Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De utopische stad

foto 27.jpg
Le Corbusier, maquette van het 'plan Voisin' voor Parijs

Mensen hebben zich altijd al voorstellingen gemaakt van hoe een ideale samenleving er zou moeten of kunnen uitzien. Voorstellingen van mythische paradijzen, luilekkerlandfantasieën en verbeeldingen van ideale samenlevingen in velerlei gedaanten doen al sinds de oudheid de ronde. In de loop van de zestiende eeuw werd de traditie tegelijk voortgezet en doorbroken met een krachtige nieuwe variant: de utopie.

 

De blauwdruk van More

Het startschot van de utopische traditie werd gegeven door Thomas More toen die in 1516 zijn ‘Utopia’ publiceerde. Het werk bestaat uit twee delen: een discussie tussen een groepje humanisten waarin een striemende kritiek geleverd wordt op de misstanden van de eigen samenleving en een verslag van een ontdekkingsreiziger die een land beschrijft waar al deze misstanden verleden tijd zijn. ‘Utopia’ blijkt een land te zijn dat volledig is opgebouwd volgens de plannen en inzichten van zijn stichter, de eerste koning Utopos. De Utopieërs hebben alle tegenstellingen, chaos en behoeftigheid die in het eerste deel van het boek beschreven worden overwonnen door de recepten van hun stichter strikt op te volgen. In Utopia wordt niets aan het toeval overgelaten; alles wordt op rationele basis georganiseerd, van de voedselproductie tot partnerkeuze en van arbeidsverdeling tot vrijetijdsbesteding. Bovendien is het privé-bezit opgeheven en is alles gemeenschappelijk.

Om het voortbestaan van Utopia te garanderen wordt er sterk geïnvesteerd in onderwijs en het bevorderen van de gemeenschapszin. Zo moeten alle maaltijden gemeenschappelijk genoten worden, draagt iedereen dezelfde kleren en woont iedereen in identieke huizen. De inwoners van Utopia zijn bovendien beperkt in hun bewegingsvrijheid. Wie aangetroffen wordt in een district waar hij niet als bewoner staat geregistreerd wordt opgepakt en ‘streng gestraft als deserteur’. Rondreizen mag alleen in groep en onder leiding van een officiële gids. Maar dat is een prijs die de inwoners - volgens de verteller althans - met graagte betalen.

Met zijn ‘Utopia’ heeft More niet alleen een naam geschonken aan een nieuw genre, hij leverde meteen ook een blauwdruk af met een aantal kenmerken die in alle utopieën terugkomen.

 

Een utopie is maakbaar

In een utopie zijn zowel de omgeving als de samenleving op rationele wijze maakbaar en beheersbaar. Een utopie vertrekt van een Plan (mét hoofdletter) en presenteert zich als radicaal alternatief voor het bestaande. Utopieën en utopische bewegingen geven dan ook een gedetailleerd beeld van het soort samenleving dat zij voor ogen hebben.

 

Het gaat om een samenleving

Dat klinkt misschien banaal, maar in een utopie gaat het niet om persoonlijke wensen, verlangens of idealen: een utopie heeft betrekking op een gemeenschap. Wil een utopisch project kans op slagen hebben, dan moet iederéén meedoen. Utopieën hechten dan ook veel belang aan ‘opvoeding’ (of propaganda en indoctrinatie, zo je wilt) en er heerst een strenge sociale controle. Bovendien zijn er strenge straffen voorzien voor wie zich niet wil schikken of het utopisch project in gevaar brengt. Er is weinig ruimte voor individualiteit. Alles moet gericht zijn op de gemeenschap

 

Een utopie is holistisch

Omdat in een utopie alles met alles samenhangt zijn deelverbeteringen of partiële hervormingen uit den boze. Een utopie gaat uit van een totale verandering van een gemeenschap. En eenmaal gerealiseerd krijg je een statische samenleving die sterk begaan is met zichzelf in stand houden. Creativiteit of experimenteerdrift worden niet geapprecieerd en kritiek al helemaal niet: in een samenleving die zichzelf als ideaal presenteert is kritiek namelijk overbodig. Utopieën zijn dus behoorlijk repressief en hebben veel weg van een politiestaat.

 

De samenleving die More beschrijft is een stedelijke samenleving. Utopia telt vierenvijftig steden waarvan er één uitvoerig beschreven wordt: de hoofdstad Amaurote. Dit is een nieuwe, volledig volgens plan gebouwde stad die bovendien als voorbeeld dient voor alle andere; de steden in Utopia zijn gestandaardiseerd en identiek.

More kent dus een grote waarde toe aan de mogelijkheid om een samenlevingsmodel ruimtelijk vorm te geven. Dat zou een definitie kunnen zijn van een utopische stad: de ruimtelijke vormgeving van een (nieuw) samenlevingsmodel. In de literatuur worden plannen voor ideale steden, zoals het ontwerp voor een ideale handelsstad door ‘onze’ Simon Stevin, vaak expliciet niet als utopische steden beschouwd. Het onderscheid is natuurlijk niet altijd even scherp maar met ‘ideale steden’ wordt verwezen naar stadsplannen die de politieke status quo aanvaarden terwijl ‘utopische steden’ verwijst naar plannen die nieuwe politieke verhoudingen willen introduceren.

tek A.jpg
(Cartoon: Aäron)

 

‘De evenknie van de schepper’

More lag zoals gezegd aan de basis van een uitgebreide stroom utopische geschriften, maar op de eerste pogingen om een utopische stad ook echt te gaan realiseren was het wachten tot de achttiende eeuw.

Een van de eersten die sterk geloofden in de mogelijkheden van architectuur om het menselijk gedrag te beïnvloeden en de samenleving te veranderen was Claude-Nicolas Ledoux. Volgens Ledoux lag alles – politiek, moraal, wetgeving, … - binnen het bereik van de architect die hij de ‘evenknie van de schepper’ noemde. Ledoux besteedde een groot deel van zijn leven aan het ontwerpen van een ideale industriële stad waarvan alleen de zoutfabriek werd gerealiseerd. Maar die zoutfabriek - de saline royale van Arc et Senans - is dan wel haast een stad op zich. Van deze stad met een ovale plattegrond wordt de noordelijke helft in beslag genomen door de eigenlijke zoutfabriek en de zuidelijke door de woongebouwen voor de arbeiders. Centraal staan niet een kerk of stadhuis maar het huis van de fabrieksdirecteur, wat een revolutionaire afwijking van een gebruikelijk stadsplan was. Even ongebruikelijk is de ruimte die de arbeiderswoningen kregen toebedeeld, net als de tuinen waarover ze konden beschikken. Het ontwerp werd door zijn tijdgenoten dermate buitenissig en zelfs shockerend gevonden dat het in eerste instantie verworpen werd. Ledoux werkte in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar toch was hij niet echt een volbloed revolutionair. De aanwezigheid van de arbeiders op het fabrieksterrein vergrootte immers de mogelijkheid tot controle en beheersing. Bovendien doet het ontwerp enigszins denken aan het panopticum van Jeremy Bentham, een gebouw waarin vanuit een centraal observatiepunt alle bewegingen van de bewoners kunnen worden gadegeslagen. Bij Ledoux fungeerde de directeurswoning als centraal observatiepunt van waaruit alles en iedereen op het terrein in de gaten kon gehouden worden. Het terrein zelf kon enkel betreden worden via een bewakingsgebouw.

 

Ontwerpers van utopische projecten behoren altijd tot de elite, te beginnen bij More zelf die één van de machtigste mensen van zijn tijd was. En bij de elite leeft altijd een zeker wantrouwen, onbehagen of zelfs angst ten aanzien van ‘de massa’. Vandaar allicht de preoccupatie met controle en beheersing die uit vele utopieën spreekt. Die totalitaire trekjes van utopieën vormden in de twintigste eeuw het uitgangspunt van een hele reeks ‘dystopieën’, waarvan Orwells ‘1984’ en Huxleys ‘Brave New World’ de bekendste zijn. Een dystopie wordt weleens omschreven als het tegenovergestelde van een utopie, maar het verschil tussen utopieën en dystopieën is eerder gradueel dan absoluut. In een dystopie wordt alleen consequent doorgedacht wat ook al in de utopie aanwezig is.

 

Gelukkige koeien

Tijdens de negentiende eeuw werden de opvattingen over steden steeds negatiever; steden werden beschouwd als chaotisch, vuil en als een bedreiging voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van hun inwoners; kortom als ware oorden van verderf. Naarmate de industrialisering vorderde en de levensomstandigheden van het volk verslechterden kwamen er ook pogingen om het lot van de arbeiders te verbeteren. Zo werden er verschillende ‘modeldorpen’ gerealiseerd, meestal onder impuls van ‘verlichte industriëlen’ die zich bezorgd toonden om het zielenheil van hun werknemers - bijvoorbeeld Le Grand Hornu bij Mons. Meestal ging het daarbij om de realisatie van woongelegenheid binnen fabrieksterreinen waarbij ook aandacht besteed werd aan nutsvoorzieningen, onderwijs én vrijetijdsbesteding. Dat alles moest de arbeiders in staat stellen een ordentelijk, deugdzaam en productief leven te leiden, ver weg van de verlokkingen van de steden. Want zoals elke boer weet: gelukkige koeien geven meer melk.

Maar er waren ook mensen die daarmee niet tevreden waren en verder wilden gaan. Bijvoorbeeld Robert Owen. Owen richtte nabij de katoenspinnerij in New Lanark, waarvan hij mede-eigenaar was, een modeldorp op voor de arbeiders met scholen voor de arbeiderskinderen, terwijl hij ook maatregelen trof om de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de arbeiders te verbeteren. Hoewel de zaken floreerden kwam hij in botsing met zijn mede-eigenaren (waaronder nota bene Jeremy Bentham) door zijn sociale opvattingen, waarop hij zich terugtrok en een nieuw bedrijf stichtte waar hij zijn ideeën over sociale hervormingen ten uitvoer bracht. Als remedie tegen de ellende van de arbeiders stelde hij de stichting van arbeidersdorpen voor, waar de industriële en agrarische productie elkaar zouden aanvullen zodat een toestand van zelfvoorziening (autarkie) zou ontstaan. Het gehele economische leven zou ten slotte op basis van zulke ‘villages of co-operation’ met eenheid van arbeid, consumptie en eigendom moeten worden georganiseerd. In de idee van samenwerking in productiegemeenschappen zag Owen een middel tot verheffing van de mens. Verschillende leefgemeenschappen gemodelleerd naar zijn ideeën werden ook echt gerealiseerd.

foto 26.jpg
Claude-Nicolas Ledoux, ontwerp voor ‘La Saline Royale d' Arc et Senans’.

 

Vuile handen

Ongeveer tezelfdertijd in Frankrijk stelde Charles Fourier de vorming van een netwerk van phalanstères voor, verenigd in een federatie onder een omniarch. In de phalanstères, die op vrijwillige toetreding moesten berusten, zou een ‘natuurlijke orde’ verwerkelijkt worden. De phalanstère zou plaats moeten bieden aan ca. 1600 mensen en de beschikking krijgen over 2000 ha land. Het centrale gedeelte was een Tour d’Ordre waarrond de gemeenschappelijke voorzieningen gelegen waren. De verschillende vleugels van het gebouw zouden elk voor één functie bestemd zijn. Fourier verafschuwde de industrie en wilde de nieuwe gemeenschappen autarkisch maken; landbouw, veeteelt en tuinbouw aangevuld met handwerk moesten het fundament van de economie vormen. Iedereen diende, om de arbeidsvreugde in stand te houden, regelmatig andere taken te verrichten. In de arbeidsverdeling met toenemende specialisatie die in zijn tijd aan het ontstaan was zag hij weinig heil. Opvallend is dat hij het minder prettige werk aan de kinderen wou overlaten, omdat die ‘geen hekel hebben aan vieze handen’. Fourier ontwierp ook een radiale modelstad bestaande uit drie concentrische zones waarbij opnieuw de verschillende functies van elkaar gescheiden zouden zijn.

Fourier zelf is er ondanks verwoede pogingen niet in geslaagd zijn plannen te realiseren, maar zijn stedenbouwkundige ideeën hebben wel een grote invloed gehad. Van alle pogingen om een phalanstère op te zetten was alleen de familistère van Guise, opgezet door Godin, succesvol. De familistère heeft zelfs meer dan een eeuw bestaan, tot in de jaren zeventig. Ook Godin geloofde sterk in de mogelijkheden van architectuur; volgens hem was de ‘sociale vooruitgang afhankelijk van de vooruitgang van de architectonische sociale voorzieningen’.

De familistère werd algauw een soort bedevaartsoord voor sociaal bevlogenen van diverse pluimage. Waaronder Emile Zola die niet meteen dolenthousiast bleek en zich vooral stoorde aan de schier eindeloze reeks voorschriften waaraan de bewoners zich dienden te houden. Want ook in Guise speelden beheersing en controle een belangrijke rol.

 

De modernisten

Eind negentiende, begin twintigste eeuw vonden architecten en stedenbouwkundigen aansluiting bij de avant-garde. De avant-garde is per definitie gericht tegen de traditie en dus ontvankelijk voor utopische projecten: in deze periode verschenen dan ook talloze nieuwe plannen.

De bekendste en invloedrijkste modernist is uiteraard Le Corbusier. Le Corbusier had een hekel aan de bestaande steden uit zijn tijd en hij geloofde dat nieuwe steden met veel licht, ruimte en groen ook een‘nieuwe mens’ en een nieuwe maatschappelijke orde zouden bewerkstelligen. In 1922 presenteert hij een model voor een ‘Ville Contemporaire pour trois millons d’habitants’ dat bedoeld was als een soort visionair richtplan voor stedenbouwkundige veranderingen. Opvallend is de uiterst ordelijke, rationalistische en duidelijk hiërarchische opbouw van de stad. Twee supersnelwegen kruisen elkaar in het centrum, waar een verkeersknooppunt ontstaat met verschillende verdiepingen. Hierrond zijn glazen wolkenkrabbers met kruisvormig plan gegroepeerd waarin de handels- en administratieve functies gevestigd zijn. Daarrond wonen de 60.000 burgers, d.w.z. de elite: industriëlen, wetenschapsmensen, intellectuelen, artiesten, … Voor hen voorziet Le Corbusier twee woonvormen: het dichtst bij het centrum bevinden zich de blocs à redents, appartementsgebouwen die zich als een soort meanders door het groen slingeren; verderop zijn villa’s rond binnentuinen ingeplant. Het centrum is omzoomd met een groene gordel, met recreatiegebieden; in het oosten strekt zich dan het industriegebied uit. De arbeiders wonen in een soort tuinsteden, in kleinere appartementen.

Le Corbusier beschouwde zijn plannen als universeel en overal toepasbaar en hij hield totaal geen rekening met de bestaande context noch met de bewoners. Het is duidelijk dat Le Corbusier zichzelf net als Ledoux als de evenknie van de schepper zag. In zijn ‘plan Voisin’ voor Parijs stelde hij voor vier vierkante kilometer gewoon plat te gooien en te vervangen door achttien met parken omringde wolkenkrabbers.

Tijdens de periode na de tweede wereldoorlog zijn de ideeën van Le Corbusier en co een tijdlang richtinggevend geweest voor vele stadsvernieuwings en -uitbreidingsplannen overal ter wereld. Met alle gevolgen van dien: eenmaal gerealiseerd bleken die vooral nauwelijks leefbaar te zijn.

In Brazilië werd zelfs een hele nieuwe hoofdstad opgetrokken volgens de modernistische principes. Maar ook hier bleek algauw dat, wat een modelstad had moeten worden, eerder een onleefbare spookstad bleek te zijn. Ruimte, licht en groen mogen dan wel ruim aanwezig zijn, door de grote afstanden en de doorgedreven functiescheiding waarbij elke economische activiteit zijn eigen zone heeft is Brasilia vooral een werkstad. Het voornaamste streven van de inwoners lijkt te zijn: er zoveel mogelijk niet te moeten verblijven. En dat is wel héél ver verwijderd van de idee van een utopische stad.

 

KOEN DE STOOP

 

De Stad van Morgen


Onder dit motto organiseert TiensTiens’ actiegroep Stoot van de Stad in 2008 een ambitieus drieluik over stedelijkheid.
We richten een thema-avond in rond stadsplanning, waarin filmpjes door studenten van de Sociale Hogeschool over de plannen rond het Dampoortstation afgewisseld worden met muziek, literaire reflecties en commentaar van deskundigen.
We zetten in samenwerking met theater Larf! een theaterproject op rond utopische steden, gebaseerd op interviews met verschillende Gentse bewonersgroepen. Het wordt een locatieproject dat tijdens de Gentse feesten van 2008 hernomen zal worden.
Tot slot organiseren we ook een tentoonstelling rond deze thema’s, waarin onder meer de ‘mental maps’ van verschillende groepen stadsgebruikers zullen worden in kaart gebracht.
 
Meer info en data