



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Stefan Hertmans over Steden: na het boek, het interview
Erwin Mortier mag dan al de nieuwe stadsdichter zijn, geen enkele (van oorsprong) Gentse dichter heeft meer over steden geschreven dan Stefan Hertmans. U kent hem van het gedicht op de zijgevel van de Vooruit en misschien iets minder als docent aan de Gentse kunstacademie. Na dit interview kent u bovendien zijn mening over Vlaamse steenratten, vergeetplaatsen en postkaarturbanisme, maar laat dat u vooral niet tegenhouden om verder te lezen.
> In uw boek Steden beschrijft u hoe Brussel voor de Brusselaars een stad is geworden die ze zelf nauwelijks vorm kunnen geven, omdat ze door allerlei invloeden van buitenaf wordt bepaald. Gelooft u dat de Gentenaars meer vat hebben op hun stad?
Hertmans: “Ik denk dat Gent haast een pilootstad is op dat vlak. Ze is klein genoeg om te kunnen beheersen. Bovendien heeft ze een heel actieve, bewuste maar niet al te rijke middenklasse: studenten die na een emanciperende periode aan de universiteit blijven plakken. Ze trekken de wijken in, knappen er een huisje op en interesseren zich voor hun buurt. Veel meer dan bijvoorbeeld in Brussel, want Brussel is van niemand. Maar een Gentenaar wil dat zijn stroate preuper es. Die ingesteldheid creëert een erg op elkaar betrokken gemeenschap, die toch niet gesloten is. Vandaar ook de grote drang naar participatie en inspraak. Gentenaars zijn daar best fier op. Ik vind wel dat Gent soms evolueert naar een postkaart. Het is hier zo clean, het is doods om 11 uur ’s avonds. Ik mis de ambiance van de periode toen ik nog op de Korenmarkt uitging en het daar ongelooflijk stoomde. Er gebeurde van alles, het leek veel meer een stad. Nu neigt het soms een beetje naar een groot Brugge.”
> Naast het stadscentrum - de gezellige, leuk verlichte postkaart - heb je nochtans de 19de-eeuwse industriële gordel met wijken zoals de Brugse poort of de Muide, die minstens even gezellig of bruisend kunnen zijn…
Hertmans: “Inderdaad. De demografische bewegingen die zich buiten het centrum afspelen zijn minstens zo interessant. Het is iets wat me steeds geboeid heeft: daar waar er wat verval is, groeit het nieuwe, daar komen de jonge mensen zonder geld, kopen een huisje en brengen nieuwe ideeën en initiatieven met zich mee. Ik behoor tot die generatie van dinosauriërs die nog in het Patershol woonde toen ze daar een parking wilden maken. Je kon er een huis kopen voor de prijs van een auto! Aan de andere kant heb je de spindoctors van ‘t stad die zeggen: ‘Oh, interessant, nieuw leven in de buurten met kunstenaars en zo, misschien moeten we dat wat managen’. Zo een buurt wordt dan opgewaardeerd en de groepen die oorspronkelijk vernieuwing brachten, schuiven weer op naar goedkopere wijken. Ik geloof dus niet echt in opwaarderingen die door urbanisten worden gepland. Een stad moet meegaan met de demografische beweging en die is ook steeds economisch bepaald.”
> In Steden heeft u het ook over het gebrek aan visie op stadsontwikkeling. Een project als het Zuid noemt u een voorbeeld van een Ceausescu-paleis. Ook de Oude Beestenmarkt, de vroegere overdekte veemarkt die volgens u een architecturale parel was, werd neergehaald om er woontorens van erbarmelijke kwaliteit op te trekken. Het Patershol beschrijft u als een buurt waar “restaurant naast bistro, een inhalige pseudo-alternatieve commercie de weekendbezoeker het gevoel moet geven dat hij iets alternatiefs aan het doen is”. Is de visie op stadsontwikkeling er de afgelopen jaren wat op vooruitgegaan?
Hertmans: “Ik denk dat heel wat wijken inderdaad leefbaarder geworden zijn door het beleid van de afgelopen jaren. Maar ik ben een schrijver, ik moet natuurlijk wel eens mijn pen gebruiken om het feestje te vergallen en de vinger op de wonde te leggen. Het kapotgaan van de Beestenmarkt heeft me echt pijn gedaan.”
> Mijn vader vertelt soms nog over het Zuid…
Hertmans: “Ik heb mensen zien wenen toen ze in het Parkhotel aan het Zuid de boel verkochten. Dát was Gent. Daar kon je e k
