



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
(hemi)Sfeer opsnuiven in De Cirk
Mijn utopische stad is een stad van ontmoetingen. Een stad waar wonen, werken, ontspanning en cultuur hand in hand gaan, door elkaar heen en niet naast elkaar. Een utopie mag dan een niet te verwezenlijken ideaal zijn, initiatieven in die richting bestaan. Eén daarvan is een project in de Zebrastraat: De Cirk. Een cirkelvormig complex waarvan zowel de architectuur als de bestemming aandacht verdienen. Wonen in een socio-culturele omgeving, luidt er het motto. Bewonderenswaardig en inspirerend in een tijd waarin teruggetrokkenheid troef is.
Even een stap terug in de geschiedenis. Zowat honderd jaar geleden, in het begin van de twintigste eeuw, tekende architect Charles Van Rysselberghe, de toenmalige stadsarchitect van Gent, de plannen uit voor een sociaal wooncomplex in de Zebrastraat. De Gentse Huisvestingsmaatschappij, indertijd nog onder de naam Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, bouwde het complex en was er gedurende een kleine eeuw eigenaar van. Een gebouw met een bijzondere architectuur: een cirkelvormig appartementencomplex rond een halfbolvormig binnenplein. Door die hemisfeer en de cirkelvorm er rond kreeg het in de volksmond algauw de naam ‘De Cirk’. De sociale woningen hadden opmerkelijk meer comfort dan de beluiken in die tijd en trokken zo de Gentse arbeiders aan. Tot kort voor de Tweede Wereldoorlog werden ze vooral bewoond door textielarbeiders. In de loop van de 20ste eeuw onderging de omgeving van de Zebrastraat een grondige facelift. De dierentuin bijvoorbeeld, waaraan nu alleen de straatnamen in de wijk nog herinneren, verdween. Ook het Zuidstation verdween en moest plaats ruimen voor het Albertpark. De omgeving veranderde, het complex veranderde mee. De huisvestingsmaatschappij bouwde in de loop der jaren bijvoorbeeld twee verdiepingen bij waardoor het woningaanbod aanzienlijk vergrootte. In totaal kwamen er zo tachtig appartementen en nog eens twintig huisjes aan de straatkant. Al die tijd bleven het sociale woningen. Het complex bleef lang bewoond maar de laatste inspanningen van de huisvestingsmaatschappij dateerden alweer van de jaren tachtig en negentig. Bij gebrek aan middelen verloederde het gebouw en werd het steeds minder bewoond, de ondergang tegemoet. De Gentse Huisvestingsmaatschappij had geen geld voor de nodige renovatie en wilde van het complex af.
Toen de Stichting Liedts-Meesen het gebouw kocht eind 2002, begin 2003, was het in een erbarmelijke staat. Alain Liedts, voorzitter van de stichting: “In theorie stond het leeg maar het werd nogal deftig gekraakt. We hebben bij de opruiming heel veel drugsspuitjes gevonden, het was blijkbaar ook een prostitutie-oord geworden en er werd mij ook verteld dat het zelfs dienst deed als een doorgang voor Kosovaren naar Zeebrugge.”
Maar met de verkoop aan de Stichting Liedts-Meesen was de toekomst verzekerd. De stichting realiseert projecten ‘in de maatschappelijke, sociale, culturele en communicatieve sfeer en in de filosofie van de rechten van de mens en de mondialisering’ (naar de statuten van de Stichting Liedts-Meesen). Ze knapte het gebouw op en gaf er een nieuwe bestemming aan. En al gauw werd duidelijk dat dit niet volgens de wetten van de bouwsector zou gebeuren. “Wij zijn geen bouwpromotoren”, zegt Alain Liedts, “je zou het eerder een hobby kunnen noemen, een fantasma misschien.” Inderdaad, Alain Liedts doet het niet voor de kost. Professioneel zit hij in de wereld van de informatica, telecommunicatie, verspreiding en beheer van informatie. En alles wat hij in dat domein heeft gedaan, moest naar eigen zeggen nog uitgevonden worden. Dat opnieuw uitvinden heeft hij doorgetrokken naar dit project: “Ik vind het altijd spijtig dat architectuur verloederd en afgebroken wordt in plaats van gerenoveerd. Economisch gezien is het beter om het af te breken en opnieuw van nul te beginnen. Maar wij hebben duidelijk gekozen voor renovatie. Dit was geen verplichting, maar ik heb gevraagd om dat in de akte te zetten, wat natuurlijk bepaalde promotoren afgeschrikt heeft.” Renoveren dus, tegen de economische wetmatigheden in. En zo ook met de nieuwe bestemming van het gebouw. “We willen een combinatie maken tussen woningen, een kunstforum en ontmoetingsruimten voor vergaderingen, debatten, lezingen, cursussen, ...” Anders dan de meeste bouwprojecten waar de eerste zorg is het geïnvesteerde geld zo vlug mogelijk terug te verdienen, is winst hier niet de eerste prioriteit. “Hier is het winstoogmerk de historische site. Maar natuurlijk moet ook dit project opbrengen om het gebouw te kunnen onderhouden zodat de waarde ervan behouden blijft of zelfs verhoogt.”
Een historische waardevolle site maar wel modern ingericht, want Alain Liedts wil het beste brengen op technologisch vlak. Een voorbeeld daarvan is dat de deuren van de vergader- en kunstzalen én van de woningen niet met sleutels opengaan maar met badges. Wonen in De Cirk lijkt dus in geen enkel opzicht op wonen elders in de stad. Enkele belangrijke verschillen vallen op. Zo is er het autoluwe karakter van het project. De reden voor die keuze is volgens Alain Liedts heel simpel: “Omdat deze site dat vraagt. Het zou totaal tegen de zin van Charles Van Rysselberghe zijn om van het binnenplein een parkeerplaats te maken. Het idee was om daar een kalme plaats van te maken waar de mensen rond groen of rond water kunnen zitten, waar er een soort veiligheid is.” Ook in het gebouw zelf is er geen plaats voor auto’s: “Dit gebouw gaan wijzigen om er garages in te maken, zou ook een afbreuk zijn aan de architectuur. Autoluw is gewoon de beste oplossing, niet omdat ik dat wil of omdat de hele stad autoluw zou moeten zijn, maar omdat het hier past. Bovendien gebruikt het publiek dat wij wilden aantrekken zelden of nooit een auto.”
En dat is het tweede aspect van dit bijzondere woonproject: het trekt een specifiek publiek aan omdat de huurcontracten – anders dan in de sociale en particuliere woonsector – contracten van korte duur zijn. Geen normale wettelijke 3-6-9-contracten dus. “Je zou het kunnen omschrijven als een langdurige hotelkamer. Hoewel het ook geen hotel is. Er zijn mensen die voor drie maanden huren, of zes of negen. Sommigen voor een jaar.” Die korte contracten vindt je in de particuliere sector niet zo gemakkelijk en dat is jammer, want veel mensen zijn daar naar op zoek. En die komen dan naar hier: “Dat is bijvoorbeeld iemand uit Polen die voor drie maanden hier les komt geven aan de universiteit, of een Ghanees die hier een jaar komt werken in een Gents bedrijf en niet op hotel wil. Die mensen vinden moeilijk een oplossing om via een 3-6-9-contract een appartement te huren. Hier hebben ze een alternatief.” Onder de bewoners ook bekend volk, zoals een Ghanese voetballer van voetbalclub Berchem en een jonge succesvolle Gentse muzikant.
De korte contracten en het profiel van de bewoners geven de indruk dat er op een regelmatig verloop wordt gemikt en dat is ook zo. Toch wil Liedts niet gezegd hebben dat er geen langdurige gemeenschap kan gevormd worden. Langer blijven kan, de korte contracten kunnen natuurlijk verlengd worden. Het regelmatige verloop heeft wel het voordeel dat je in contact komt met telkens nieuwe mensen, met een verscheidenheid aan mensen ook, verschillende nationaliteiten en verschillende interesses.
En dat veel mensen hier willen komen wonen, blijkt uit de wachtlijst die er wel degelijk is (van de 72 woningen zijn er op dit moment 70 klaar en daarvan zijn er 67 bezet). “Mensen willen hier komen wonen omdat het kalm is en omdat ze betrokken zijn bij de kunstactiviteiten.” Want dat is natuurlijk ook anders gaan wonen: wonen in een socio-culturele omgeving. Aan de straatkant van het gebouw is een expositieruimte voorzien van 750 m2. Begin dit jaar ging de eerste expositie van start: Stippels en Pixels. Een tentoonstelling van kunstwerken die een beeld schetsen van een aantal evoluties vanaf het pointillisme tot vandaag. Een tentoonstelling met een band met het wooncomplex, want de broer van architect Van Rysselberghe die het complex realiseerde, was een befaamde pointillist. Ook in de keuze van de tentoonstellingen wil de stichting een duidelijke richting uit. Alain Liedts: “Het is belangrijk om te weten dat deze expositieruimten geen museum zijn noch een galerij. Een museum heeft de bedoeling een permanente collectie te huisvesten, een galerij de bedoeling te verkopen. Wij willen geen van beide. Ons doel is tentoonstellingen te brengen over bepaalde thema’s, met de nadruk op kunst rond video, computer en numerieke art, en ook om regelmatig te vernieuwen.”
Allemaal mooi, wonen, kunst en cultuur in één complex, maar hoe zit het met de betrokkenheid van de bewoners? Nemen zij effectief deel aan al die activiteiten? “De bewoners worden prioritair betrokken bij de activiteiten. Toen de eerste tentoonstelling openging, heeft de curator tijd vrijgemaakt om nog voor de echte première een rondleiding te geven aan de bewoners. Bovendien hebben sommige bewoners zich ook aangeboden om de permanentie in de kunstzaal te verzorgen. We hebben ook goed uitgeruste projectiemogelijkheden: voor films en sportwedstrijden bijvoorbeeld. En dan worden de andere mensen uit de Zebrastraat ook uitgenodigd, en kunnen ze na de vertoning een drankje krijgen. De vergaderzalen en receptiezalen zijn ook geschikt voor verjaardagsfeestjes die door de bewoners georganiseerd worden.” Verbondenheid tussen de bewoners hoort er dus bij. Op de vraag of mensen hier ook kunnen komen wonen zonder zich iets aan te trekken van de buitenwereld, de kunst en cultuur rond zich, lacht Alain Liedts een beetje geheimzinnig. “Dat zijn voor mij niet de meest geliefde bewoners. Ik selecteer niet op die basis maar indien we twijfels hebben bij een kandidaat-huurder is het soms voldoende om een of twee woorden te zeggen. Kijk, in de statuten van de stichting staat dat wij bezig zijn met activiteiten van socio-culturele aard. Dit project moet een plaats zijn die gericht is naar de toekomst, in de sfeer van mondialisme en internationalisatie. Dit is geen appartementsgebouw waarin de mensen die op dezelfde verdieping wonen, elkaar niet kennen of groeten wanneer ze elkaar op straat tegenkomen. Het is anders gaan wonen. Het is terug in de stad gaan wonen. Het is wonen samen met activiteiten. Ik geef de bewoners ook de gelegenheid om elkaar te leren kennen. Mensen die dat niet aanvoelen of niet graag hebben, gaan dan ook vanzelf weg.”
Misschien toch ook enkele minpuntjes aanvinken. De huidige woonruimten waren vroeger sociale woningen en dat merk je nog steeds, ook al is er binnenin aan de structuur gesleuteld. De woningen ogen nogal steriel en missen een beetje karakter. Ook het uitzicht is niet altijd even aangenaam. In de kamers die niet op het binnenplein uitgeven, kijken de ramen uit op blinde muren. Wat wel een pluspunt is, is dat sommige woningen de kans bieden om met meer dan één gezin samen te wonen. Zo is er bijvoorbeeld de 4x1-formule: één woning met gemeenschappelijke ruimten maar ook met vier individuele kamers. En dat is op zijn minst een moedige beslissing. Alain Liedts: “Door mijn generatie was dat zeer gegeerd, plaatsen om in een groepje samen te wonen. Nu is dat moeilijker om aan de man te brengen.”
Misschien ook minder geslaagd is de bestemming van het binnenplein. In het midden komt er een grote plas water met in het midden daarvan een reuzengrote nagel. Het water kan in een mum van tijd weglopen via een vernuftig systeem en aan de nagel kan in enkele uren tijd een grote tent worden opgetrokken die plaats kan bieden aan evenementen. Een leuk initiatief maar de vraag is of het niet een beetje van het goede te veel is. Bovendien zorgt het ervoor dat het groen beperkt wordt tot enkele boompjes hier en daar. Terwijl een mooi aangelegd binnenplein met groen het complex net dat ietsje meer had kunnen geven en een rustgevende factor had kunnen zijn.
Toch is het project vooral bewonderenswaardig, door zijn mix van wonen, kunst en cultuur, het autoluwe karakter en de vele mogelijkheden tot sociaal contact. Een ideaalbeeld voor het stadsleven of blijft dit project toch beter een unicum? “Ik heb niet de pretentie om het als een ideaalbeeld voor de rest van de stad te zien,” zegt Alain Liedts. “Wat ik wel zie is dat twintig jaar geleden jonge koppels in Sint-Denijs of Ledeberg een huisje gingen kopen of huren wegens niet betaalbaar in de stad. Dit project is misschien een vrij goedkope oplossing om toch in de stadskern te blijven…”
FREEK WILLEMS
