



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Maarten Loopmans: Een geografische kijk op armoede
Maarten Loopmans is sociaal geograaf en docent ruimtelijke planning aan de Erasmushogeschool in Brussel. Hij doet onderzoek naar stedelijk beleid en ruimtelijke ordening. Maar zijn vroegste interesse ging uit naar stedelijke armoede. Hoe geraakt een geograaf geïnteresseerd in armoede?
Loopmans: “De sociale geografie aan de KU Leuven heeft met Chris Kesteloot en Henk Meert een stevige traditie in onderzoek naar armoede. Zij maakten een hele reeks ‘armoedeatlassen’ waarin de geografische spreiding en concentratie van armoede in kaart gebracht worden. Het probleem was dat zij telkens uitkwamen op dezelfde concentraties van armoede in achtergestelde stedelijke buurten, waar dan min of meer dezelfde analyse van sociale polarisatie als gevolg van flexibele arbeidsmarkten en marktcompetitie aan gekoppeld werd. Ik vond die geografie op zich niet zo interessant, wel waarom daar na alle armoede-analyses en atlassen zo weinig aan veranderde.”
“Zo raakte ik geïntrigeerd door stedenbeleid, vooral door de impact van de machtswissel van socialisten naar liberalen. In de wetenschappelijke literatuur werd de omslag naar een neoliberaal en ondernemingsgericht stedenbeleid al lang beschreven, maar het leek of die al die tijd aan Vlaanderen voorbij ging. Een neoliberaal stedenbeleid vertrekt vanuit de dominantie van markt, maar in de Vlaamse realiteit speelden een hele reeks andere factoren mee: de historische antistedelijkheid, de uitholling van de stedelijke fiscale basis door de stadsvlucht van de rijkere bevolkingsgroepen en de competitie tussen de stadskern en haar rand. Dit laatste is belangrijk: in de internationale literatuur gaat het vooral over de competitie tussen steden om toeristen, investeringen en rijkere inwoners, maar in Vlaanderen concurreert de stad in de eerste plaats met haar randgemeenten. Steden proberen in de eerste plaats goedverdienende middenklassers uit de stadsrand terug te lokken.”
“De marktconcurrentie tussen steden begint volgens mij pas nu een rol te spelen in België. Brussel stelde onlangs haar ‘Plan de Développement International’ voor, terwijl Antwerpen een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) ontwikkelt voor het aantrekken van de hoofdkantoren van grote bedrijven.”
> Wat heeft een geograaf te vertellen over armoede?
“Volgens mij kan je het armoedebeleid niet los zien van de geografische kijk van het beleid op armoede. Eind de jaren ‘80, er was toevallig net een armoedeatlas gemaakt voor Antwerpen, viel het ondermeer de socioloog Marc Swyngedouw op dat de geografie van de Vlaams Blokkiezers en die van de stedelijke armen samenvielen. Uit die analyse ontstond de idee dat de armoede - en zo ook het Vlaams Blok - bestreden moest worden door wijkontwikkeling in achtergestelde stedelijke buurten.”
> Armoede wordt steeds meer gebiedsgericht aangepakt. Wat zijn de sterktes en zwaktes van een gebiedsgerichte aanpak van armoede?
“Het beleid heeft altijd een geografische kijk, want het is territoriaal georganiseerd. Gebiedsgerichte werking is daar maar een deel van. Eigenlijk is er niets inherent goed of slecht aan een gebiedsgerichte aanpak. Vanuit het perspectief van de armen is er geen voordeel aan een stedenbeleid in vergelijking met een nationaal sociaal beleid. Het is belangrijker te kijken wat de drijfveren zijn achter een bepaald beleid. Zo is het interessant om te zien waarom bijvoorbeeld een sociale mix op wijkniveau wordt nagestreefd. De meeste geografen zijn daar blind voor omdat ze gedreven zijn door de idee dat sociale mix goed is; het zou sociale mobiliteit mogelijk maken, het samenleven verbeteren, etc…Deze hypothesen worden aldoor getest in allerlei onderzoeken. Maar dat is vaak helemaal niet de reden waarom een beleid of het maatschappelijk debat om sociale mix schreeuwt. In Vlaanderen is sociale mix vaak een eufemisme voor: ‘wij willen minder vreemdelingen’. Het maatschappelijk debat gaat over de assimilatie van vreemdelingen en het spreiden van overlast.”
“Een geografische of ruimtelijk geconcentreerde inzet van middelen en beleidsinstrumenten is best te verantwoorden wanneer er slechts een klein budget is. Voor de rest lijkt wijkontwikkeling in termen van armoedebeleid mij onzinnig. Eigenlijk vind ik het vreemd dat er zoveel belang gehecht wordt aan een gebiedsgerichte werking. De grote verhalen van sociale emancipatie van bewoners die aan wijkgerichte werking worden opgehangen lijken wat overdreven. Het nut van lokale tewerkstelling creëren op wijkniveau ontgaat me. Het openbaar vervoer in onze steden is goed genoeg om zich te verplaatsen. Ik geloof niet dat mensen automatisch meer geïnteresseerd zijn of zich meer betrokken voelen op het wijkniveau. Ik denk dat de inwoners van Antwerpen dikwijls liever mee willen discussiëren over de herinrichting van de Scheldekaaien of de bouw van de Oosterweelverbinding dan over allerlei wijkproblemen. Ze worden echter op andere, hogere schaalniveaus gewoon minder aan het woord gelaten. Ik begrijp ook niet waarom samenleven altijd op wijkniveau wordt aangepakt. Waarom zouden mensen minder problemen met elkaar hebben omdat ze elkaar face-to-face ontmoeten of buren zijn?
> Je analyseerde de overgang van het Sociaal Impulsfonds (SIF) naar het Stedenfonds.
“Binnen de steden en de administratie bestond al een tijdje de analyse dat steden er ook fiscaal bovenop gebracht moesten worden. De ambities van de steden strookten dus al lang niet meer met het eerder sociale beleid van het SIF. Ze wilden de middenklasse terug aantrekken en waren ervan overtuigd dat ze de stad er niet bovenop konden brengen zonder een ander woonklimaat te scheppen. Maar de stadsbesturen ontbeerden de middelen om grote projecten te financieren. Rond de SIF-fondsen hingen nogal wat ‘verworven rechten’ voor de sociale sector, dus was het moeilijk om daarmee nieuwe dingen te doen. Daarnaast was er de fiscale impuls: de steden wilden niet eindeloos afhankelijk blijven van de hogere overheden. Tenslotte kwamen de liberalen in 1999 opnieuw aan de macht. Zij redeneerden meer vanuit een economische ontwikkelingsvisie en wilden niet tot de oneindigheid geld voor een sociaal beleid in de steden pompen.”
“Het Stedenfonds laat veel meer lokale autonomie toe dan het Sociaal Impuls Fonds. Dat zit in haar structuur ingebakken, maar ook de administratie van het Stedenfonds is veel zwakker dan die van het SIF. Het Stedenfonds heeft ingespeeld op de ambities van de steden en verschoof de focus van armoedebeleid naar stadsontwikkeling. Zo werden veeleer de kansen dan de problemen van de steden benadrukt. De gemeenten hebben de hen aangeboden mogelijkheden niet laten liggen en er is volgens mijn analyses een duidelijke verschuiving van middelen in die richting.”
“Het idee om middenklassers naar de stadscentra aan te trekken is voor mij niet noodzakelijk vies, maar de manier waarop dit gedaan wordt is niet altijd mooi om te zien: sociale verdringing zorgt voor stijgende levenskosten en vaak ook mindere leefkwaliteit; want wie moet verhuizen doet dat doorgaans niet naar een betere woning of wijk. Anderzijds moet wel gezegd worden dat steden relatief veel sociale woningen bouwen en Antwerpen en Gent een bepaald percentage sociale woningen trachten af te dwingen in hun nieuwe projecten, al zijn dat dan wel vaak koopwoningen. Steden moet voor mij ook niet heiliger zijn dan de paus. Sociale woningen zijn niet enkel de verantwoordelijkheid van de stad. Maar de randgemeenten, waar de grond stukken goedkoper is, doen echter niets. Ze hebben daar electoraal immers geen baat bij.”
> Was er aan het sociaal beleid van de SIF geen visie op alternatieve vormen van economische ontwikkelingen gekoppeld?
“De idee van wijkontwikkeling die in de praktijk gebracht werd door de Buurt Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) richtte zich heel sterk op economische ontwikkeling voor en door de lokale bevolking. Het bedrijvencentrum Noord-Oost Antwerpen heeft echter nooit gewerkt want zodra de subsidies wegvielen, stonden de lokalen leeg. Toen hebben ze de voorwaarde dat de bedrijven voor lokale werkgelegenheid moesten zorgen laten vallen. Je kan immers maar eisen stellen zolang je er iets tegenover kan zetten, zoals goedkope huurprijzen. Mij lijkt het voor Antwerpen wel belangrijk te mikken op laagdrempelige economische sectoren. Eigenlijk wordt er weinig aan economische ontwikkeling gedaan. Steden mikken via hun stadsontwikkelingsbeleid nog heel sterk op wonen en het aantrekken van de middenklasse.”
> Het stedenbeleid wordt aangestuurd vanuit verschillende beleidsniveaus: lokaal, Vlaams en federaal. Levert dit problemen op voor de coherentie van het beleid? Werken al die beleidsniveaus in dezelfde richting?
“Vroeger werd daar wel over geklaagd door de steden maar ik heb de indruk dat ze het nu bijna als een voordeel zien. De steden hebben genoeg ervaring opgebouwd om goed te weten hoe ze verschillende geldpotjes kunnen aanspreken om hun eigen visie uit te voeren. Het project van het Schipperskwartier bijvoorbeeld werd in Antwerpen uitgedokterd, waarna men ging uitzoeken waar men daarvoor geld kon vinden. Vroeger zou het eerder in de andere richting zijn gegaan; dan stelde bijvoorbeeld Vlaanderen een aantal eisen en probeerde men een project te schrijven dat daaraan beantwoordde.”
“Die professionalisering van de steden is het resultaat van het stedenbeleid. De dominante actoren in het stedenbeleid zijn nu de stedelijke administraties. Ze leerden niet enkel strategisch inzetten op verschillende subsidiepotjes, maar weten nu ook beter hoe te werken met de vastgoedsector. De steden hebben autonoom bedrijven opgezet, een vastgoedbeleid ontwikkeld. Ik vind dat een goede zaak. Steden kunnen nu meer pro-actief en politiek gaan werken in plaats van zich te laten meeslepen door de omstandigheden. Je kan steden nu wel verwijten dat ze het verkeerde beleid voeren, maar niet langer dat ze niet weten wat ze doen.”
“Wat wel beangstigend is, is dat steden steeds meer bewust inspelen op interstedelijke competitie. Daarbij gaat men in de eerste plaats uit van het economisch ontwikkelingspotentieel. We moeten goed beseffen dat ongeveer 90% van de bebouwde omgeving in steden privaat is. Via PPS proberen steden te sturen wat de private sector bouwt. Dat is niet onlogisch, maar de betrokkenheid van de private sector als voorwaarde stellen voor publieke investeringen lijkt me te verregaand. Er zijn nu eenmaal buurten waar de private sector niet graag investeert en net daar zijn vaak de noden het hoogst; de overheid moet ook daar haar verantwoordelijkheid blijven nemen.”
> Je schrijft dat stadsvernieuwing in Antwerpen, bijvoorbeeld in de Atheneumbuurt, zich via de ‘totaalaanpak’ steeds meer vermengt met veiligheidsbeleid.
“Als je in een achtergestelde wijk woont, is er een grote vraag naar veiligheidsbeleid. Je wordt geconfronteerd met criminaliteit, agressie, drugsspuiten in de goot, enzovoort. Het is sociaal onrechtvaardig om mensen dit aan te doen, zeker als je vergelijkt met de gemoedelijke situatie in rijke wijken. De fout in Antwerpen-Noord is dat veiligheid er meer en meer ook over verkoopbaarheid gaat. Het veiligheidsbeleid lijkt niet ingegeven door doelstellingen van sociale rechtvaardigheid, maar door de ambitie de wijk te kunnen verkopen. Dat heeft als gevolg dat moeilijker verkoopbare wijken het maar met wat minder moeten doen. Het risico bestaat zo dat op het De Coninckplein, waar prachtige, maar soms wat vervallen herenhuizen staan, veel grotere inspanningen voor veiligheid worden geleverd dan op het Stuivenbergplein waar het vastgoed wat minder potentieel heeft. Daar komt nog bij dat de inzet op het De Coninckplein verweven is met een vorm van Feryn-racisme. Op het plein worden vooral junks en zwarten geviseerd. Die groepen zijn moeilijk te verkopen aan een blank middenklasse publiek en moeten van het plein verdwijnen. Tegelijk krijgt de aangrenzende Van Wesenbekestraat een oriëntaalse inrichting omdat men wel graag een Chinatown heeft om mee uit te pakken.”
“Het geeft ook de moeilijkheid aan die men in Antwerpen heeft om om te gaan met de multiculturele realiteit. Terwijl men vroeger vooral vond dat er wat scheelde aan de tolerantie van de Vlaming, wordt er nu weer gehamerd op het feit dat nieuwkomers er vooral niet te anders mogen uitzien. In een steeds multicultureler wordende stad als Antwerpen kan je niet enkel vanuit de blanke bevolking vertrekken. De grenzen van het multiculturele samenleven zouden het thema moeten vormen van een breed stadsdebat, maar het huidige beleid lijkt hier nog niet voor open te staan; aan het hoofddoekenverbod is ook geen enkele inspraak voorafgegaan. Interessant aan de discussie rond het de Coninckplein is hoe verschillende bewonersgroepen in interactie zijn getreden met het stedelijk beleid. Verschillende groepen hebben een strijd uitgevochten over de definitie van het plein: moet het een levendig multicultureel uitgaansplein blijven, of moest het een rustig plein worden? Interessant om zien was hoe de kansen voor verschillende groepen keerden naargelang het Antwerpse beleid voor de wijk nieuwe visies ontwikkelde en bewonersgroepen hun discours strategisch wisten om te bouwen om hun karretje erbij aan te haken. Het idee van bewoners versus het stadsbestuur is dus te simpel: het is heel vaak bewoners met bestuur tegen andere bewoners. Voorlopig heeft - tot mijn spijt, want ik vond die Afrikaanse café’s zelf heel plezant - het cappucinoplein het gehaald.”
> Het Antwerpse spektakeldossier bij uitstek is de Oosterweelverbinding. Wat is jouw visie op dit dossier en de rol van de kwaliteitskamer? In hoeverre was er ruimte voor afwijkende visies van actiegroepen en buurtcomités?
“Ik vind de Oosterweelverbinding ronduit slecht. Het alternatief tracé van Straten-Generaal is vanuit het perspectief van een leefbare stad veel beter en het is heel verdacht dat dat voorstel niet in overweging wordt genomen. Het is duidelijk dat in het huidige plan de mens geen afwegingscriterium is geweest. Ik zou zelfs meer zeggen: als er toch wegen moeten worden gebouwd zou men veel beter zijn geld steken in de Grote Ring rond Antwerpen, zodat die kankerverwekkende slurf die nu dwars door het hart van de stad loopt kan worden omgevormd tot een écht park in plaats van de schaamlap die de Groene Singel nu in het beste geval zal worden. De Oosterweelverbinding is een anti-humane en antisociale infrastructuur: het ontziet de leefomgeving van de rijkeren die erop in de file staan maar het belast de armeren die er rond wonen. En het belast per kilometer weg veel méér mensen: de bevolkingsdichtheid in de buurten rond de huidige ring is gemiddeld tien keer hoger dan rond de ooit geplande grote ring.”
STIJN OOSTERLYNCK EN PASCAL DEBRUYNE
