, éclairs, worstenbroodjes, Turkse pizza’s en mierzoete gebakjes gaan hier allemaal even vlot over de toog. Even verderop vinden we kapper Benjamin Style. De kapper knipt vooral mannenhoofden. Hijzelf is Turks, zijn klantenbestand zeer gevarieerd. Bokser Freddy De Kerpel is hier vaste klant, op de kaptafel staat een foto van schrijver Bart Moeyaert — ‘omdat het een schone vent is met een schoon kapsel, niet omdat ik voor de verkeerde kant ben’, verduidelijkt de kapper. De ‘Bart Moeyaert’ blijkt een veelgevraagde coupe te zijn. Hier wordt erg geconcentreerd geknipt en weinig gesproken — misschien omdat wij erbij zijn. Het flitsende televisiescherm aan de muur doet vreemd aan in zo’n haarheiligdom. Helemaal anders gaat het er aan toe in het grote hoekpand aan de overkant. In de etalages staat niet veel meer dan wat mannenschoenen en haarproducten, maar dieper in de winkel zit een swingend Afrikaanse kapsalon verborgen. Vinyl met zwarte en witte tegeltjes, retro-kappersstoelen, een zoemende frigo die het gemberbier koel houdt en verkwikkende Afrikaanse deuntjes uit de radio: hier is het feest. In de kleine vijf minuutjes dat we er zijn is het een komen en gaan van luid grappende mannen. Eén iemand laat effectief zijn haar bijtrimmen, de rest komt gewoon voor de ambiance. De klanten geven toe dat het kapsalon vooral een ontmoetingsplaats is. De hele Afrikaanse gemeenschap uit Gent en omstreken komt hier om bij te praten. Dat gebeurt hoofdzakelijk in het Engels en het Ashanti, de meest gesproken Afrikaanse taal. Ondertussen lezen de kinderen van de klanten onverstoorbaar verder in hun Kiekeboe’s.
Colanoten en Vera Dua
Volgens de jongeman die de tondeuse bedient is dit het enige Afrikaanse kapsalon in heel Gent. Even later horen we van het dochtertje van een klant dat er iets verderop in de straat nog twee Afrikaanse haarsalons zijn. Eén ervan zit, toegegeven, wel wat verborgen in een achterkamertje van de Ghanese Foreign Shop. Die heet zo omdat je er allemaal vreemde producten kan vinden. Als we de winkel binnenkomen, botsen we op dezelfde luidruchtige bende die even daarvoor ook al het kapsalon was binnengelopen. Ook hier komen ze duidelijk niet met de intentie om iets te kopen; het lijkt eerder alsof ze zich zelf hebben uitgenodigd voor een rondje toonbankgepalaver in de rommelige gezelligheid van de winkel. Ze praten en lachen om ter luidst en raken het niet onmiddellijk eens over wie nu het woord mag voeren. Een klein derde van de klanten hier is Belgisch. Ze komen vooral voor de Indische kruiden, maar ook voor minder voor de hand liggende producten. Zo staat op de toonbank een bokaal colanoten. Studenten kopen die soms om op te kauwen tijdens het studeren, om zich beter te kunnen concentreren. Een ander ‘vreemd’ product dat de eigenaar van de winkel ons voorstelt is het Afrikaanse alternatief voor een tandenborstel: de ‘sokodua’. “Zoals Vera Dua”, grapt de eigenaar. Het zijn kleine latjes hout die je in water moet weken. Als de uiteinden zacht worden kan je er je tanden mee poetsen en flossen.
Op één van de schappen herinnert een aantal trofeeën de vrolijke bende aan een spijtig incident. Met hun Afrikaans-Belgische voetbalploeg wonnen ze enige jaren terug een paar matchen. Maar al snel werden ze geconfronteerd met het racisme van de supporters en spelers van de tegenpartij. Ze waren écht goed, knikken ze allemaal, maar de racistische uitlatingen lokten een zware vechtpartij uit en toen werden ze gedwongen om te stoppen met de ploeg.
Zo heeft alles hier een verleden. De Ghanese eigenaar was vroeger installateur van kabeltelevisie, maar dat bracht niet genoeg op. Met een eigen winkel beginnen was een zware investering, en omdat hij nog niet de Belgische nationaliteit had in die tijd kreeg hij ook geen lening bij de bank. Uiteindelijk was het zijn Belgische werkgever bij de kabelmaatschappij die hem het startkapitaal leende om de winkel te beginnen.
Het is al na acht uur en de winkels gaan sluiten. De drukte in de Dampoortstraat ebt weg, alleen het verkeer raast eeuwig door op dit knooppunt van culturen. Een sluitingdag voor auto’s, is dat eens geen idee?
SARAH KEYMEULEN EN MARLIES CASIER
