



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Tuin van Eden
Van onze reporter ter plaatse
Een beetje doelloos op wandel langs een van de vele oevers die Gent rijk is. Een zomerse middagzon wierp haar heerlijke warmte af, en ik liep over een smal aarden paadje met links van me het water, en aan mijn rechterzijde tuintjes. De twee oevers gonsden van het leven: miertjes, bijen, muggen en vlinders genoten samen met enkele hengelaars van het moois dat dit stukje natuur te bieden had.
Ik vleide me even neer op het zachte gras in de nabijheid van een visser, en het duurde niet lang of ik staarde even dromerig als hij naar de dobber die op het zacht kabbelende water dreef. Waar zou hij van dromen, of genoot hij gewoon gedachteloos van deze heerlijke namiddag?
Een uurtje later besloot ik op te stappen, en ik vervolgde mijn weg langs de oeverbank. Al snel bereikte ik het einde van dit mooie pad en stootte ik op een drukke baan. Van dromen was geen sprake meer: de bloemen en bijen waren nu vervangen door drukke mensen in snelle auto's, het gras door asfalt. Haastig keerde ik op mijn stappen terug, liep naar de overkant van de rivier en baande me een weg doorheen het verwaarloosde, hoge struikgewas waarmee het pad was afgezoomd. Ik begaf me blijkbaar niet op onontgonnen terrein, sluikstorters waren me reeds voor geweest.
Een honderdtal meter verder stootte ik op de restanten van een oude fabriek. Ik wandelde door de verlaten fabriekshallen en probeerde me in te beelden hoe het vroeger moest geweest zijn. Ik zag honderden mannen en vrouwen werken voor waarschijnlijk bitter weinig geld, ik zag de imposante trappenhal die naar enkele ruimes leidde waarop 'directie' stond vermeld.
Wat later bevond ik me in een gedeelte van de fabriek dat er als een herenwoning uitzag. De vloer van de eerste verdieping was ingestort, zodat de twee schoorsteenmantels als het ware in het niets hingen, beide nog netjes boven elkaar, alsof ze ieder moment hun vlammen tentoon zouden spreiden. Een nogal lugubere tekst stond op één van de schoorsteenmantels geschreven: "WE GAAN NAAR DE HEL MIJN KIND. MAMA EN PAPA". Konden deze muren maar spreken. Wat was hier in godsnaam allemaal gebeurd?
Ik liet de fabriek voor wat ze was en vervolgde mijn weg. Buiten heerste meer bedrijvigheid. Het pad was nu bezaaid met stenen en stukken verroest metaal, en in de verte hoorde ik het geluid van kwakende kikkers. Die hadden blijkbaar een goede habitat gevonden in de gevulde waterreservoirs: waterplanten gaven de luidruchtige beesten beschutting tegen de zon. Dit gedeelte van de fabriek was door de natuur naar haar hand gezet.
De begroeiing werd nog dichter, en het paadje zocht zich een weg naar wat een heuveltje leek te zijn. Boven aangekomen kon ik mijn ogen niet geloven. Honderden waterlelies versierden een glinsterend meer, grote loofbomen wierpen hun schaduw op het stille water, een reiger op zoek naar een lekker maal scheerde over het wateroppervlak.
Ik vleide me neer op het zachte gras. Even verderop zat een visser dromerig naar zijn dobber te kijken. Waar zou hij van dromen, of genoot hij gewoon gedachteloos van deze heerlijke namiddag?
PATJE
