



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Een ontmoeting met zeevaarders
Jaarlijks worden over zee 24 miljoen ton goederen aangevoerd naar de Gentse haven. Fruitsap, ijzererts en graan vinden via Gent hun weg naar het Europese achterland. TiensTiens vroeg zich af of een moderne zeehaven behalve een bron van werkgelegenheid ook een ontmoetingsplaats is. Zetten zeelui nog voet aan wal of blijven ze liever in hun kajuiten wachten op de afvaart? Voortvarend als we zijn, namen we een kijkje in het zeemanshuis Stella Maris. Scheepsbezoeker Jef Demyttenaere vergastte ons op een tocht langs het moderne zeemansleven in de haven. Een verhaal over donkerrode oceaanreuzen, GSM-kaarten en vlaggen voor het gemak.
Fruitsap. Nergens in Europa vloeit zoveel fruitsap als in de haven van Gent. Verpakt in massieve schepen wordt het onder extreme druk en uiterst lage temperatuur van Brazilië hierheen gebracht. Wat er ook op de verpakking in de winkel staat, het komt allemaal uit deze gigantische drijvende drukcontainers. Omwille van die enorme import van sap wordt de Gentse haven soms de Fruitsaphaven genoemd. Een andere naam kreeg ze voor haar menselijke kant. Gent, de vriendelijke haven. Het havenbedrijf voorziet dan ook in een busje dat dagelijks langs de verschillende schepen rijdt. Zeelui krijgen zo de kans om een gratis taxi naar het stadscentrum te nemen. Onderweg naar Sint-Jacobs stopt de havenbus in de buurt van de Muide aan het zeemanshuis Stella Maris. Om de zeevaarders een ruimte te geven waar ze collega’s en Gentenaars kunnen ontmoeten, heeft de vzw Apostolatus Maris deze ontmoetingsplaats opgetrokken. “Jaarlijks doen een drieduizendtal zeeschepen de Gentse haven aan. In totaal komt dat op ongeveer veertigduizend zeevaarders die hier even verblijven. In Stella Maris kunnen ze terecht om te telefoneren, hun e-mail te checken of een pintje te drinken”, vertelt Jef Demyttenaere die voor Stella Maris werkt. “Toch is het rustiger dan vroeger. Door de opkomst van de GSM worden de vaste telefoons hier minder gebruikt. Tegenwoordig komen er per avond zo’n vijftien bemanningsleden langs.” Jef is medewerker van de havenaalmoezenier André Quintelier. Als het nodig is, geeft hij de zeemannen wat steun of lost hij een probleem op. “Als ik een schip op ga, praat ik bewust met de hele bemanning, niet enkel met de kapitein. Voor die mannen is dat op zich al bijzonder. Als er al eens iemand aan boord komt is dat voor de kapitein en worden zij over het hoofd gezien. Soms signaleren ze me een probleem, zoals achterstallig loon. Maar het kan ook over heel simpele dingen gaan. Er lag hier bijvoorbeeld eens een schip tijdens de Tour de France. De kapitein had een TV. Maar de bemanning mocht van de officier van het schip niet bij de kapitein in de kajuit zitten. Dat is de regel. Ik ben toen gaan onderhandelen en uiteindelijk hebben die mannen toch naar de Tour kunnen kijken.”
Stella Maris wordt deels gefinancierd door het bisdom. Nu en dan wordt er nog eens appèl gedaan op religieuze dienstverlening, maar vaak zijn de schippers al tevreden met de basisvoorzieningen in het zeemanshuis. Jef: “We hebben hier een kapelletje. Het is een oecumenische kapel, er staat geen kruisbeeld, enkel wat symbolen. Die kapel wordt eigenlijk zelden gebruikt. De laatste keer is ze gebruikt geweest door een Ier. De man was zo dronken dat hij niet meer van de wereld wist. Instinctief zocht hij het tapijt van de kapel op, en viel daar onopgemerkt in slaap. Ons alarmsysteem werkt echter feilloos, toen hij ’s morgens wakker werd en zijn hoofd omhoog stak, was het onaangenaam ontwaken.”
Na onze babbel in Stella Maris neemt Jef ons mee op zijn ronde door de haven. Zíjn haven. We rijden over de Kennedylaan richting Sidmar. Staal in Vlaanderen. Duizenden kilometers verwijderd van de dichtstbijzijnde ijzerertsmijn gloeit de hoogoven, dagelijks gevoed door scheepsladingen erts en kolen. Jef wuift met een badge naar de slagboomwachter. Een overbodig gebaar, want de slagboom is al in beweging. Ze kennen hem wel, de man van Stella Maris. Hij stuurt vlot over het enorme terrein. Dit is geen postindustrieel bedrijventerrein met witte gebouwen. Dit is de zware industrie. Bergen rood-roestig erts torenen boven je uit, stoomwolken verduisteren de zon en alles is bedekt met hetzelfde kleverige, rode stof. Hier en daar zie je een glimp van oranje gloeiend metaal en overal veiligheidsvoorschriften, waarschuwingen en evacuatieplannen. Hier werken 6000 mensen, allemaal te ‘evacueren’ wanneer de Arcelor-groep, waarvan Sidmar deel uitmaakt, zou beslissen om de activiteiten stil te leggen. Samen met de werknemers hoopt bijna iedereen in de streek dat Gent van die ramp bespaard blijft.
Het is zaterdag, dus Sidmar draait op weekenddienst. Overal is het rustig behalve aan de kade. Een reusachtige transportband raast over de hele lengte van de kaaimuur. Hij produceert lawaai en transporteert ijzererts, afkomstig van twee kranen die gretig en aan een geweldig tempo in de ruimen van de Kapitan Poutilin graaien - een schip zo groot als het shopping center zuid. Het is in 12 dagen met zijn lading ijzererts van Brazilië naar Gent gevaren. Aan boord 23 russen en 1 kokkin. Samen 25 man. Jef stapt zwaaiend met vakbondsbrochures in vier verschillende talen op het donkerrode gevaarte af. “Veel schepen varen onder flags of convenience, vlaggen voor het gemak zoals Panama, Bahamas of Bermuda. De rederijen gebruiken die vlaggen om serieuze regelgeving te omzeilen. Zo slagen ze er vaak in een loopje te nemen met de rechten van de bemanning of het onderhoud van het schip. De schippers krijgen soms maandenlang geen loon. De brochures die ik uitdeel van de internationale vakbond ITF geven uitleg over een wereldwijde campagne tegen die vlaggen voor het gemak”, verklaart Jef. Na enige onderhandeling worden we met een hoogtewerker aan boord gehesen. Jef vertelt enthousiast wat Stella Maris te bieden heeft: busservice, telefoon, internet, een winkeltje, een frisse pint. De eerste officier knikt, kalm en geamuseerd. Net als de rest van de bemanning draagt hij een fel oranje KLM overall. Hoe hoger de rang hoe nieuwer de overall. Die van hem schittert in de zon alsof hij gisteren nog op Schiphol rondliep. Hij heeft maar één vraag: “girls?”. De man is al vier maanden aan boord en heeft nog twee maanden te gaan. Net als de rest van de bemanning is zijn haar gemillimeterd. Hij is indrukwekkend groot en grof gebouwd. Op zijn tanden na ziet hij er kerngezond uit. Jef lacht het verzoek om vrouwen weg. Hij is een beroeps: hij kent zijn mannen, ook al heeft hij ze nooit eerder gezien.
De sfeer aan boord is grauw. De geur van warme motorolie hangt tot in de kantine. Het linoleum op de vloer is proper maar versleten. De Russische realiteit, aangemeerd in Gent. Op de plastic wandbekleding zijn slechts de allernoodzakelijkste veiligheidsinstructies in het Russisch vertaald. Het overgrote deel is in het Engels en dus totaal onbegrijpelijk voor het gros van de bemanning. Het schip moet 20 tot 30 jaar oud zijn. Het is waarschijnlijk nog een fortuin waard. Jef trekt met ons verder. Het volgende schip is alweer Russisch. Het is kleiner. Bij de loopplank staat een rijzige rus op wacht. Onverschrokken stapt Jef de loopbrug op. De man glimlacht wanneer hij de Russische tekens herkent op de vakbondsbrochure. Dit had hij niet verwacht. Verdere communicatie is niet mogelijk. Het engels van de man gaat niet verder dan enkele moeizaam uitgebrachte klanken, en toch lachen we samen en nemen we afscheid met schoudergeklop. Op een net aangemeerd schip treffen we Filippino’s tussen de bemanning. Dit is Jefs troefkaart. Hij spreekt perfect Filippijns. De zeelui leggen enthousiast uit vanwaar op de Filippijnen ze afkomstig zijn. De scène duurt niet lang. De scheepsbezoeker komt overal, maar loopt nergens in de weg. Hij weet dat er werk is aan de drijvende winkel. Van het havenbedrijf heeft Jef een lijst met de aangekondigde schepen. De lijst wordt stipt afgewerkt. Ondertussen houden we onze ogen open voor onaangekondigde schepen, want die zijn er ook en Stella Maris slaat niemand over. Zelf een schip dat afgelegen aan het uitgestrekte braakland van het Kluizendok in aanbouw ligt, wordt aangedaan. Het is een Hollander die de Noordzeehavens en de Baltische staten afvaart. Er staat niemand op wacht. Jef stapt binnen in de kajuit. We volgen de pastorale anarchist met ontzag. Niemand schrikt wanneer we plotseling oog in oog staan met enkele bemanningsleden. Drie Indonesiërs en twee Oekraïners. Het schip ligt in wacht. Er is tijd. De Oekraïners willen de stad in. De Indonesiërs zijn vooral geïnteresseerd in de telefoonkaarten die Jef op aanvraag verkoopt. “Om de vrouw op te bellen?”, vragen we. De vierendertigjarige man, de jongste uit een gezin van acht, gelooft niet dat een huwelijk de geschikte levensweg voor hem is. Nee, hij zal de kaart gebruiken om zijn oude moeder in Bali te bellen. Ondertussen zijn de Oekraïners klaar voor de Gentse binnenstad. We geven ze een lift tot aan Stella Maris. Van daaruit willen ze te voet verder. Ze hebben het niet voor auto’s, wegens te krap. Na weken in de besloten ruimte van een schip doet er, naar hun zeggen, niets zoveel deugd als gewoon wandelen. Ze laten zich niet opjagen. Als er één ding is dat al deze zeelui gemeen hebben, is het hun vastberaden kalmte. Ze werken hard, maar er is geen plaats voor zenuwachtigheid. Zoals hun enorme schepen zich niet laten beroeren door een stevige zeewind, zo gedecideerd zijn ook zij, de mannen van de zee.
TYRON VAN HEE EN MATHIAS BIENSTMAN
