Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Groot onderhoud: Arne Sierens

Het theater van de menselijkheid

foto 1.JPG
(foto: Freddy Willems)
Arne Sierens

Theatermaker Arne Sierens (1959) groeide op in de Brugse Poort in Gent. Als kind ging hij er elke zondag kijken naar poppentheater Magie. Daar ontstond zijn fascinatie voor toneel. Zijn doorbraak kwam er in de jaren ‘90 met de stukken Moeder & Kind, Bernadetje en Allemaal Indiaan, gemaakt in samenwerking met choreograaf Alain Platel. Sindsdien laat Sierens de zalen keer op keer vollopen. In 2006 richtte hij samen met Johan Heldenberghs en Marijke Pinoy ‘Compagnie Cecilia’ op. Een succesvolle tournee doorheen Brussel, Frankrijk en Wallonië met de Franstalige versie van hun Trouwfeesten en processies werd pas afgerond. “Er zijn mensen die specifiek naar onze voorstellingen komen. We hebben fans.” Een gesprek over kleine mensen met grote gevoelens en de fragiliteit van het leven.

 

> U bent opgegroeid in de Brugse Poort, een arbeiderswijk. Die omgeving heeft uw werk sterk beïnvloed. U woont intussen elders in Gent. Gaat u nog vaak terug naar de Brugse Poort om inspiratie op te doen?

“Ik ga daar regelmatig wandelen. Ik ken daar veel mensen. De volkse mensen die er wonen, bezitten een theatraliteit die interessant is om op scène te zetten. Die hebben hun ziel op hun tong. Ze zijn binnenste buiten gekeerd. Het zijn kleurrijke personages met een levendige verbeelding. Dat gebruik ik graag. Maar ik ga zeker niet romantisch doen over die plek. Ik vind dat eigenlijk een heel droevige en lelijke wijk. Ze is ook zeer ongezond, want ze is op moerasgrond gebouwd. Mensen gaan daar ook vroeger dood dan in andere wijken. De huizen zijn er wel van baksteen, maar eigenlijk blijft de Brugse Poort een sloppenwijk.”

 

> U vertrekt voor uw stukken vaak van ‘echte’ gebeurtenissen en dialogen. Trekt u de stad in op zoek naar bruikbaar materiaal of werkt u eerder met gebeurtenissen die vanzelf blijven hangen?

“Ik ben in de eerste plaats een straatschuimer. Ik loop heel graag rond; ik kijk graag. Soms ga ik naar plekken, niet specifiek op zoek naar iets, maar gewoon om er te zijn. Voor bepaalde projecten zoek ik wel heel actief: dan neem ik opnameapparatuur mee en interview ik mensen.

Voor het stuk Maria eeuwigdurende bijstand ben ik bijvoorbeeld samen met Titus de Voogdt gaan praten met de instructeur van de duikafdeling van de Gentse brandweer (De Voogdt speelt in het stuk ene Michel die aan het revalideren is van een duikongeval, TT). Dat gaat dan in eerste instantie over technische zaken. Maar als je die man hoort vertellen over duiken met zoveel kennis, woordenschat en liefde, dan is dat op zich al zo mooi dat je er een theatervoorstelling van zou kunnen maken. Dat pak je natuurlijk mee op scène. Wat die man zegt, hoe die loopt, … Door die man samen te vatten ontstaat een hele monoloog.”

 

> Uw manier van werken klinkt journalistiek. U verzamelt materiaal en verwerkt dat tot de essentie.

foto 2.JPG
(foto: Freddy Willems)
Arne Sierens

“Dat bijeen brengen van materiaal is een zeer belangrijke fase in het tot stand brengen van een stuk. Al maken we natuurlijk theater. Eens je op de planken staat, heb je te maken met de chemie op de vloer, en die is absoluut niet journalistiek. Daar is niets rationeels meer aan. Goed theater is zoals voetbal. Als de spelers elkaar vinden, ontstaat er een bijna mystieke toestand waarin alles mogelijk is. Dat heeft niks te maken met ratio of met techniek, al moet je wel veel techniek hebben om zo’n sfeer te kunnen bereiken. In beide disciplines moet je veel trainen en veel materiaal klaarleggen om tot die spirituele toestand te komen.

Als dat lukt, gaan mensen met elkaar babbelen. Niet van kop tot kop, maar van mens tot mens. In die droomfase ontstaat er een collectief verhaal. Met dat verhaal stap je naar je publiek, in de hoop dat het collectief nog groter wordt. Dat er een voorstelling ontstaat waarbij mensen niet nadenken, maar iets delen.”

 

> Kiest u daarom vaak voor een niet-traditionele scène, zoals een arena, of een ondergrond van ijs als speelvlak?

“Inderdaad. Om bijna tussen het publiek te gaan spelen. Het is een poging om de afstand tussen de spelers en het publiek op te heffen. Ik hou niet van de rechtlijnigheid van traditioneel theater. Daarbij staan de spelers in een soort pose burgerlijke waarden naar voren te brengen. Je moet hen geloven. Bij die alternatieve opstellingen is het anders. Je kunt als speler niks wegsteken. Je kunt niet vals spelen.

Denk bijvoorbeeld aan het ijs dat we gebruikten bij Maria eeuwigdurende bijstand. Dat is ontzettend glad. Een speler kan niet opkomen en even op techniek zijn tekst brengen. Na twee seconden ligt die al omver. Dus moet hij geconcentreerd zijn. Bovendien moet hij ronddraaien in een cirkel, alsof hij niet zeker is van wat hij aan het zeggen is. Het heeft iets hulpeloos en dat vind ik er zeer mooi aan. Het is een beetje zoals clowns in het circus. Het geeft een heel kwetsbaar beeld van de mens.”

 

> Uw personages zijn altijd mensen die mislukkingen te incasseren krijgen. Het noodlot is nooit ver weg.

“Het is echt vallen en opstaan met de mens. Dat zit vol goede bedoelingen en goeie voornemens, maar die houden geen vijf minuten stand. Iedereen legt geloftes af. Iedereen zegt ‘het zal mij niet overkomen’. Maar het overkomt hen wel. De mens is zo fragiel. Je zit snel in situaties die je niet meester bent. Iemand gaat ergens naartoe, hij wordt overreden door een auto, hij breekt zijn been en hij ligt drie weken in het ziekenhuis. Daar begint het voor mij. Dat is niet het noodlot, maar de noodlottigheid. Ik geloof niet in ‘de goden’, zoals in de tragedies waar de mens ineens voor zijn lot staat tegenover de grootheid van de dingen. Nee. De dingen gebeuren hier voor uw neus.

Geld speelt ook een grote rol. Rijke mensen voelen zich veilig. Maar het grootste deel van de mensen heeft geen vangnet. Je zult maar eens een vrouw van vijfendertig zijn met twee kinderen en geen diploma. Als uw vent dan weggaat, val je in de armoede. Punt. Of je zult maar eens van vreemde afkomst zijn in dit land; je zult maar eens Mohammed heten.”

 

> U geeft vaak sociale misstanden weer in uw stukken. Maakt u geëngageerd theater?

“Iets ontstaat nooit uit één gevoel, maar dat geëngageerde zit er zeker in. Ik probeer solidariteit op te wekken door uitdrukking te geven aan wat ons allemaal bindt. Ik vind medeleven belangrijk in deze tijden. Neem nu de hele discussie rond vreemdelingen. Ik vind dat die op een hallucinante manier gevoerd wordt. Zo reactionair. Volgens mij kun je alleen maar vaststellen dat vreemdelingen arm en ongeschoold zijn en ongelooflijk weinig kansen krijgen. Er wordt gezegd dat ze zich moeten aanpassen. Maar kijk eens in welke positie ze zitten! De maatschappij maakt het hen bijzonder moeilijk en zij zijn zelf communicatief gehandicapt. De meeste vreemdelingen die ik ken, willen, net zoals iedereen, het beste.

In de media wordt alles veel te eenvoudig voorgesteld: hij vindt geen werk, dus hij is dom. Dat vind ik gevaarlijk. Daarom is het belangrijk om in theater nuances af te dwingen, om niet bevestigend maar taboedoorbrekend te zijn, om de clichébeelden kapot te maken.”

 

> De mensen die u weergeeft op scène zitten zelden in de zaal.

“Het is moeilijk om hen te bereiken. Theater vergt voorkennis Dat is zoals leren lezen, je moet leren omgaan met bepaalde codes. Theater blijft iets van een middenklasse. Mensen met een lagere opleiding of van een lagere klasse die gaan niet zo vaak naar theater. Die kijken eerder naar VTM of die gaan naar het voetbal.

Er is wel een andere pluim die we op onze hoed mogen steken: als je ons publiek vergelijkt met een traditioneel theaterpubliek hebben we een veel bredere mix in de zaal zitten. De gemiddelde leeftijd van ons publiek ligt een pak lager dan in de meeste huizen. Er zijn ook veel mensen die specifiek naar onze voorstellingen komen. We hebben fans. En er zijn veel mensen die mijn stukken meepakken naar hun amateurtoneel. Schrikbarend veel. Ik zou elk weekend kunnen gaan kijken.”

 

> Uw theater wordt vaak volkstheater genoemd. Voelt u zich verkeerd begrepen?

“Nee, want er zit publiek in de zalen. Die stempel is wel lastig als het op geld krijgen aankomt. Want het zijn academici die in alle commissies zitten. Een bewerking van Shakespeare wordt sneller gesubsidieerd dan mijn stuk.

We zitten in een wereld waarin de ‘disneyficatie’ groot is. Ruim negentig procent van de ‘cultuur’ bestaat uit Samson & Gert, K3, de Notenkraker, het Koninklijk Circus, Shrek 3, The Bourne Trilogy,… Pas op, ik geniet enorm van een goeie achtervolgingsfilm in de Amerikaanse traditie. Maar het is natuurlijk allemaal ‘herkauwingscultuur’.

Dat wordt ook geëist van producers. Als ze de kerstshow van Samson & Gert in elkaar steken, moeten ze niet met nieuwe dingen afkomen. Integendeel, ze moeten vooral zorgen dat het hetzelfde is als de vorige keer. Dat is comfortabel. Het moet de mensen het gevoel geven dat ze veilig zitten. Zoiets heeft zijn functie, maar vernieuwend is het niet. Je moet niet verwachten dat in die hoek platformen gaan ontstaan waar nieuwe dingen gebeuren.

Daarom is het belangrijk voor de overheid om te kiezen voor niet-commerciële cultuur en daar hard in te investeren. Debuteer maar eens als jonge artiest binnen het huidige cultuurlandschap. Dat is echt wel knokken.”

 

> Zijn er nog jonge mensen die iets nieuws maken?

“Zeker. Ik denk aan Lotte van den Berg. Of Sanne van Rijn hier in Gent. Al werken die in een omgeving waarvan ik niet weet of ze zo interessant is om hun zoektocht maximaal verder te zetten (respectievelijk het Toneelhuis en NTGent, TT). Ik ben benieuwd hoe ze daar gaan evolueren. Het is heel spijtig dat er voor jonge theatermensen, door het beleid dat nu gevoerd wordt, geen andere mogelijkheden zijn dan zich aan te sluiten bij een van de grote huizen. Om je eigenheid te vinden als artiest is het essentieel vrij te zijn en keuzes te hebben.

Toch denk ik dat we in Vlaanderen een heel interessant theaterlandschap hebben. Als je het vergelijkt met Frankrijk, Engeland en Duitsland hebben wij hier een rijke cultuur. In landen als Frankrijk worden de Vlaamse theatergroepen die daar komen spelen op handen gedragen.

Wij hebben dat zelf ook gemerkt. Onze manier van acteren is verbluffend voor de Fransen. Ginder is alles heel beredeneerd en gebonden aan conventies. Als daar ineens een bende woeste honden uit Vlaanderen komt die terugkeert naar een theater dat heel direct met de zaal communiceert, worden de mensen gek. Die geloven niet dat je zo schaamteloos fysiek kan zijn, al die conventies opzij schuift en iets helemaal anders in de plaats kan zetten.”

 

LIEN DE COSTER

 

Van Arne Sierens wordt gespeeld:

  • eind februari Broeders van Liefde, in coproductie met Union Suspecte, Compagnie Cecilia en Het Paleis
  • eind april Altijd Prijs, met Compagnie Cecilia