Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

In het teken van de zon

Ergens in een ver land zeer lang geleden, woonde in de grote stad Falmyra eens een groot koning. De stad was zo mooi, dat mensen uit alle windstreken wel duizend mijl reisden om de stad toch éénmaal in hun leven te kunnen zien.

 

Achter de grote bergen lag een uitgestrekte steppe. De grond was daar zo vruchtbaar dat hij bijna het hele land van voedsel kon voorzien. Duizenden mensen leefden en werkten in dat gebied dat de Halve Maan werd genoemd.

De grote akkers werden door twee stromen bevloeid, in het westen door de Orontes en in het noorden door de Eufraat. Honderden dorpen lagen tegen de oeverbanken van deze twee machtige rivieren.

De hoogste berg van het land werd de Hermon genoemd, met daar achter de grote stad Damascus. Een eindeloos labyrint van smalle straatjes en pleintjes gaf deze stad haar vorm. Niemand wist echt hoe oud de stad was. Iedere keer dat er een put werd gegraven voor water of voor de bouw van een nieuwe woning, stootte men op de restanten van een ander en veel ouder bouwwerk. Er werd zelfs beweerd dat in deze mysterieuze stad ‘het schrift’ uitgevonden werd, al kon geen mens hierop een tijdstip plakken. In dit land zomerde het van mei tot oktober, met temperaturen die dikwijls boven de veertig graden uitstegen. De vrij korte winterperiode was meestal bar koud, en het was in dat seizoen dat ze elkaar voor het eerst zagen.

 

In een dorpje ergens langs de Eufraat woonden twee jonge mensen, Mhamed en Cûle genaamd. Hij had haar voor het eerst in het schooltje gezien waar ze allebei iedere morgen heen trokken. Zij was wel een stuk jonger, maar hij vond haar het mooiste meisje van het hele dorp. Al snel werden ze de beste vrienden. Jaren verstreken en Mhamed en Cûle waren bijna onafscheidelijk geworden. Niet dat ze een liefdesrelatie hadden, maar ze hielden van elkaar als broer en zus. Ze waren gelukkig, net als de meeste mensen in dat mooie land.

 

Maar op een duistere sterrenloze nacht overleed de koning. Iedereen was in diepe rouw en verdriet verscheurde het land. De goede koning liet geen kinderen na, zodat een verre neef het land moest regeren. Die had echter niet zo’n groot hart als de oude koning.

 

Toen de zomer zou aanbreken, bereidde men de akkers voor om ze te bezaaien. De mensen wachtten en wachtten, maar de zon wou haar levensstralen niet schenken. Alle dorpshoofden kwamen samen. Ze besloten een magische amulet te smeden uit het metaal dat alleen maar te vinden was in het hart van de hoogste berg, de Hermon. Deze amulet zou de vloek breken, de vloek die de nieuwe koning had uitgesproken omdat hij niet aanvaard werd door de kinderen van de zon.

 

En hier begint de hele geschiedenis eigenlijk pas, maar om het verhaal kort te maken...

Mhamed trok met zijn vrienden naar de berg, en na een tocht vol gevaar en verschrikking vonden ze het gele metaal dat nodig was om de amulet te maken. Er werd echter niet één amulet gegoten uit het gele metaal, maar duizenden: voor ieder meisje van het land een gouden hanger in de vorm van een stralende zon. De vloek werd verbroken en het land werd bevrijd van de slechte koning.

 

En Mhamed en Cûle? Mhamed had ook nog twee ringen gesmeed, één voor hem en één voor Cûle. Die magische ringen zouden hen voor altijd verenigen, maar toen hij in zijn dorp terug kwam, was iedereen verdwenen. De tocht had te lang geduurd, hij was te laat geweest. Alle mensen van het mooie land, de Halve Maan genaamd, waren vertrokken naar andere en misschien betere oorden, ook Cûle. Hij moest en zou haar terugvinden.

 

Na een zoektocht die wel vijf jaar duurde kwam hij in een vreemd land terecht, dat Belgica heette. Terwijl hij onder een stralende sterrenhemel door een zeer oude stad wandelde, kwam hij haar tegen. Tranen van geluk sprongen hen allebei in de ogen; ze hadden elkaar teruggevonden. Niets of niemand kon hen nu nog scheiden. De ringen die Mhamed smeedde zouden hen tegen alle kwaad beschermen. Maar toen hij de twee ringen zocht, vond hij ze nergens. Was hij ze op zijn lange tocht verloren?

 

Iemand vroeg: “Zijn het deze ringen soms? Die heb ik gisteren van een meisje gekregen, dat een gouden zonnetje om haar hals droeg.”

 

“Veel geluk, Mhamed en Cûle.”

 

PATJE