



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Barsten in het paradijs
Voor enkele luttele honderden euro’s boek je tegenwoordig een reis naar de Caraiben.
Eindeloze maagdelijke stranden, palmen vol kokosnoten en massieve bergtoppen aan de einder, het paradijs is slechts enkele muisklikken van ons verwijderd. Nergens brandt de zon zo fel, nergens zijn de tropische slagregens zo verfrissend. Piraten liggen er al eeuwen op de zeebodem, net als de beenderen van de honderdduizenden Afrikaanse slaven die in scholen stierven op zee of in bosjes op de plantages.
In de blinkende folders van het reisbureau zie je hier en daar een stokoude Cubaan die op zijn gitaar speelt tegenover een helblauwe zee. Salsa en merengue doen er ’s avonds de dijen draaien, zorgen voor blozende blikken en snijden de adem af. Er zijn flitsen van een magere rasta die met een bal speelt onder een scheefhangend balkon. Nu nog wat driesterrenhotels op de Bahama’s, Puerto Rico, Guadaloupe, Jamaica en Cuba (voorlopig nog steeds met Castro), Martinique, Barbados of de Dominicaanse Republiek en het plaatje van de Caraïben is compleet.
Maar in die creoolse smeltkroes van culturen en talen (Spaans, Frans, Engels, Nederlands en Creools) ligt er nog een land: Haïti. Door velen vaak ten onrechte verward met Tahiti, deelt Haïti een eiland met de Dominicaanse Republiek ergens tussen Cuba, Puerto Rico en Jamaica. Haïti was het eerste onafhankelijke land van Latijns Amerika en de Caraïben. De slaven kwamen er in opstand tegen de Franse kolonialen en sloegen in 1804 met succes de aanvallen van Napoleon af. Haïti was toen de parel van de Caraïben genoemd en leverde Frankrijk massa’s rijkdom op dankzij de gratis handenarbeid van die honderdduizenden slaven. Tot de onafhankelijkheid (26 jaar voor België!) en het afslachten van het handjevol blanken een einde maakte aan de slavernij.
Een vreemd land zag het licht. Een geïmporteerde bevolking uit verschillende Afrikaanse streken had de onafhankelijkheid uitgeroepen op een eiland waar hun voorouders tegen hun wil aan wal waren gebracht en de oorspronkelijke mensen allang waren uitgeroeid. Een bevolking die onderling een nieuwe taal had moeten uitvinden om elkaar te kunnen begrijpen, het Creools. Een rijke taal vol beeldspraak met invloeden uit vele Afrikaanse talen, het Frans, het Spaans, het Engels en de oorspronkelijke indianentaal van de Tainos.
Al bijna twee jaar adem ik nu de lucht in van Port-au-Prince, de hoofdstad van Haïti. Er zijn hier wel wat rastas, scheefhangende balkons en kokosnoten, maar verder geen maagdelijke stranden aan de horizon. Port-au-Prince is een onherbergzame stad aan de voet van de bergen in het centrum van Haïti. De zee klotst tegen haar sloppenwijken aan, buurten met bedrieglijke namen als Cité Soleil of Cité Éternel, en slokt het afval op dat van de rijkere buurten op de bergflanken met de regen naar beneden stroomt. In de hitte van de benedenstad waden de armen gedurende het hele regenseizoen door een dikke modderstroom met hopen plastiek en stukken oud ijzer. Als je daar aan iemand vraagt: “Komann ou ye, papi?” (Hoe gaat het met je, oudje?), dan zal het antwoord steevast één van deze drie zijn: “Piti, piti.” (“Klein, klein.”), “Pa pi mal” (“Niet slechter dan gisteren”) of “M’la” (“Ik ben hier, en meer valt daar niet over te zeggen”).
Tegenwoordig is Haïti het armste land van het westelijke halfrond. Met nauwelijks voorzieningen, felle erosie van de landbouwgrond door de ontbossing, veel vallende regeringen, 70% analfabetisme en honger. Dictaturen (de bekendste zijn Papa Doc en Baby Doc), nefaste buitenlandse inmengingen en neoliberale aanpassingen zorgden de afgelopen eeuw voor de ultieme nekslagen. Daarbovenop komt nu het geweld van gewapende bendes die sommige wijken van Port-au-Prince controleren. Er komen geen, maar dan ook geen toeristen, behalve de cruises die wekelijks in het noorden even aanleggen naast de oude stad Cap Haïtien, op ‘Paradijseiland’. Een prachtig strand om een namiddag te zonnen, maar niemand vertelt de toeristen dat ze in Haïti zijn. Om ze geen angst aan te jagen, want de naam Haïti is besmet door jaren van onstabiliteit en geweld.
Port-au-Prince is een stad van extremen. De veel te smalle wegen met veel te grote putten. De vele voetgangers en de afwezigheid van voetpaden. Hevige regenval en brandende zon. Stoffige vlaktes in het noorden en steile bergen in het zuiden. Het blauw van de Caraibische zee, het groen van de mangobomen en de dikke smog van de eindeloze slierten kuchende auto’s. De hoge poorten van de rijke (meestal lichtbruine) bezitters van de terreinwagens en het dikke eelt op de voeten van de (altijd zwarte) schoenpoetsers.
In de jaren vijftig en zestig telde Port-au-Prince nog geen 250 000 zielen. Vandaag telt de hoofdstad van Haïti naar schatting meer dan 2 miljoen inwoners, maar de voorzieningen zijn hetzelfde gebleven. Het afvalwater vindt haar weg allang niet meer in de oude afwateringskanalen en stroomt vrij over de straten. Drinkwater is schaars en mensen moeten, zelfs in de stad, soms uren lopen om een emmer op de kop te tikken. Een minderheid van de straten is geasfalteerd, bij regenval is de modder alomtegenwoordig. Elektriciteit is er meer niet dan wel en wordt dikwijls illegaal afgetapt met vele kortsluitingen tot gevolg. Port-au-Prince is chaos. En nog steeds ontvluchten mensen het platteland in de hoop in Port-au-Prince, of Potoprens in het Creools, een beter leven te vinden. Een hoop die doorgaans snel vervliegt eens ze de honderdduizenden in de sloppenwijken vervoegen.
In Port-au-Prince breiden de wijken zich in alle richtingen uit, zonder plan, zonder ingenieurs. Zowel rijken als armen bouwen zomaar overal. De huizen klimmen zonder fundamenten de bergen op, de laatste bomen worden er gekapt en de bodemerosie gaat gestaag verder. Bij zware regen spoelen soms halve buurten de diepte in. En dan begint alles weer van voor af aan. Plaats wordt erg schaars in Port-au-Prince en sinds de blauwhelmen van de VN-vredesmacht in Haïti zitten, zijn de prijzen van het vastgoed de hoogte ingeschoten. Veel mensen wonen met velen op één kamertje. Soms worden matrassen in het midden van de nacht doorgegeven aan de volgende slaapploeg. Privacy is hier een luxe; je moet er geld voor hebben.
Maar ik woon hier graag. Bijna alles is een avontuur en in Haïti wordt gelachen om de al te lege maag te vergeten en er wordt muziek gemaakt en gedanst. Schilderijen kun je op vele hoeken van de straten kopen en beeldhouwers maken prachtige reliëfs van het ijzer van olievaten. Voodoo is nog steeds springlevend en maakt samen met het Creools de fierheid uit van de Haïtianen. En als je in één van de kleurrijke taptaps de stresserende hoofdstad uittrekt, vind je parels van mensen die onderling wedijveren in ruige mooiheid tegen een achtergrond van maagdelijke stranden, tropische begroeiing en hoge bergketens.
Haïti is nog steeds de trots van de Haïtianen en bij hen ligt de hoop tot verandering. Hopelijk kunnen sociale bewegingen hier opnieuw groeien na al de zware tegenslagen die dit land al te verduren kreeg. Of misschien zouden de Haïtianen eens moeten proberen een land in het verre noorden in te palmen…
PIETER VAN EECKE, GROUPE MéDIALTERNATIF HAïTI
