Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Filip De Rynck over de stad en haar bestuur

de stad herdacht 1.jpg
(foto: freddy willems)
filip De Rynck

“Maatschappelijke kloven vormen de grootste hypotheek die op de stad rust”

 

Steden doen er alles aan om zichzelf in de kijker te spelen. Ieder zijn festival, ieder zijn dichter en links en rechts wat postkaartwaardige architecturale hoogstandjes. Kortom, steden zijn weer hip, steden zijn weer tof. Of toch niet? Ons enthousiasme wordt al snel getemperd door professor Filip De Rynck die bestuurskunde doceert aan de Hogeschool Gent en de Antwerpse universiteit: “Er moet zeker niet te snel hoera geroepen worden over de heropleving van de stad. Steden mogen zich dan wel sterker profileren, de Vlaming staat nog niet meteen te trappelen om er zich ook permanent te vestigen. De fel begeerde tweeverdieners met kinderen vestigen zich in de regel nog steeds buiten de stad.”

 

Wanordebeleid

Hebben steden dat niet aan zichzelf te danken, aangezien ze via image building vooral focussen op het kapitaal van ondernemers en toeristen en te weinig op de huisvesting van haar eigen bewoners?

“Dat is een complex verhaal. Het is niet de schuld van de steden dat er overal in Vlaanderen gebouwd kan worden en dat de suburbane ontwikkeling daardoor zo’n enorme groei heeft gekend. Het ruimtelijke beleid op Vlaams en federaal niveau is daar wel verantwoordelijk voor, door de bewuste politiek van goedkope bouwgronden en van allerhande fiscale voordelen. Van een degelijk grond- en woonbeleid voor de steden daarentegen was er tot voor kort nauwelijks sprake. Dat staat in schril contrast met het huisvestingsbeleid bij onze noorderburen. In Nederland is 35 tot 40% van het woningenbestand eigendom van de overheid.

De kritiek op de stiefmoederlijke behandeling van het woonbeleid die ik geregeld in dit blad lees, vind ik ten dele terecht. Toch denk ik dat de stadsbesturen langzaam maar zeker het belang van een degelijk woonbeleid zijn gaan inzien. De filosofie achter Zuurstof voor de Brugse Poort bevestigt bijvoorbeeld de kentering die aanwezig is bij het Gentse stadsbestuur. In dat project is er enorme vooruitgang geboekt op het vlak van ruimtelijk kwaliteit, stedenbouwkundige stevigheid, architecturale discussies, participatie en netwerking met verscheidene actoren.

Gezien de omvang van de problematiek en gezien de beperkte middelen en instrumenten, verwondert het me niet dat sommigen dit slechts een druppel op een hete plaat vinden. Kritiek is altijd mogelijk, maar het is niet helemaal eerlijk om de huidige stadsbesturen met de vinger te wijzen voor het ruimtelijke wanordebeleid van de laatste 60 jaar.”

 

In hoeverre zijn stadsmarketing en het idee om een stad van onderuit op te bouwen te combineren?

“Een stad kan tegelijkertijd veel dingen doen op veel fronten, op veel niveaus en ten aanzien van veel verschillende doelgroepen. Waarom zou je bijvoorbeeld geen goed marketingbeleid kunnen voeren naar toeristen en investeerders en tegelijkertijd op wijkniveau van onderuit werken? Beide zijn perfect te combineren. Dat is nu net de complexiteit van het besturen van een stad.”

 

Project Gent Sint-Pieters

U bent voorzitter van de klankbordgroep voor het project Gent Sint-Pieters. Hoe staat u tegenover de aanpak van het stadbestuur?

“Gent Sint-Pieters is een heel ander verhaal dan Zuurstof voor de Brugse Poort. De Stad was er veel meer afhankelijk van andere actoren, zoals de NMBS en Eurostation. Eurostation denkt niet in de eerste plaats aan het stedelijke belang, maar is een commercieel bedrijf dat vooral geld wil zien.

Men zegt vaak dat de ergste vijand van een overheid een andere overheid is en het project Gent Sint-Pieters heeft dat nogmaals bewezen. Het vergt zoveel tijd en diplomatie om tussen de Stad, de Lijn, de NMBS en Eurostation tot akkoorden te komen, dat eens zo’n akkoord er is, het belang ervan zo groot wordt dat het bijna te laat is om nog over participatie te spreken. Echte participatie betekent dat plannen nog kunnen worden bijgestuurd. Dat is misschien nog wel het geval voor bijvoorbeeld de projectontwikkeling in de Fabiolalaan, maar niet meer voor de fundamentele beleidskeuzes die al gemaakt zijn. In de Brugse Poort was de marge daartoe aanzienlijk groter.”

 

Hoe staan de bewoners tegenover het project?

“Dé bewoners, wie zijn dat? De bewoners zijn een heel diverse groep. Buitensporig (de naam van een buurtcomité dat opkomt tegen de megalomanie van de stadsplannen voor de stationsbuurt, TT) is het actiefst. Ze verdedigen hun standpunten met veel bravoure en deskundigheid. Maar er zijn allicht ook bewoners en gebruikers van de buurt die het een goed project vinden dat kan zorgen voor een nieuwe dynamiek voor winkels, voorzieningen en scholen'

 

In hoeverre zijn de belangen van de buurtbewoners, de not-in-my-backyard-houding (NIMBY), te combineren met het algemeen belang?

de stad herdacht 2.JPG
(foto: freddy willems)
bewoner fabiolalaan

“Ik vind dat een heel gevaarlijk en simplistisch begrip dat te vaak door politici gehanteerd wordt om buurtcomités in een hoekje te duwen. Buitensporig vind ik geen voorbeeld van NIMBY. Dat zij zich zorgen maken over de milieulast en de mobiliteit in de buurt, vind ik niet meer dan terecht. Dat is voor mij ook vanuit het algemeen belang denken. Alleen zijn in dit project drie niveaus sterk met elkaar vervlochten: het wijkbelang, het stadsbelang én het Vlaamse belang. Neem nu de discussie rond fijn stof. Dat toont aan dat zo’n project het wijk- en stadsbelang overstijgt. Stel dat ooit blijkt dat in heel Vlaanderen het fijn stof daalt en in Gent Sint-Pieters stijgt omdat er meer mensen op de trein stappen om naar Brussel te gaan. Dan rijst de heel lastige vraag of dat dan goed of slecht is. Ik vind de zorgen van de buurtbewoners dus terecht, maar waartegenover weeg je ze af?”

 

Ongelijkheid

In een opiniestuk in De Morgen stelde u het volgende: “Stadsvernieuwing was een relatief eenvoudige klus vergeleken met de uitdaging waarmee bestuurders vandaag in stijgende mate in de onderkant van hun steden worden geconfronteerd, namelijk de ongelijkheid op het plan van wonen, werk en onderwijs. Daarop heeft het stadsbestuur tot dusver nauwelijks greep gekregen.”

“Ik ben niet de enige die dat zegt. Daniël Termont zei in een interview net hetzelfde. Ik heb de indruk dat de steden er via uitgekiende stadsprojecten kwalitatief op vooruit gaan, ondanks kritiek die daarbij mogelijk is. Maar een stad is natuurlijk meer dan stenen. De grote hypotheek die op de stad rust is de kloof tussen de gemeenschappen en de kloof tussen degenen die mee kunnen en degenen die dat niet kunnen.

Een zijn wel initiatieven op sociaal vlak en op het vlak van werktrajecten – bijvoorbeeld, Gent Stad in Beweging - maar het blijven experimentele en zelden structurele initiatieven. Ik vrees dat een stadsbestuur, en zelfs de Vlaamse overheid, weinig vat heeft op de trends die structurele ongelijkheid veroorzaken. Het beleid voert eigenlijk een afstandelijke politiek die alleen maar toekijkt hoe de markt neerslaat op en tussen mensen.

De kloven tussen gemeenschappen voel je niet zozeer op etnisch vlak maar ze vertalen zich des te meer in kloven tussen geloofsgemeenschappen. Pogingen om die gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen hebben geen effect, enkele uitzonderingen niet te na gesproken. Ook Gent worstelt met dat probleem. Hoe je dat doorbreekt is mij in alle eerlijkheid een raadsel. Ik denk dat ook vele politici dat niet weten.

Zo zie je dat een stad geen geïsoleerde entiteit is maar de gehele globalisering ondergaat, ook wat deze materie betreft. Als er een aanslag is in Madrid, Londen of waar dan ook, slaat dat ook neer in Antwerpen en in Gent. Ik ben misschien te pessimistisch maar ik zie relatief weinig beweging om daar tegen in te gaan. De enkele kleinschalige initiatieven die wel iets opleveren spelen zich dan ook nog af in de buurten waar er weinig problemen zijn tussen gemeenschappen.

Hopelijk heb ik het niet bij het rechte eind en is dit niets om ons zorgen over te maken. En misschien redeneer ik teveel vanuit een geromantiseerd beeld van de stad die er nooit is geweest. Maar vanuit de referentiekaders die we hebben zou een stad eigenlijk het bindmiddel moeten zijn tussen gemeenschappen en op dit moment zie ik net de tegenovergestelde tendens.”

 

Actie!

U bent een pleitbezorger van stedelijk activisme. Wat bedoelt u daar precies mee?

“Ik vertrek vanuit de vaststelling dat er in vergelijking met twintig jaar geleden een veel hogere politieke dynamiek is, maar ook een veel hogere maatschappelijke dynamiek. Beide zijn vormen van stedelijk activisme en gaan trouwens samen. Je kunt geen politieke dynamiek krijgen als er in het brede maatschappelijke veld ook niet van alles beweegt. Dan heb ik het onder meer over krakers, over mensen die een kerk bezetten voor mensen zonder papieren, over jongeren die met een muziekgroep experimenteren, enzovoort. Het maatschappelijke activisme is een voedingsbodem voor politiek activisme en omgekeerd. Ik vind dat heel positief. Dat is de kern van waar het in een stad om gaat: discussie, conflict, scherpe confrontatie en terzelfder tijd ook compromis en consensus. Het is een tendens die in verschillende landen te zien is en die zeker iets te maken heeft met de professionalisering van ambtenaren en politici.”

 

Gaat zo’n politiek stedelijk activisme niet ten kost van de democratische controle?

“Misschien net niet. Het hangt ervan af wat je onder democratie verstaat. De afgestofte inspraakprocedures en de hoorzittingen zijn slechts een fractie van wat echte democratische kwaliteit is. Denk maar aan de acties voor de mensen zonder papieren. Voor mij zijn dat uitingen van een bloeiende politieke praktijk en een democratisch forum. Op dat vlak ben ik niet pessimistisch want politici worden onvermijdelijk door dergelijke acties beïnvloed. Zie maar hoe de enorme rijkdom aan culturele initiatieven in Gent zich duidelijk weerspiegelt in de beleidskeuzes van schepenen en bestuurders.”

 

Uitgeholde gemeenteraad

Maar tegelijkertijd klaagt u over zwakke gemeenteraden en vreest u zelfs voor gefrustreerde lokale politici.

“Dat is een ander probleem, natuurlijk. Of dat in Gent ook zo is zouden we nauwkeuriger moeten bekijken. Maar ik verwijs daarmee naar het feit dat er zich in de stad een maatschappelijk veld ontwikkelt waar de gemeenteraad meer en meer buiten valt. Daardoor blijft dit veld dan ook onvertegenwoordigd. Dat heeft ook te maken met de marginalere posities die politieke partijen innemen in vergelijking met vroeger. De schepenen zijn nog min of meer maatschappelijk verankerd - die zijn allemaal ergens actief en binden mensen rond zich – maar de gemeenteraadsleden staan er alleen maar een beetje op te kijken.

We moeten dringend nadenken over hoe we die gemeenteraden kunnen hervormen, over andere manieren van werken en van debat organiseren. De debatten moeten veel diepgaander worden dan nu het geval is. Vandaag blijven de drijvende krachten binnen de stad weg uit de gemeenteraad en gaan rechtstreeks met de schepenen aan de slag.”

 

Heeft u ook een idee over hoe daar verandering in kan komen?

“Een beter statuut voor mensen die een volksvertegenwoordigende rol willen spelen is essentieel. Nu wordt de kloof met de weddes en de statuten van de uitvoerende politici steeds groter.

Verder moet de gemeenteraad losser komen te staan van die uitvoerende macht. Op dit moment wordt de gemeenteraad teveel gedomineerd door de uitvoerende macht en verdwijnt de wetgevende en controlerende rol van de gemeenteraadsleden teveel op de achtergrond.

Ook een betere organisatie is essentieel. Driekwart van de taken die de gemeenteraadraadsleden op zich nemen, kunnen perfect door schepenen en managers uitgevoerd worden. Dan kan de gemeenteraad zich veel diepgaander op de fundamentele, inhoudelijke discussies toeleggen. Daarin hebben we in Vlaanderen absoluut geen traditie.

Tot slot mogen de politieke partijen zelf niet verder blijven marginaliseren tot ze op den duur élke voeling met het maatschappelijke veld verliezen. Binnen sommige partijen leeft nu al de discussie over hoe ze zich kunnen openstellen voor actieve krachten uit de burgersamenleving en hoe die te betrekken in de partijwerking. Aan die mensen kansen geven met een beter statuut en met een betere werking, is voor mij een belangrijk perspectief. We staan er nog zeer ver af, voor alle duidelijkheid.”

 

BERBER VERPOEST