



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De reiziger in Michiel Hendryckx
“Laat een wiel draaien onder mijn gat en ik ben gelukkig”
Fotograaf Michiel Hendryckx (1951) is afkomstig uit Adinkerke, een dorp aan de kust. Als tiener wordt hij op internaat gestuurd in Gent, waar hij zich aanvankelijk erg ongelukkig voelt. Maar al snel maakt zijn onvrede plaats voor een gevoel van vrijheid en tot op vandaag is hij in Gent blijven wonen. Van op TV is Hendryckx bekend als reiziger. Voor het programma De Bende van Wim trok hij samen met acteur Wim Opbrouck en componist Jean Blaute op de moto door Europa. In Het Bourgondisch Complot vaarde hij met een vrachtschip van Gent naar Bourgondië. In 2007 kwam zijn fotodagboek Het mooiste licht is tegenlicht uit. “Ik vind mezelf een verteller, zowel in mijn foto’s als in mijn reizen.”
> Wat betekent de stad voor jou?
Hendryckx: “De stad is een zeer oud verhaal voor mij. Toen ik in het eerste leerjaar zat, zijn we van Adinkerke naar De Panne verhuisd. De eerste drie jaar van mijn humaniora heb ik daar gevolgd. Daarna ben ik, net zoals mijn twee oudere zussen, op internaat gestuurd. Mijn moeder was niet echt met kinderen bezig. Ik heb het haar ontzettend kwalijk genomen dat ik weg moest uit De Panne. Dat was toen nog helemaal ongerept. Het toeristische seizoen duurde nog maar twee maanden. De rest van de tijd was de gemeenschap volledig op zichzelf aangewezen. Die intimiteit van een te grote badplaats was voor mij een melancholische en inspirerende omgeving. Ik kon toen vanuit onze tuin tot in Frankrijk wandelen en onderweg kwam ik bijna niets tegen. Op internaat heb ik in het begin veel gedichten geschreven over hoe ik opgesloten zat in een kooi in Gent. Mijn kamer had mat glas. Om naar buiten te kijken moest ik het venster open doen. De eerste keer dat ik dat deed zag ik de befaamde torens. Al vrij snel had ik door dat dit de toekomst was. Uiteindelijk ben ik een vrij man geworden in Gent.
Eigenlijk was De Panne erg kleinburgerlijk in die tijd, en nu nog trouwens. Ik was blij dat ik weg was van de hypocrisie van West-Vlaanderen. Toen ik op kot zat in Gent had ik een lief dat vlakbij de Graslei woonde. Niet ver bij haar vandaan was een zuivelwinkel waar ze twee keer per week melk kwamen leveren. Ik ging dan helpen lossen zodat het verkeer niet te lang vast zat. Op een keer kwamen mensen mij zeggen dat ik direct contact moest opnemen met mijn moeder. Ik dacht dat er iets verschrikkelijks gebeurd was. “Awel, ik hoor dat gij niet studeert, maar dat gij werkt bij de melkboer”, zei ze. Dat de verstikkende mentaliteit van De Panne tot in Gent kwam, dat maakte mij ontzettend verdrietig.
Nu is Gent mijn habitat. Als ik twee straten omloop, kan ik bij tien interessante mensen aanbellen en koffie drinken.”
Gent-Kinshasa
> Voel je je intussen al Gentenaar?
“Nee, ik ben iemand van de kust. Ik voel me geen Gentenaar en wil ook geen Gentenaar zijn. Dat is een beetje mijn romantische kant. Ik hou van het gegeven te gast te zijn in een stad waar ik niet geboren ben. Ik ken de stad zeer goed natuurlijk, beter dan veel Gentenaars. Maar ik koester het gevoel nergens thuis te zijn, op de dool te zijn.”
> Zijn er plekken in de stad waar je steeds naar terugkeert?
“Zeker. Ik ben absoluut nog niet uitgekeken op de plek waar ik woon hier op de Muinklaan. Ook de Prinsenhofwijk, waar ik voordien woonde, is mij zeer dierbaar. Ik ga ook graag naar de zondagmarkt in Ledeberg. Ik hou van de internationale sfeer daar. Mijn vriendin woont op de Brusselsesteenweg. Als ik daar naar de Turkse bakker ga, heb ik soms een beetje het gevoel dat ik in Londen woon. Ik kom ook zeer graag in het centrum. Ik heb mijn vaste wandeling: ik koop vlees bij Aula, brood bij Bloch, ga naar de Slegte en probeer mezelf te verbieden iets te kopen, en dan naar Fnac, ook meer om te kijken dan om te kopen. Onderweg herinner ik mij dan dat ik nog iets nodig heb. Daar kan ik enorm van genieten: naar een Kruidvatwinkel gaan omdat ik geen shampoo meer heb.”
> Zijn de plaatsen waar je vooral komt ook de meest fotogenieke plekken van de stad?
“Absoluut niet. Ik heb twee fotoboeken van Gent gemaakt, maar dat is voor mij genoeg. Een frisse blik is een noodzaak om goed te kunnen fotograferen. Ik zou een interessanter fotoboek kunnen maken over bijvoorbeeld Barcelona dan over Gent. Voor die fotoboeken over Gent heb ik mij toen geforceerd om mentaal afstand te nemen. Ik ben verschillende keren met de auto en de fiets de stad binnengereden alsof het de eerste keer was.
Jammer genoeg kan je nu niet meer met de auto over de Sint-Michielsbrug de stad in zoals vroeger. Ik vind het een volledig verkeerde beslissing om dat te verbieden. Dat was een ongelooflijk spectaculaire entree in de stad! Beneden zie je de torens niet en boven op de brug waait het landschap open. Die sensatie heb je als voetganger veel minder.
(Op dreef) Het autovrij maken van de binnenstad is sowieso veel te drastisch gebeurd. Straten zijn van vanouds verkeersaders, al reden er vroeger karren in plaats van auto’s. Ik vind de stad ontsmet, alsof men de kakkerlakken, dat zijn dan de auto’s, eruit gespoten heeft, alles weg. Je voelt dat ook. Ik weet dat ik een van de weinige mensen ben die dat vinden, maar als je door de Kuip loopt, mis je het verkeer, je voelt dat daar iets weg is. Het is artificieel. Men zou op zijn minst ‘s avonds terug verkeer moeten toelaten in de stad. Niet vanuit een middenstandersmentaliteit, maar voor de sfeer.
Ik woonde vroeger in de Veldstraat, toen er nog auto’s doorreden en de tram in de file stond tussen de auto’s en de mensen daartussen de straat overstaken. Dat was een ongelooflijk toffe plek. Gelukkig rijdt de tram er nog door nu. Maar we moeten dringend terug meer chaos toelaten in de stad, dat is de charme ervan.
Ik ben voor mij werk pas drie dagen naar Kinshasa geweest. Hoe komt het denk je dat iedereen die naar daar gaat terug wil? Het is daar allemaal naar de kloten, maar toch komt er iets op je af van wow! Dat is die chaos. Hetzelfde met de Nederlanders die en masse naar Frankrijk vluchten als ze twee dagen vrij hebben. De Nederlandse samenleving is nog meer georganiseerd dan de onze. Daar slepen ze na een uur je auto weg als je fout parkeert.”
Reizen op gevoel
> Is die voorliefde voor chaos een van de redenen waarom je vaak naar het zuiden reist? Bourgondië keert bijvoorbeeld vaak terug in je reisprogramma’s.
“Het fascinerende van in Vlaanderen geboren te zijn, is dat we op de wip zitten tussen twee culturen. We spreken een Germaanse taal, maar zijn in hart en nieren Latijnen. Dat is een geprivilegieerde mix. Daarover ging Het Bourgondisch Complot. In de Bourgondische tijd, door het huwelijk van Margaretha van Maele met de hertog van Bourgondië, kreeg Vlaanderen een injectie van het zuiden. Hoe kort de Bourgondische periode ook is geweest, ze was zeer bepalend voor wie we zijn. Mijn vader, die een grote flamingant was, zei soms: “Als ik u mag geloven zijn wij eigenlijk Fransen die toevallig Nederlands spreken.” Waarop ik: “U hebt de perfecte analyse gemaakt”. Daar ben ik echt van overtuigd! Wij zijn een bastaardvolk. Het was hier altijd een slagveld, want het was hier plat en rijk. Soldaten werden niet betaald, dus roofden en verkrachten ze. De Vlaming als ras is een mengelmoes van al wat je maar kunt bedenken, we hebben duizenden invloeden.”
> Jouw reizen blijven vaak dichtbij huis. Voel je nooit de behoefte om verder weg te gaan?
“Reizen is meer een gevoel voor mij. Bij De Bende van Wim vond ik ook dat we bij het overgaan van de grens al een gevoel moesten hebben van “wauw, we zijn al ver”. Reizen is een ingesteldheid, dat heeft niks te maken met kilometers of afstand. Ik kan op zondag de auto nemen, naar Brussel rijden en me op reis voelen. Zelfs al rijd ik bijna iedere dag naar Brussel voor mijn werk. Het is een knop omdraaien en zeggen: nu ga ik op reis en niet naar mijn werk. Het is jezelf in een soort nulstand zetten, onbevangen en nieuwsgierig zijn.
Al ga ik inderdaad heel vaak terug naar plekken waar ik al veel geweest ben. Dat is nostalgie naar mijn eigen leven, me telkens opnieuw ijken op die plek. De Mont-Saint-Michel is bijvoorbeeld zo een plek. Ik vind het fantastisch, die baai en hoe het licht zich daar afspeelt. Ik ben daar zeker al twintig of dertig keer geweest. Als ik naar het zuiden rijd, durf ik daar al eens speciaal langs te rijden.”
> Je kiest meestal voor niet alledaagse vervoersmiddelen: te voet met een pakezel, per boot, met de moto, …
“Het idee van de boot komt van het productiehuis. Maar de traagheid die daar aan verbonden was, stond mij wel enorm aan. Al zou ik nooit zo’n boot kopen. Ik heb ook veel te voet en met de fiets gereisd. Een motorfiets heb ik altijd gehad, al van mijn achttien jaar. Ik ben op dat vlak een beetje een verwend kind, dat is speelgoed voor mij. Ik weet niet wat het is met de moto, het heeft iets te maken met wiegen. En met romantiek. Maar ik rijd ook zeer graag met de auto en ik zit ook graag op de trein. Als het maar beweegt. Laat een wiel draaien onder mijn gat en ik ben gelukkig. Dat heb ik misschien van mijn ouders, die hebben ook altijd veel gereisd.
Ik ben ook nooit voorbereid. Zeg mij nu “we zijn weg”, en een kwartier later sta ik hier klaar. Mensen vragen mij “waar slaapt gij dan?”, maar dat is toch geen probleem in Europa! Vroeger stonden we aan de oprit van de autosnelweg. Dan liftten we. Als ze ons vroegen waar we naartoe wilden, vroegen wij “naar waar rijdt gij?”. We lieten de bestemming afhangen van de chauffeur. Zo heb ik verschillende reizen gemaakt. Niet ver, tot in het centrum van Frankrijk en dan terug. Die manier van reizen is voor mij zeer evident.”
> Zijn je reisprogramma’s voor TV eigenlijk een excuus om op reis te kunnen?
“Ja, alle excuses zijn goed, ook als ik voor de krant kan reizen. Al is een reis ook een zeer interessante en organische manier om een verhaal te vertellen. Denk maar aan de road movie. Ik vind mezelf een verteller, ook in mijn foto’s. Reizen zijn een manier om een verhaal te vertellen. Het Bourgondische verhaal kon ik bijvoorbeeld alleen maar vertellen door op reis te gaan.
Twee ezels (het boek waarin Hendryckx verslag uitbrengt van zijn voettocht met muildier Odin naar aanleiding van zijn veertigste verjaardag, nvdr) is een heel ander verhaal. Ik had geen midlifecrisis of problemen of wat dan ook. Ik wilde die reis maken als een soort cesuur in mijn leven. Het was absoluut niet de bedoeling daar bekend mee te worden. Ik had veel boekomslagen gemaakt en voor uitgeverijen gewerkt als vormgever. Toen ik terugkwam van mijn reis kreeg ik een telefoontje van Lannoo. Ik had een sabbatjaar genomen en had nog twee maanden over. Toen heb ik op mijn eerste computer dat boekje geschreven en het werd een groot succes. Die dingen gebeuren, ik heb geen masterplan.”
Deemoed en verwondering
> Je werkt als persfotograaf. Was dat een bewuste keuze of rolde je erin?
“Ik wist al vroeg dat ik persfotograaf wilde worden. Ik werd gedreven door een sociale bewogenheid en wilde mijn talenten gebruiken om de maatschappij bewuster te maken. Ik wilde, via de schoonheid van foto’s, mensen leren kijken en ik wilde voor de krant gaan werken om een groot publiek te bereiken dat dagelijks mijn werk zou zien. Ik ben links, maar ik ben wel bij een rechtse krant gaan werken. “Change the system from within”, die gedachte. Nu ben ik mijn naïviteit daarover grotendeels kwijt, maar toch is wat ik wilde niet helemaal mislukt. Voor ik bij De Standaard ging werken, werkte ik bij De Gentenaar. Op de redactie kwamen toen brieven aan om te zeggen hoe goed de foto’s waren. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Zo kreeg ik stimulans. Op de academie vonden mijn leraars het trouwens waanzin dat ik mijn talent vergooide aan krantenpapier.”
> Wat is voor jou een goeie foto?
“Een goeie foto is een duidelijke foto. Fotografie is taal, dus een foto moet eenvoudig en helder articuleren, zoals wanneer je spreekt of schrijft. Een foto mag ontroeren, aanspreken, mooi zijn, maar hij moet in de eerste plaats communiceren. Hij mag wel gelaagd zijn, hè, al komen de meeste mensen toch nooit verder dan de bovenste laag. Nu goed, dat zijn lessen in nederigheid. Maar een foto moet dus werken. Ik vind het ook fantastisch als foto en artikel elkaar versterken.
Voor mij is mijn vakkennis als fotograaf de grootste bron van geluk in mijn leven. Seks is ook fantastisch, maar mijn job komt toch op de eerste plaats. Ik herinner me nog goed toen ik, een paar jaar nadat ik afgestudeerd was, werkte voor de krant. Ik zat op een roze wolk omdat alle technische bagage eindelijk evident was geworden. De angst dat het er niet zou opstaan, die permanente stress, viel plots allemaal van mij af. Ik had eindelijk al die parameters in mijn vingertoppen, ik was virtuoos aan het worden, ik kon het echt. Sindsdien is fotograferen niet langer een bron van stress, de controle is naar de achtergrond verdwenen. Ik kan bezig zijn met de essentie. En dat is het vertellen van een verhaal. Daar geniet ik nog elke dag van.
Ik hou ook van de nederigheid van een krant, dat er ‘s avonds aardappelen worden geschild op mijn werk. Het staat daar op mijn muur geschilderd: “deemoed en verwondering”. De verwondering, dat is ook journalistiek: hoe is dat daar bij die man thuis? Hoe spreekt die? Hoe gaat die reageren als ik hem fotografeer? Op een bepaald moment heb ik tegen een collega gezegd dat hij beter met pensioen zou gaan. Hij was zo cynisch geworden! “Het zal wel weer van dat zijn”, zei die altijd. Als het wel weer van dat is, moet je niet meer verder werken. Je moet een primaire nieuwsgierigheid hebben. Als journalist ben je maar een medium. Je staat tussen het onderwerp en de lezer. Ik ben ergens, ik fotografeer, ik zet dat in de krant. Ik ben maar een schakel tussen onderwerp en lezer. Ik hoef geen vedette te zijn, ik moet bijna afwezig zijn in wat ik doe, ik moet gewoon zo goed mogelijk die transfer maken.”
> Voel je nooit de behoefte zelf iets te doen waar ze jou voor komen fotograferen?
“Ik heb eventjes van het BV-schap mogen proeven toen ik dingen deed op TV. Die aandacht is zeer verleidelijk en vleiend, maar het is allemaal zeer dunnetjes. Daarnet stapte ik ergens binnen, en een man kwam naar me toe omdat hij van zijn vrouw mijn boek Het mooiste licht is tegenlicht cadeau had gekregen en mij herkende. Dat vind ik veel interessanter dan iemand die mij herkent omdat ik op TV kom. Pas op, op Het Bourgondisch Complot heb ik zeer veel inhoudelijke reacties gekregen van mensen. Dat is natuurlijk plezierig. Maar in mijn fotografie wil ik geen stijl hebben. Ik wil niet dat mensen zeggen: “Ah, nen Hendrickx”, ik wil dat ze zeggen: “Ah, Jean-Luc Dehaene” of “Ah, Verhofstadt”. Ik ben niet het onderwerp van de foto.”
LIEN DE COSTER
Ik ben ook op zoek naar het
Ik ben ook op zoek naar het boek van Michel Hendryckx, heeft u het al gevonden? IJe kunt het wel lezen op het internet, maar ik zou het graag willen hebben. Met groet Alette.

Ik ben wanhopig op zoek naar
Ik ben wanhopig op zoek naar het boekje "Twee ezels" van Michiel Hendryckx. Het lijkt onvindbaar.
Heeft iemand tips?