



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Gent onafhankelijk! Van de beeldenstorm tot de calvinistische republiek (1566-1584)
Gent toonde zich in de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog een stad van voorbeeldige katholiekenhaters. Machtswellust, religieus fanatisme en homohaat leidden tot een bizarre pervertering van het rebelse imago dat de stad zo graag koestert. Een vreemd verhaal uit een al even vreemde tijd.
In 1555 volgde Filips II zijn vader, keizer Karel, op als vorst van de Nederlanden. De Nederlanden omvatten het huidige Nederland, België en Luxemburg, met nog wat Noord-Frankrijk erbij, maar zonder Limburg en Luik. Het was een zootje ongeregeld met een heleboel verschillende rechten in allerlei graafschappen, hertogdommen en tuti quanti. Karel maakte van het geheel een administratieve eenheid, waardoor iets minder opviel wat een verschrikkelijk zootje het eigenlijk was.
In de eerste helft van de zestiende eeuw overspoelde een eerste golf van Lutheraans protestanisme de Nederlanden, maar Karel hield de boel onder controle door consequent iedereen die rare gedachten had te spiesen, te verbranden of levend te begraven. Toen Filips aan de macht kwam, waren er in de Nederlanden nog nauwelijks (levende) protestanten.
Slidderbanen van boter
Net als zijn pa was Filips een nogal kwezelachtige rooms-katholiek. In 1559 verliet Filips de Nederlanden en trok naar Spanje, waar hij ook baas was (net als in Italië en het grootste deel van Noord- en Zuid-Amerika). Hij had nog maar net zijn gat gekeerd, of de problemen begonnen. De Nederlandse adel vond dat ze wel wat meer te zeggen mocht hebben en de bevolking vatte sympathie op voor het calvinisme, de nieuwste rage in het protestantisme.
Midden de jaren ’60 liepen de dingen flink mis. Calvinistische predikers hitsten de bevolking op. Ze klaagden de uitbuiting door paus en kerk aan en verzetten zich tegen de katholieke praktijk om beelden te verafgoden. Het bleef niet bij woorden. Op 1 augustus 1566 gingen een twintigtal calvinisten in Steenvoorde bij Ieper naar de plaatselijke abdij en smeten er alle beelden kapot. Dat beviel hen zo dat ze besloten op tournee te gaan door de rest van de Nederlanden. De Beeldenstorm was begonnen.
Midden augustus naderde de storm Gent. De katholieken voelden de bui al hangen en verborgen in allerijl alvast hun centen en het Lam Gods. De beeldenstormers vroegen toestemming voor hun werkzaamheden aan de Gentse baljuw en ze kregen die nog ook. De baljuw (de hoofdcommissaris, zeg maar) had blijkbaar gehoord wat er elders gebeurd was met mensen die hun toestemming weigerden. Bovendien beweerden de stormers dat ze toestemming hadden van het hof - ‘hetwelcke al valsche leughene was’, volgens kroniekschrijver Philip van Campene.
De kern van de stormers was een rondtrekkende troep, maar nergens voegden zich zo veel plaatselijke bewoners bij hen als in Gent. Wanneer men het lijstje bekijkt, is het indrukwekkend hoeveel kloosters, abdijen, kerken en kapelletjes ze hier aantroffen om hun werk in te doen.
In het Dominicanenklooster lieten ze zich helemaal gaan, schijnbaar omdat dit de orde van de inquisiteurs was. ‘Daer deedense zulck een schade, dat niet wel bescrievelick is, want haddense tclooster connen raseeren, ze zoudent ghedaen hebben,’ aldus Van Campene. En ze beperkten zich niet tot de beelden. ‘Se liepen inde keuken, smeten roosters, keetels onstieken, ende naemen de botere ende ghinghen daer up staen slidderen, wierpen veel provance vander keukene in watere, met viel huusraeds [en] smeten alle de ghelaysveinsters onsticken. […] Sij liepen up de cellen en de librairie, sneden alle boucken onsticken, ende wierpense in watere, met groote hoopen.’ Volgens kroniekschrijver Marcus Van Vaernewijck dwarrelde er zoveel papier rond dat het leek alsof het sneeuwde. En nog waren de stormers niet tevreden. ‘Se sneden de bedden ende maeltrassen onsticken, ende wierpen de plumen in watere. Se smeten alle de deuren ende veinsters onsticken […] ende in den reeftere, daerset oock al onsticken braecken.’ En zo verder en zo verder … En toen waren ze nog maar net begonnen! Tot de volgende morgen trokken de beeldenstormers als een wervelstorm door de stad. ‘Wat de ene ongeschonden liet, vernietigde de ander,’ aldus Van Vaernewijck. Ook de wijnkelders bleven niet ongeschonden, wat de stormers nog uitzinniger maakte. In de Sint-Pietersabdij verdronken ze voor 900 gulden wijn, terwijl ze zichzelf bijlichtten met kaarsen die ze in klompen boter staken die ze tegen de muur sloegen.
Tegen de volgende middag kreeg de baljuw dan toch troepen bijeen en keerde de orde weer. Het puin werd de daarop komende tijd niet geruimd, ook niet door de priesters, nonnen en andere belaagden. Zij wilden de koning, op wiens bezoek ze hoopten, tonen welke schade er was.
Alva en de Pacificatie van Gent
De beeldenstorm ging voorbij, maar de rust keerde niet terug. Filips II besloot de hertog van Alva te sturen om de Nederlanders een lesje te leren. De hertog van Alva leek opvallend veel op Don Quichotte en had ontzettende last van jicht. Hij had evenwel ook een geweldig slecht karakter en dat was wat Filips nodig had. Alva kwam, zag en bedacht allerlei creatieve vormen om ketters terecht te stellen. Dat was tot daar aan toe. Maar de nieuwe belastingen die hij wilde heffen, leidden tot permanente onrust en een nieuwe opstand.
Alva werd opgevolgd door een landvoogd die prompt doodviel. De Nederlandse staten probeerden het aldus gevallen gat dan maar zelf te vullen. In 1576 kwamen ze samen in Gent om de ‘Pacificatie van Gent’ te sluiten, met als doel een blijvende vrede.
De al lang niet meer uitbetaalde Spaanse troepen sloegen ondertussen aan het muiten. Een deel van de muiters zat in het Spaans Kasteel in Gent. Dat kasteel was een cadeautje van Karel V, nadat hij in 1540 een opstand van de Gentenaars had onderdrukt. Het Kasteel (een groot deel van de huidige Machariuswijk) moest er voor zorgen dat de Gentenaars zich koest hielden. In 1576 pakte het anders uit. Willem van Oranje - die tot dan vooral opviel door nooit eens een veldslag te winnen - zond troepen naar Gent en belegerde het kasteel, dat in november viel.
De vuyligheyd van sodomie
Een chaotische periode volgde, waarin het Gentse stadsbestuur steeds verder radicaliseerde. In oktober 1587 pleegde het ‘Revolutionair Comité der Achtienmannen’ een ‘stadsgreep’ in Gent. De macht kwam te liggen bij Francis van Ryhove, maar vooral bij Jan van Hembyze, een man met erg weinig scrupules omtrent eender wat.
Het nieuwe bestuur negeerde de Pacificatie van Gent, die stelde dat de stad katholiek moest blijven. Met geweld werd een Calvinistische Republiek geïnstalleerd. Het stadsbestuur trachtte met steun van de ambachten de vroegere glorie van Gent te doen herleven. De door Karel V afgeschafte privileges werden hersteld. Ook de door Karel afgebroken stadswallen werden herbouwd. Het door Karel gebouwde Spaans Kasteel werd dan weer afgebroken. De calvinisten investeerden veel in onderwijs en richtten zelfs de eerste Gentse universiteit op.
Midden mei 1578 orkestreerde het nieuwe bestuur een tweede beeldenstorm (de Pinksterstorm). Wederom werd alles wat er een beetje te katholiek uitzag kort en klein geslagen. Zoals een kroniekschrijver het uitdrukt: ‘en ik zelve, die dit opgeteekent hebbe, en zoude ’t niet gelooft hebben, waer ’t dat ik het niet gezien en hadde.’ Er werden zelfs weer ‘slidderbanen van boter’ aangelegd.
De officiële aanleiding voor de Pinksterstorm waren uit Brugge afkomstige geruchten dat de katholieke bedelmonniken zich in hun kloosters op grote schaal overgaven aan ‘de vuyligheyd van sodomie’. Vernietiging van de katholieke kerken en kloosters volstond hiertegen blijkbaar niet. Het stadsbestuur besloot de van homoseksualiteit beschuldigde monniken te folteren om hen tot bekentenissen te dwingen. Dat hielp niet, dus gooide men het over een andere boeg. Een van de monniken was Van Hembyzes jonge neef en petekind. Van Hembyze bracht hem ‘met zoetigheyd en groote beloften’ zo ver ‘dat hy die feyten bekende, om zyne jongheyd niet wetende, wat dat eyndeleyk de zaeke was, van de welke hy en de andere beschuldigd wierden.’ De bekentenis was erg twijfelachtig maar doorslaggevend. Op basis hiervan werden vijf monniken op de Vrijdagmarkt verbrand. Drie anderen werden publiekelijk gegeseld, het haar afgebrand en voor vijftig jaar verbannen.
Gent koos ook verder resoluut de weg van de onverdraagzaamheid. Een verzoek om de door Willem van de Oranje voorgestane Religievrede toe te passen werd door de Achttienmannen afgewezen: ‘De verscheidenheid van diensten zal twist en tweedracht voortbrengen onder het volk, en daarom behoort er maar één geloof en één lering toegelaten te zijn.’ Willem bezocht de stad enkele malen om de politiek te matigen, maar hij werd door het stadsbestuur als een gevangene behandeld.
De Gentenaars verspreidden hun fundamentalisme actief en brachten bijna heel Oost- en West-Vlaanderen onder hun controle. Het fanatisme veroorzaakte de afvalligheid van de katholieke - voornamelijk Waalse - ‘Malcontenten’. Dit leidde tot een regelrechte oorlog tussen de Gentenaars en de Malcontenten, terwijl Willem alleen maar machteloos toe kon kijken.
Hondenslagers en fluitjesbier
Bijna twee jaar lang leidde Van Hembyze de stad op radicale wijze. Door militaire druk en schone woorden van Oranje matigde de calvinistische republiek uiteindelijk zijn toon. Van Hembyze moest in augustus 1579 de stad verlaten. Tot 1583 had Gent een min of meer stabiel regime onder leiding van de Oranjegezinde Van Ryhove.
Na een definitieve breuk met Oranje riep het stadsbestuur Van Hembyze in 1583 terug. Hij voerde meteen een meedogenloze vervolging uit tegen de aanhangers van Oranje en Van Ryhove, die de stad ontvluchtte.
De nieuwe Spaanse landvoogd Alexander Farnese heroverde intussen met verbazingwekkend gemak de zuidelijke Nederlanden. Gent raakte geïsoleerd en er heerste schaarste. ‘Het Peirde- Vleesch wierd veel geëten, en men hadde ook vermoeden, dat’er Honden-Vleesch gekokt wierd, want men hadde op dezen tyd dry Honde-Slagers,’ meldt Bernardus de Jonghe ons. En het ergste, het bier was geheel en al ‘niet drinkelyk’. De situatie was zo hopeloos dat katholiekenhater Van Hembyze geheime onderhandelingen aanknoopte met Farnese voor de overgave van de stad. Toen dit uitlekte was zijn lot bezegeld. In augustus 1584 werd hij op zijn beurt op het Veerleplein publiekelijk terechtgesteld. Na zeven maand beleg gaf de uitgehongerde stad zich in september 1584 uiteindelijk over.
Farnese toonde zich vergevingsgezind, maar de protestanten moesten zich bekeren of de stad verlaten. Het Spaans Kasteel werd heropgebouwd en de stad kreeg een zware boete opgelegd. De politieke rol van Gent was uitgespeeld, de stad werd definitief een katholiek provincienest. Van Hembyze hield er uiteindelijk toch zijn eigen straatnaam aan over (het Jan Van Hembyzebolwerk, aan de ingang van de Groene Vallei). Zo zie je maar dat je noch eerlijk, noch verdraagzaam, noch loyaal moet zijn om ergens te raken in de geschiedenis. U moet dus vooral niet wanhopen!
WOUTER BRAUNS
