



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Smurfendorpen en woontorens: Philippe Van Wesenbeek over stad en stedelijkheid
Phillipe van Wesenbeeck is diensthoofd Stedenbouw en Ruimtelijke Planning Gent. Tussen 1989 en 1994 heeft hij het project Antwerpen – Stad aan de Stroom mee op de rails gezet. Nadien heeft hij met een plangroep binnen de Vlaamse administratie het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen opgemaakt en tot 2003 mee gewerkt aan de uitvoering van vooral de stedelijke en economische projecten. Vanaf 2003 tot zijn aanstelling als diensthoofd einde 2004 was hij projectcoördinator voor het Project Gentse Kanaalzone.
> Wat doet de Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning?
“Ten eerste leveren we jaarlijks zo’n 2800 stedenbouwkundige vergunningen af. We geven bij iedere aanvraag een stedenbouwkundig advies aan het college van burgemeester en schepenen, dat op basis daarvan beslist. We begeleiden ook de stadsprojecten en private masterplannen zoals dat voor de Belgacomtoren. Wanneer een private investeerder een dergelijk project opzet, komt hij bij ons langs voor een voorbespreking. We volgen daarnaast de planningsprocessen zoals bij Flanders Expo. Ten tweede zorgen we voor de ruimtelijke planning. We regisseren vooral de planning en uitvoering van de 56 kernprojecten die in het Ruimtelijk Structuurplan Gent staan. Zijn er genoeg woningen, genoeg bossen en groen? Sommige projecten die we stedenbouwkundig belangrijk vinden voor Gent, zoals Ledeberg en zuurstof voor de Brugse Poort pakken we zelf aan. Dat geldt ook voor Wetenschapspark Reivissche en de Gasmetersite in het Rabot. Andere projecten zoals de heraanleg van het Sint-Pietersplein volgen we op.”
> Je spreekt over het Ruimtelijk structuurplan Gent. Hoe ga je om met de spanning tussen een beleid dat één legislatuur ver denkt versus het RSG dat veel verder vooruit moet denken?
“We moeten de uitvoering van het bestuursakkoord afwachten. Bij mijn weten staat er op dit moment niks haaks op het RSG. In Gent is er een opvolging door dezelfde bestuursploeg, waardoor je een langere termijnplanning krijgt. Het RSG is echter flexibel; het kan elke vijf jaar herzien worden. Onze dienst doet dan de evaluatie die we vervolgens voorstellen aan het College. Voornamelijk rond planning van bossen moeten we een tandje bijsteken. Ook woningbouw zal wat vlotter verlopen, nu er daarvoor meer ruimte is voorzien.”
> Bij de planning van stadsprojecten komen steeds verschillende schaalniveaus kijken zoals de Vlaamse overheid en de stad Gent, maar ook verschillende actoren zoals private investeerders, buurtcomités, burgers, middenveldorganisaties, enz. Filip De Rynck en Eric Corijn stellen dat stadsprojecten een oefening zijn in netwerksturing voor overheden, die uiteindelijk democratieversterkend zijn…Ziet u dat ook zo?
“Dat kan ik best illustreren met twee projecten die in uitvoering zijn: De Gentse Kanaalzone en Gent Sint-Pieters. Het eerste is een project van Vlaams Niveau. Vanaf het prille begin midden de jaren ’90, werd op twee sporen gewerkt: een strategisch-inhoudelijk en één bewonerswerking en bedrijvenoverleg. Daardoor ontstond vanaf het begin een informeel bestuurlijk netwerk tussen bewoners en de overheid. Dat is een keuze geweest om dat zo aan te pakken. Als je dat gaat vergelijken met Gent Sint-Pieters, dan is het verschil enorm. Vooral de NMBS heeft een heel gesloten manier van werken. Zij willen alleen met officiële diensten werken als de Stad Gent en de Lijn. De Stad Gent pleitte wel steeds voor een open communicatie en inspraak. Maar pas nadat een tweetal jaar geleden de grote lijnen waren uitgezet, werd een klankbordgroep onder leiding van Filip De Rynck ingeschakeld. Ik denk dat projecten zoals Ledeberg (zie TiensTiens 10 p.10) de noodzaak van open communicatie en zo’n informele netwerken zullen versterken. Voor de stad is dat een leerproces geweest. In het project Bruggen naar Rabot heb ik die opbouw redelijk gezien, in de Brugse Poort was dat voor mij – toen nog als buitenstaander - niet zo duidelijk…”
> Moet je niet streven naar een zekere integratie, waarbij je ook aspecten zoals leefmilieu, woonnoden, ruimtelijke ordening, leefbaarheid en sociale indicatoren, lokale economie,…betrekt?Ik heb het gevoel dat Zuurstof voor de Brugse Poort daar het hoogtepunt van was. Als je het project in Ledeberg bekijkt, zie je vooral ruimtelijke ordening…Mensen in Ledeberg moeten bijvoorbeeld zélf de wijk regeneren. Er is geen structureel woonplan dat de slechte huisvesting wil aanpakken?
“Daar heb je die integratie inderdaad nog niet. We moeten dergelijke projecten uitbouwen met verschillende diensten. Voor bepaalde gebieden zoals het Scharniergebied (Oude Dokken, Voorhaven, Meulestede) en voor de wijken Rabot en Ledeberg, hebben we een programmaregisseur van de dienst stedelijke vernieuwing die deze integratie moet garanderen. Zijn rol is het overzicht bewaren tussen de verschillende diensten en partners. Daarnaast werd in Ledeberg de keuze gemaakt om niet sterk in te grijpen in het bestaande kleinschalig woonweefsel. In Ledeberg zorgen die goedkope woningen in het binnengebied ervoor dat er geen verdringing ontstaat. Natuurlijk moet je het woningenaanbod wel verbeteren, maar er zullen altijd kleine woningen nodig zijn.”
> Het gaat niet om de grootte, wel om de kwaliteit. Bepaalde woningen en woonblokken zijn volgens de Gentse Woonbehoeftenstudie gewoon onleefbaar. Die moet je toch aanpakken? Trouwens, veel kleine woningen worden ook weggekaapt als starterswoningen door jonge gezinnen?
“Er zijn wel een aantal bouwblokken met een hoog aandeel ’onleefbare’ woningen. Toch zijn er ook instrumenten als bouwblokrenovatie om de kwaliteit te verhogen. Vooral de toegangspoorten en specifieke doorgangen tot Ledeberg zijn problematisch volgens mij. Bij de huisvestingsproblemen, zie ik vooral de huisjesmelkerij als een probleem. De hele Vlaamse Wooncode moet je maximaal gaan toepassen op Ledeberg. Je moet zorgen dat de huurprijs van woningen min of meer in evenwicht is met de kwaliteit. Samen met de Woonwinkel en de dienst Wonen zullen we hiervoor een pakket maatregelen uitwerken met vanuit stedenbouw vooral ondersteunende maatregelen gericht op de kwaliteit van het gebouw en de kamers, de toegelaten functies, de woningdichtheid en de omgevingsaanleg.”
> Wordt er genoeg aandacht besteed aan woonkwaliteit voor de meest kwetsbare groepen? Niet alleen het aantal woningen, maar ook de kwaliteit laat te wensen over. De bouwblokrenovaties zullen toch geen afdoend antwoord bieden op de renovatie- en woningbehoefte in Gent die oploopt tot 23.379 woningen of bijna een kwart van het patrimonium.
“Belangrijk is dat er nu in het bestuursakkoord de keuze wordt gemaakt voor een echt woonbeleid. Het stedenbouwkundige is daar maar één aspect van. Nu zijn we een woonbeleidsplan aan het voorbereiden op ruimtelijk niveau. Bijvoorbeeld de opdeling van woningen gaat te ver. De dienst woonbeleid moet vooral de prioritaire doelgroepen in kaart brengen. Een derde partner is het Stadsontwikkelingbedrijf (AGSOB) dat moet bouwen voor of projectkavels aanbieden aan een groep waarvoor de private sector niet meer bouwt en de sociale woningbouw geen antwoord biedt; namelijk het tussensegment van inkomens. Om er voor te zorgen dat voldoende sociale woningbouw wordt aangeboden kunnen we als dienst mee werken aan een verkorting van de tijd tussen plannen en uitvoeren en aan de kwaliteit van de woningen en de directe omgeving.”
> Er is veel kritiek op grootschalige projecten als Gent Sint-Pieters en de Oude Dokken aan de Dampoort die niet op maat van de buurt zouden zijn en dat Gent zich te veel wil profileren als Spektakelstad, zoals Bilbao en Amsterdam?
“Dat hangt af van welk perspectief je inneemt. Daar zit het verschil tussen iemand die de stad bekijkt vanuit een buurt en iemand die buurten ontwikkelt vanuit de Stad. Wij volgen het RSG waarin de keuze wordt gemaakt een grote stedelijke woonwijk uit te bouwen aan het station en aan de Dokken. Dat zijn projecten van het schaalniveau van de Stad. Uiteraard moet je linken maken met de wijk, maar zo’n plek heeft een stedelijke waarde boven het niveau van de buurt.”
> Voor veel mensen hebben dergelijke grootschalige projecten een grote impact op hun leefsituatie. Het verwijt dat zij lijden aan het NIMBY-syndroom (not in my backyard) en louter in hun eigen belang ageren plus de gebrekkige communicatie versterken hun frustraties. Er wordt een ideologische ruimtelijke keuze gemaakt voor de toekomst van de stad, waarvan sommigen het gevoel hebben dat die op hun hoofden terecht komt.
“Hoe communiceer je dat nog wanneer de keuze voor het Station al in 1997 werd gemaakt in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen? Dat structuurplan kwam er opdat er buiten de stedelijke gebieden niet nog meer verkavelingen zouden worden uitgebouwd, maar dat er vooral naar verdichting van het bestaande stedelijk weefsel zou worden toegewerkt. Die keuze om de stad als stedelijk gebied uit te bouwen werd in 2002 overgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Gent. Je kunt niet terugkomen op die fundamentele keuze In Gent zijn de Sint Juliaanstraat aan de Stropkaai en de wijk rond de Oude Beestenmarkt veeleer als antistedelijke verkavelingswijken te beschouwen. Dat zijn – oneerbiedig gezegd – smurfendorpen! Die plekken zijn daar veel te goed voor. Ik vind het zelf fantastisch om in een buurt te leven, waar je alle voorzieningen op wandelafstand hebt. De vraag voor mij is hoe je zo’n stedelijk verhaal overbrengt?”
> Je kunt zo’n verhaal wel brengen, maar dan moet je wel argumenten hebben. Waarom heeft Gent opeens zoveel Torens nodig? De vraag is of dit niet gewoon ideologische keuzes zijn? Dus waarom die fascinatie voor torens?
“Misschien zeggen onze opvolgers over 15 jaar inderdaad dat de keuze voor torens een foute keuze was. De fout die je niet mag maken is om mensen te dwingen in torens te wonen zoals bij sociale woningbouw. Je wordt geconfronteerd met een fundamenteel andere wooncultuur dan bij een gewone woonwijk. Je hebt veel mensen boven, onder, naast je…Het moet dus echt een bewuste keuze zijn, die trouwens weinigen zullen maken. De Oude Dokken en Gent Sint-Pieters kunnen een antwoord bieden op die beperkte vraag. Het voordeel met hoogbouw is dat je ruimte uitspaart.”
> De indruk bestaat dat investeerders en private actoren inspraak en toegang tot het beleid krijgen, terwijl bewoners worden geweerd uit de dialoog. Stadsbesturen spreken wel over ‘urban governance’; ‘netwerken’ en van “een samenwerkingsverband waarin publieke en private actoren hun eigenheid behouden en gezamenlijk een project ontwikkelen…”, maar in de praktijk gaat het vooral om private actoren die een belangrijke rol krijgen Is dit soort van PPS-constructies niet veel ondoorzichtiger dan de gangbare democratische bestuursorganen?
“Het gaat om de invulling van urban governance. Er zijn steden zoals Montpellier, Saint Nazaire en Nantes waar netwerksturing als bestuursvorm bij de stadsprojecten ingebed is. Je kunt perfect een sociaal verantwoorde stadsontwikkeling uitbouwen en tezelfdertijd op een efficiënte manier zaken aanpakken. Dat sluit elkaar niet uit! Het zijn ook niet voor niets steden die erg veel belang hechten aan een stedelijke ontwikkeling met aandacht voor sociaal gemengde wijken, herstructurering van industriële sites en banlieus en het uitbouwen van andere vormen van stedelijke mobiliteit met vrije tram- en busbanen en een netwerk van fiets- en wandelpaden.”
> Maar je wordt om de kop geslagen met het begrip ‘Urban Governance’, dat heel vaag is- en daarom sociaal klinkt, terwijl het in de praktijk het tegenovergestelde bewerkstelligt. Met die vaagheid worden praktisch bestaande machten en krachten verhuld.
“Je moet met die krachten en machten leren omgaan. Het is belangrijk begrippen als Urban governance goed te duiden. Je mag - en moet - een keuze maken met je stadsontwikkeling. Ik denk dat dit in Gent duidelijk is. Hier wordt op twee sporen gewerkt. Door de uitbouw van verschillende projecten worden meer jonge afgestudeerde koppels aangetrokken aan de ene kant. Met het geld dat die jonge gezinnen in het laatje brengen zetten we sociale projecten op voor de meest kwetsbaren, zoals betaalbare en sociale woningen.”
> Één van de krachten die in functie van private belangen leek te werken is het stadsontwikkelingbedrijf. Je kunt je toch wel afvragen of het AGSOB niet socialer of publieker zou kunnen functioneren.
“Bij veel stadsvernieuwingsprojecten zoals Zuurstof voor de Brugse Poort was de koers van de stad duidelijk. Daartegenover ontstond de indruk dat het AGSOB alleen een klaarstoommachine was voor de private sector of voor eigen projecten. Bij de nieuwe verdeling van het college is de schepen bevoegd voor stedenbouw ook de voorzitter van het AGSOB, zodat nu meer de stadsontwikkeling aan het stedenbouwkundig en het woonbeleid wordt gelinkt. Het samenspel met onze diensten is tevens versterkt en verbeterd. Het Stadsontwikkelingbedrijf kan zo mee het stedelijk beleid uitvoeren en het publiek belang kan beter naar voren worden gebracht.”
> Hoe ga je sociale verdringing of gentrificatie tegen? Brengt een project als de Oude Dokken bijvoorbeeld geen verdringing met zich mee?
“Om met de deur in huis te vallen: zolang we in een kapitalistisch systeem zitten, zal er verdringing zijn! Onvermijdelijk. In ons systeem wordt onophoudelijk waarde gecreëerd en wanneer gronden en buurten te waardevol worden, verdring je mensen. Je kunt wel corrigeren. Er zal zeker verdringing zijn in de Brugse poort, al zal dat beperkt blijven door de sociale woningbouw. Ik zwijg nog maar over de Rijsenbergwijk en Heirnis. Een overheid heeft de fundamentele keuze of je dit fenomeen versterkt of afremt. Gent kiest met de 20% sociale woningbouw bij private woonprojecten voor het laatste. Hierdoor krijg je nog min of meer gemengde wijken. Ook zijn gesloten gemeenschappen, afgesloten rijkere enclaves hier niet toegelaten, wat in Antwerpen bv. wél kan. Door zoiets toe te laten, laat je rijkere groepen zich afsluiten, waardoor verdringing versterkt wordt. Geef mij dan maar “het model” waar je verschillende inkomensgroepen probeert te mixen. Ook aan de Oude Dokken en de Dampoortsite zal er verdringing zijn; We zullen dit moeten opvangen.”
> Een laatste persoonlijke vraag: Hoe gaat een hedendaags technisch planner om met het gegeven dat “mensen de stad maken”?
“Dat is het verschil tussen een ‘technisch ingenieur’ en een stadsplanner. Als je met stedenbouw bezig bent, dan ben je sowieso met groepen en de maatschappij bezig en niet zomaar met materie. Die maatschappij wordt steeds gestuurd door machten en krachten. Die moet je leren zien, zodat je kunt anticiperen. Veel mensen werken dan ook hier net omdát ze het algemeen belang hoger achten dan het private belang. Dit maakt onze job niet altijd makkelijk omdat je als stadsplanner natuurlijk ook je eigen waarden hebt en die zullen niet steeds dezelfde zijn als deze van je bestuur waarvoor je werkt.”
PASCAL DEBRUYNE EN STIJN OOSTERLYNCK
