



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De wraak van de olifant
Of waarom dikhuiden Gent mijden
Het is u ongetwijfeld ook al opgevallen: in Gent zijn geen olifanten. Misschien denkt u dat dat toeval is, of het gevolg van het klimaat. Niets is minder waar! De olifanten zijn weggetrokken omdat de Gentenaars hen slecht behandelden. Of zijn dat maar leugens en lasterpraat? Een ontluisterende geschiedenis van haat en achterdocht die begint in de Gentse dierentuin.
De Gentsche Diergaerde
De Gentse dierentuin opende zijn deuren in 1851. De reden daarvoor lezen we in het boekje ‘De Gentsche Diergaerde’ uit 1853 (een van de eerste uitgaven van het Willemsfonds): “De bloei van de Antwerpsche Diergaerde deed by eenige achtbare inwooners van Gent de gedachte ontstaen, hunne stadgenooten ook met zulke inrigting te begunstigen.” De Gentenaars waren met andere woorden jaloers op die van ‘‘t Stad’ en besloten daarom hun eigen dierentuin op te richten.
Het park verrees op de drassige grond van de Muinkmeersen, tussen Leie, Sint-Lievenslaan en Zuidpark. Het Zuidpark was toen nog een spoorweg en het Wilsonplein een station. Ook voor toeristen was de dierentuin dus gemakkelijk bereikbaar. Het terrein was ongeveer half zo groot als dat van de Antwerpse zoo. Het enige wat vandaag nog aan de dierentuin herinnert, zijn het Muinkpark en een aantal straatnamen in de buurt: Zebrastraat, Tijgerstraat, Olifantstraat, …
De toegang tot de dierentuin was voorbehouden aan de gegoede burgerij. Arbeiders mochten alleen op zondagvoormiddag binnen, zodat ze de deftige mensen niet voor de voeten liepen. Volgens Heidi Albrecht, die haar thesis en een aantal artikels schreef over de Gentse zoo, konden de arbeiders de (verlaagde) toegangsprijs sowieso niet betalen. Op zondagvoormiddag kwam daardoor vooral de middenklasse op bezoek.
De negentiende-eeuwse dierentuin richtte zich vooral op schoonheid. De collectie bestond in grote mate uit elegante dieren als gazellen, antilopen en siervogels. Daarnaast liepen er natuurlijk ook een aantal spectaculaire beesten rond: een tijger en een luipaard, beren, een olifant, … Door de vele concerten en feesten in de dierentuin werd deze een belangrijke ontmoetingsplaats. De burgerij flaneerde voortaan niet enkel meer over de Kouter en de Coupure, de andere mondaine plaatsen op dat moment.
In 1903 sloot de Gentse dierentuin zijn deuren wegens afnemende belangstelling. De bourgeoisie vond een ander tijdverdrijf en trok voortaan naar zee.
De moord op Jack. Of was het Betsy?
De eerste olifant van de Gentse zoo heette Betsy. Ze was erg populair. (Bourgeois)kinderen mochten zelfs ritjes maken op haar rug. Betsy was zo geliefd dat men voor haar vijfentwintigste verjaardag een volksconcert organiseerde. Wat de olifant daar precies van vond, staat nergens geregistreerd. Betsy overleed in ieder geval in 1887. Het vlees werd verkocht, het skelet ging naar de Gentse universiteit.
De tweede olifant van de zoo heette Jack, maar werd blijkbaar soms ook Betsy genoemd. Jack/Betsy speelt de treurige hoofdrol in een van de eerste verhalen over Gentse agressie tegen olifanten. Bij de sluiting van de zoo zou de olifant opgekocht zijn door ene ‘Sieske de Gistmarchand’. Die slachtte het beest en richtte er een feestmaal mee aan voor een aanzienlijk aantal Gentenaars. Jacks hoofd zou daarna zelfs nog enkele dagen tentoongesteld zijn in een Gents hotel.
Hoewel dit verhaal her en der blijft opduiken (bijvoorbeeld op de website van de vzw Muinkparkwijk en in het Stadsmagazine van Stad Gent), is het waarschijnlijk verzonnen. Heidi Albrecht vond er niets over terug, ene M. Steels schreef al in 1973 in de Ghendtsche Tydinghen dat het een mythe was en op Gentblogt wees Arthur De Decker er vorig jaar ook al op dat het verhaal een kwakkel is. Sieske kocht Jack/Betsy wel voor 350 frank, een aanzienlijk bedrag in die tijd. Hij probeerde het dier door te verkopen aan een circus, maar dat mislukte. Daarop besloot hij het beest te doden. Hoe dat gebeurde is onduidelijk. Volgens sommigen wurgde hij het dier met staalkabels, volgens anderen schoot hij het dier dood en volgens nog anderen schoot hij het dood na een mislukte poging het te wurgen met staalkabels. Volgens Steels verkocht Sieske de 1975 kilogram olifantenvlees voor 12 centimes de kilo aan een Nederlandse worstenfabrikant. Geen feestmaal dus van de arme Jack, maar ordinaire, Hollandse worst.
Sieske van zijn kant richtte wel een feestmaal aan, maar niet met olifantenvlees. Steels citeert de Gazette van Gent van 4 mei 1904: “Maandagavond is het vlees van de grote beer, aangekocht door de Heer Hillaert [de echte naam van Sieske, red.], aan een groot aantal vrienden en kennissen ten beste gegeven. De genodigden hebben het zich goed laten smaken, maar waren nadien zo dorstig, dat de zestig deelnemers 120 flessen wijn en 75 flessen champagne geledigd hebben.” Een paar jaar later beten twee beren tijdens een voorstelling op de wereldtentoonstelling in Gent hun dierentemmer dood. Toeval… of wraak?
Brand in het circus
Het verhaal van het feestmaal en de worst is helaas nog maar het begin van alle olifantenellende.
In de nacht van 12 op 13 januari 1932 brak brand uit in de stallingen van Circus Sarrasani in Berchem bij Antwerpen. Het vrijwillige brandweerkorps van Berchem kreeg de situatie niet onder controle. De professionele brandweer van Antwerpen schoot ter hulp, maar mocht door de gemeentewetten niet optreden.
De stal met paarden en 22 olifanten ging in vlammen op. De dieren trokken in paniek hun kettingen kapot. Eén van de olifanten, ‘Prinses’, sprong van een 12 meter hoge muur in het water. Het dier overleed aan zijn verwondingen. Vijf andere olifanten ontsnapten en holden in paniek, samen met een aantal paarden, door de straten van Antwerpen. Het duurde uren voor men hen weer kon vangen. De apothekers uit de buurt maakten massaal brandwondenzalf aan om de verbrande huiden van de dieren te verzorgen.
De overleden olifanten begroef men ter plaatse in diepe kuilen. Bij de bouw van de ring rond Antwerpen zag men de skeletten jaren later terug op luchtfoto’s. De olifanten waren overigens niet de enige slachtoffers van de brand. Ook de zadels van de cowboys gingen in het vuur op, net als de kimono van de Japanse acrobaat Kobbe. Aan dat kledingstuk had men vijf jaar geborduurd - dat meldde althans Gazet van Antwerpen.
De Antwerpse kunstenaar Alfred Ost maakte een reeks dramatische tekeningen van de brand, die nog steeds in de zoo van Antwerpen te bewonderen zijn.
Dat is natuurlijk heel erg voor die olifanten, maar wat heeft dat met Gent te maken? Wel, volgens de mondelinge overlevering zou deze brand geen ongeluk geweest zijn. Op Sarrasani’s circuswagen stond niet voor niets te lezen: “Hoe meer ik de mensen leer kennen, hoe meer ik van de beesten houd.” De brand zou aangestoken zijn op vraag van het concurrerende circus Gleich. En wie nam die weinig glorieuze taak op zich? Jawel: de Gentse clown Libot, die — zo gaat de overlevering — zijn aandeel in het olifantendrama pas op zijn sterfbed bekendmaakte.
Suzy op stap
Ik weet wat u denkt. ‘Dat is allemaal maar van horen zeggen en hoogst twijfelachtig.’ Maar wat wilt u dan? Een olifant die zelf zijn beklag doet over de manier waarop Gentenaars hem behandelen? Wel, zelfs dàt gebeurde.
Op 9 augustus 2001 stond er een olifant op de stoep van de gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap in de Gebroeders Van Eyckstraat. Het beest heette Suzy en had een bord rond haar nek. “Ik heb ook graag een dak boven mijn hoofd’’, stond daarop te lezen. Op die manier wilden haar eigenaars protesteren tegen het feit dat Suzy’s hok in het familiepark Malter in Heusden (Destelbergen) afgebroken moest worden. Dat hok was volgens de Dienst Stedenbouw te groot. Volgens de familie Malter baseerde Stedenbouw zich op verkeerde normen, namelijk op die voor koeien. Suzy probeerde nog het gebouw van de Vlaamse Gemeenschap binnen te dringen, maar een forse dame van de kuisploeg hield haar tegen, aldus Het Nieuwsblad.
Suzy bevindt zich nog steeds in het familiepark Malter en is daarmee op dit moment de dichtstbijzijnde olifant die u als Gentenaar kan bezoeken. Op dit moment, want aan het eind van de jaren ’80 en in de jaren ’90 was er kortstondig weer een olifant in een Gentse zoo. In 1986 opende het ‘Zoological Park’ zijn deuren in Terdonk, in de Gentse kanaalzone. Ook daar verbleef een olifant. Vanaf het begin waren er echter protesten van Gaia over de manier waarop de eigenaars de dieren behandelden. Na veel klachten en bijkomende problemen sloot het park in 1999 definitief de deuren.
De wraak van de olifant
Het is dus geen toeval dat er in Gent geen olifanten meer zijn. Meer dan een eeuw lang zijn ze door Gentenaars op een twijfelachtige manier behandeld. En een olifant vergeet niet gauw. Mocht u mij niet geloven, dan verwijs ik graag weer naar ‘de Gentsche Diergaerde’:
“De Malijers [...] schrijven den Elefant onder alle dieren het meeste verstand en scherpste oordeel toe, en verkeeren in het stellige denkbeeld dat wanneer éenmael de Elefant in een streek valsch of vyandelyk behandeld is, en er door omkomt, niet alleen hy, maer ook al zyne makkers, gelyk de inwooners zeggen, zulk eene plaets gedurende jaer en dag vermyden.”
Dat is het dus: ze mijden Gent! En daar stopt het niet:
“Niettegenstaande is het een onbetwist feit, dat de Elefanten […] zich dankbaer betoonen voor ontvangene weldaden, gevoelig zijn voor harde behandeling, en zich wel eens over aengedane beleediging beproeven te wreken.”
De Stad weet dit, maar houdt het angstvallig geheim. Denkt u dat het toeval is dat het stadsreglement sinds 2004 olifanten in circussen verbiedt? Natuurlijk niet. U bent dus gewaarschuwd! Mijd olifantenworst, bezoek alleen diervriendelijke zoo’s en steek vooral geen dikhuiden in brand. Of anders: vreest de wraak van de olifant!
WOUTER BRAUNS
Met dank aan Arthur De Decker
Bronnen:
H. ALBRECHT, Het ontstaan van dierentuinen, een nieuw fenomeen, in: Van Mensen en Dingen, 1 (2003), pp. 149-164.
H. ALBRECHT, Een halve eeuw ‘Maatschappij voor Natuurlijke Historie’ te Gent, in: Van Mensen en Dingen, 1 (2003), pp. 345-364.
E. CAMPENS, De Gentsche Diergaerde, Gent, 1853.
S. KEYMEULEN, In de ban van de ring. Beeld en betekenis van het circus in de burgerlijke samenleving, onuitgegeven eindverhandeling, 2004.
M. STEELS, De Gentse Dierentuin, in: Ghendtsche Tydinghen (1973), pp. 174-177.
Klopt het onderschrift bij
Klopt het onderschrift bij de (schitterende) afbeelding "de elefant" wel? Komt dit echt uit "De Gentsche Diergaerde" van E. Campens? Dit lijkt mij eerder uit een soort encyclopedie te komen. In ieder geval als dat onderschrift juist is hoop ik dat werk ooit eens in handen te krijgen en betreur ik wel dat dit onderschrift is weggevallen in de papieren versie van TiensTiens.

De tekening komt wel
De tekening komt wel degelijk uit de Gentsche Diergaerde. De titel van dat boekje is wel een beetje misleidend, een negentiende eeuwse verkoopstruuk. Enkel de eerste bladzijden handelen echt over de Gentse dierentuin. De rest is eigenlijk een -bij momenten hoogst amusant- overzicht van de al dan niet exotische beesten die je met een beetje geluk in de zoo kan tegenkomen: de kemel, de kengeroe en de mandarin, maar ook de eend en de eekhoorn.
Op het moment dat het boekje verscheen was er overigens nog geen olifant in de zoo, Betsy kwam pas later. Vooraan in het boekje staat een inhoudstafel waarin de elefant niet vermeld wordt, maar hij staat er dus wél in.
Het boekje is overigens te vinden in de bib op het zuid, maar kan alleen ter plaatse ingekeken worden.