



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De Gentse Verlichting
Sinds met de uitvoering van het lichtplan is begonnen, heeft Gent er een attractie bijgekregen. De nieuwe, sfeervolle verlichting die de stad ‘s avonds en ‘s nachts een feeëriek aura geeft wordt immers alom geprezen. Volgens de Michelingids is Gent zelfs alleen al voor de verlichting een bezoekje waard.
Het Gentse lichtplan wordt gerealiseerd over een periode van tien jaar aan een investeringsritme van 500 000 euro per jaar. Dat gebeurt binnen het kader van het Mercuriusplan van de Vlaamse overheid dat initiatieven om het (commercieel) leven in de stadskernen te bevorderen stimuleert.
Het lichtconcept werd uitgewerkt door de internationaal befaamde Franse lichtontwerper Roland Jéol die eerder al hoge ogen gooide met zijn lichtplannen voor onder andere Lyon, Turijn, Parijs en Zürich. Voor het Gentse lichtplan is gekozen voor het gebruik van sober wit licht. Vooraf werd een studie uitgevoerd om uit te zoeken hoe en op welke monumenten, gebouwen, parken en pleinen, kaden... de lichtaccenten het beste konden worden geplaatst.
Omdat lang niet alle monumenten stadseigendom zijn heeft de uitvoering wel wat voeten in de aarde. Om privé-eigenaars te overtuigen hun eigendom te verlichten volgens de principes van het lichtplan krijgen zij van het Mercuriusfonds een subsidie van 25 procent op het investeringsbedrag. Vervolgens neemt de stad de installatie over en betaalt de verbruiks- en onderhoudskosten. En het dient gezegd: het resultaat mag gezien worden.
Lichthinder
Het lichtplan houdt meer in dan de sfeerverlichting in de binnenstad. Het is ook de bedoeling om lichthinder te beperken of te vermijden. Lichthinder is volgens de definitie van de Vlaamse overheid “de overlast veroorzaakt door kunstlicht bij mens en dier, als verstorende factor bij het verrichten van avondlijke of nachtelijke activiteiten, of als bron van onbehagen.” Bij mensen werd vastgesteld dat er vaak slaapstoornissen optreden als gevolg van lichthinder, wat tot depressies kan leiden. Lichtvervuiling verstoort ook de hormonenhuishouding, wat dan weer het ontstaan van tumoren in de hand werkt.
Lichthinder kan vermeden worden door enkele principes in acht te nemen: verschillende lichtbronnen gebruiken in plaats van één algemene lichtbron, enkel afgeschermde armaturen gebruiken, doorstraling vermijden of blokkeren, neerwaarts of schuin verlichten en tenslotte een aangepast vermogen gebruiken met aandacht voor de reflectie-eigenschappen van de installatie. De stad probeert bij het lichtbeheer van het eigen patrimonium en bij de uitvoering van het lichtplan met deze principes rekening te houden. Bovendien kan de stad als bijzondere voorwaarde in milieuvergunningen opleggen dat er vooraf een lichtplan opgemaakt dient te worden om lichthinder te vermijden.
Rationeel energiegebruik
Sinds 1999 voert de stad een actie voor rationeel energiegebruik met als dubbele doelstelling zowel een aanzienlijke milieuwinst te boeken als een forse besparing op de energiefactuur te realiseren. Dat gebeurt door oude verlichtingsarmaturen te vervangen door energiezuinige exemplaren. Op deze manier realiseerde het stadsbestuur in 2005 al een daling van het energieverbruik met 11% ten opzichte van 1998. Maar dit geldt wel alleen voor de openbare verlichting, zonder de sfeer- en monumentenverlichting. Als je die laatste wel meerekent, leidt het lichtplan wél tot een verhoging van het energieverbruik: meer en nieuwe sfeerverlichting betekent immers ook meer verbruik. Volgens de energienota 2005 zal er tegen 2010, als het lichtplan volledig gerealiseerd is, een stijging zijn van het jaarverbruik voor openbare verlichting met 592 500 kWh, terwijl er nog 375 000 kWh bespaard kan worden via energiebezuinigende maatregelen. Dat betekent dus een meerverbruik van 217 500 kWh per jaar, wat ongeveer overeenkomt met het energierantsoen van 62 gezinnen.
(On)veiligheid
Een betere verlichting wordt ook geacht de veiligheid te verhogen, of toch in elk geval onveiligheidsgevoelens tegen te gaan. Dat méér verlichting de veiligheid zou bevorderen kan gerust een fabeltje genoemd worden. Wat verkeersveiligheid betreft is het verband zelfs omgekeerd: méér verlichting leidt juist tot meer en ernstiger ongevallen. Dat blijkt althans uit een uitgebreid Europees onderzoek op vraag van de verzekeringsmaatschappijen.
En ook criminaliteit en vandalisme blijken beter te gedijen in het licht dan in het duister. Dat mag dan al tegenintuïtief klinken, bij nader inzien is dat eigenlijk wel logisch: ook mensen met minder goede bedoelingen hebben immers baat bij een verhoogd waarnemingsvermogen. Probeer maar eens iemand te beroven of ergens in te breken in het volslagen duister. Veel succes!
KOEN DE STOOP

In ’De Gentse
In ’De Gentse Verlichting’ (TiensTiens, nr.11, 2007) maakt het Gentse Lichtplan een goede beurt. Auteur Koen De Stoop keek en zag dat het goed was. Zeer wel en zeer terecht. Het idee dat ‘meer verlichting ook tot meer veiligheid leidt’ noemt hij echter een fabeltje.
Hiervoor refereert hij aan niet nader genoemd Europees onderzoek naar verkeersveiligheid en appelleert hij verder aan het gezond verstand en het logisch denken. Hier tast de auteur echter in het intuïtieve duister. Hij gaat immers voorbij aan de verhoogde pakkans door herkenning in een verlichte omgeving. Criminologisch daderonderzoek leert immers dat een overzichtelijke ruimte ontradend werkt op intentionele criminaliteit door de verhoogde invloed van sociale controle. Inbrekers en straatschuimers verkiezen duistere plaatsen en willen vooral niet gezien of gehoord worden.
Of méér verlichting leidt tot méér en ernstigere verkeersongevallen weet ik zo niet. (cfr. Europees onderzoek) Ik ken de gegevens noch de methodologie van dit onderzoek. Een éénduidig verband tussen meer verlichting en meer ongevallen met lichamelijke schade lijkt erg onwaarschijnlijk. Meerdere factoren dienen dan ook te worden belicht.
Paul De Leener
Gent