



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De taal van de huisvesting: tijd voor een verstaanbaar sociaal woonbeleid!
Begin februari maakte Vlaams minister Marino Keulen zijn voornemen bekend om de toegang tot een sociale woning te koppelen aan een basiskennis van het Nederlands. De meeste politieke partijen reageerden voorzichtig positief op het voorstel. Uit het publieke debat bleek dat ook veel Vlamingen zich in het voorstel konden vinden. De felste tegenwind kwam nog uit het Gentse. Sociale huisvestingsmaatschappijen en opbouwwerkers verklaarden in koor dat de wezenlijke problemen in de sociale huisvesting niets te maken hebben met de taalkennis van de bewoners. TiensTiens legde zijn oor te luisteren bij deze dwarsliggers.
Nederlands voor sociale huurders: een aanlokkelijk voorstel
Begin dit jaar maakte de Antwerpse sociale huisvestingsmaatschappij De Goede Woning bekend dat ze kandidaat-huurders die het Nederlands onvoldoende beheersen de toegang tot een sociale woning wil ontzeggen. Vlaams minister van Wonen en Inburgering Marino Keulen pikte dat idee op in een nieuw sociaal huurbesluit: vanaf 1 januari 2006 wordt de basiskennis van het Nederlands een bijkomende wettelijke vereiste om een sociale woning of appartement te huren.
Momenteel zijn er slechts twee toelatingsvoorwaarden voor de sociale huisvesting: inkomen en bezit. Zo worden sociale woningen voorbehouden voor mensen met een laag inkomen, die van een eigen huis alleen maar kunnen dromen en met moeite een woning kunnen huren op de private huurmarkt. Beide voorwaarden zijn objectief en eenvoudig te controleren door de sociale huisvestingsmaatschappijen: iemands inkomen en bezit zijn gekend door de overheid.
Minister Keulen voegt daar nu een derde voorwaarde aan toe. Anderstalige werkloze nieuwkomers die zich aandienen voor een sociale woning zullen worden verplicht een taalcursus Nederlands te volgen. De maatregel is gekoppeld aan de invoering van een tijdelijk huurcontract van twee jaar voor alle nieuwe sociale huurders. Als die een aantal verplichtingen (zoals het tijdig betalen van de huur, geen overlast veroorzaken, ...) verwaarlozen, kunnen ze eveneens hun recht op een sociale woning verliezen.
De bedoeling van de bijkomende taalvereiste, zo zegt Keulen in zijn persbericht, “is de leefbaarheid en de samenhang in sociale woonblokken te verhogen en de sociale interactie tussen huurders en maatschappij te bevorderen. Deze maatregel wil mensen activeren in de samenleving en hen kansen geven”. Een verplichte cursus Nederlands moet dus in één klap de leefbaarheid in sociale woonblokken verhogen én de integratie van allochtonen bevorderen. Het lijkt een aanlokkelijk voorstel, maar klopt de achterliggende redenering wel?
Wonen: een basisrecht
Keulens voorstel was om twee redenen een schot in de roos. Het was net stout genoeg om verontwaardiging - en dus media-aandacht - uit te lokken. Tegelijk was het zo eenvoudig dat het nut ervan met één voorbeeld leek aangetoond. Als er brand uitbreekt in een sociaal woningblok is het belangrijk dat de bewoners elkaar verstaanbaar kunnen waarschuwen, wist Keulen. Die simpele wijsheid sprak tot de verbeelding. Nederlands leren: een kwestie van overleven! Wie heeft daar wat op tegen?
Hier en daar probeerde nog iemand het voorbeeld van de brand te weerleggen. Een lezer van De Standaard bijvoorbeeld, die wees op het onovertroffen belang van het brandalarm. Een ander voorbeeld maakt echter duidelijk dat de brand niets met de kern van de zaak te maken heeft. Als straks een anderstalige na een aanrijding zwaargewond op de spoeddienst belandt, krijgt hij dan ook pas verzorging als hij Nederlands spreekt? Intuïtief vinden de meeste mensen dat zoiets niet kan. Het is in Vlaanderen ongetwijfeld handig als verkeersslachtoffers Nederlands spreken. Maar omdat het recht op medische verzorging een basisrecht is, doet dat er niet veel toe. Basisrechten gelden altijd en zijn niet afhankelijk van de kennis van een of andere taal. En dat gaat ook op voor het recht op wonen. De vraag is niet of het handig is dat iedereen Nederlands spreekt in een sociale woontoren. Dat is het ongetwijfeld. Maar als wonen een basisrecht is, mag eigenlijk niemand die nood heeft aan een sociale woning de toegang ertoe ontzegd worden.
Koen Philippeth werkt als opbouwwerker voor het Regionaal Instituut voor Samenlevingsopbouw (RISO). Dag in dag uit heeft hij contact met de huurders van de sociale woontorens in Nieuw Gent. Hij is niet te spreken over het voorstel van Keulen: “Taal is uiteraard belangrijk voor de communicatie in een woonblok. Maar het is volledig buiten proportie om een basisrecht zoals het recht op wonen afhankelijk te maken van taalkennis. Andere basisrechten steunen immers op het recht op wonen. Pas met een degelijk en betaalbaar dak boven je hoofd kan je op zoek naar werk, voor je kinderen zorgen of een opleiding volgen.” Hij vraagt zich ook af waarom de minister zich zo bestraffend opstelt: “Waarom stimuleert minister Keulen niet gewoon mensen om Nederlands te leren? Het RISO organiseert in Antwerpen taalklassen in de sociale woontorens. Die worden druk bijgewoond. Dat de minister onmiddellijk voor een sanctionerende opstelling kiest, wijst erop dat hij er stilzwijgend vanuit gaat dat die mensen geen Nederlands wíllen leren en dat zij dé oorzaak zijn van de samenlevingsproblemen in de woonblokken. Beide veronderstellingen hebben nochtans geen enkele grond in de realiteit van de sociale huisvesting.”
Dat laatste bevestigt Guy Reynebeau van de sociale huisvestingsmaatschappij WoninGent: “Uit de cijfers waarover we beschikken, blijkt er geen enkel verband te bestaan tussen het feit of iemand van vreemde origine is of zelfs geen Nederlands spreekt en fenomenen als achterstallige huur en overlast. Integendeel: wanbetaling of vandalisme vinden we meer onder de autochtonen. Dat is toch belangrijk om te vermelden. In het hele debat wordt de indruk gewekt dat de gebrekkige kennis van het Nederlands van sommige huurders de oorzaak zou zijn van de problemen die de sociale huisvestingsmaatschappijen treffen. Dat is niet zo.” Reynebeau wil echter officieel nog geen standpunt innemen over het voorstel van Keulen. Hij wacht op meer informatie van de minister zodat hij het globale plaatje kan beoordelen.
De proefcontracten en het woonrecht van kwetsbare groepen
Marc Timbremont, directeur van de sociale huisvestingsmaatschappij De Volkshaard, legt andere klemtonen. Volgens hem is het huidige voorstel van minister Keulen eerder stimulerend dan sanctionerend. “We hebben het moeilijk met de vorm waarin het idee over de kennis van het Nederlands oorspronkelijk in Antwerpen geformuleerd werd. Toch is er een verschil met het huidige voorstel van minister Keulen. Die stelt enkel voor om proefcontracten van twee jaar in te voeren voor alle huurders. Tijdens die periode moeten degenen die geen Nederlands spreken een taalcursus aanvatten. Op zich is dat geen slecht idee. Men weigert niemand bij voorbaat, maar men bevordert wel de kennis van het Nederlands en de integratie. Als de discussie bijgevolg over de proefcontracten gaat, zeggen we niet bij voorbaat nee.”
Koen Phillipeth, de opbouwwerker van het RISO, heeft nochtans zware bedenkingen bij die proefcontracten. Volgens hem brengen ze het recht op wonen van alle kwetsbare groepen in gevaar. “De eis om Nederlands te kennen is volgens mij slechts een bliksemafleider voor een bredere en meer ingrijpende evolutie: de aantasting van het woonrecht van alle kwetsbare groepen. Door de proefcontracten voor sociale huurders zullen de huisvestingsmaatschappijen - de verhuurders - na twee jaar zelf kunnen oordelen of de huurder mag blijven. Daarvoor zijn ze zelf vragende partij: mensen die overlast veroorzaken of slecht betalen kunnen ze dan op straat zetten. Maar mag de overheid via de huisvestingsmaatschappijen iemands recht op wonen afnemen omdat er zich zogezegd een probleem stelt? Waar is de neutraliteit en objectiviteit naartoe? Normaal moet een onafhankelijke partij, zoals een vrederechter, oordelen over het feit of iemand iets verkeerd doet. Misschien ben je een slechte huurder of speel je je muziek te luid. Daarin moet je gecorrigeerd worden. Maar sociale begeleiding en bemiddeling zijn niet hetzelfde als de goedkoopste en meest eenvoudige oplossing: vervelende huurders op straat zetten.” Hij beklemtoont dat het in uitzonderlijke gevallen wel nodig kan zijn om iemands recht op een sociale woning op te schorten. Maar de beslissing daarover is gewichtig en moet met de nodige objectiviteit genomen worden.
Hét probleem van de sociale woonsector: de structurele onderfinanciering
Maar hoe wijs je mensen die overlast veroorzaken op hun verantwoordelijkheid? Wie moet de sociale bemiddelingsfunctie vervullen? “Er zijn een aantal problemen in de sociale woonblokken, zoals sluikstorten of de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Daarom heb je in een woontoren wat organisatie en sociale omkadering nodig. Een conciërge kan die functie vervullen, maar die is dezer dagen een zeldzame aanwezigheid geworden. Dat leidt tot onwaarschijnlijke situaties: mensen wonen in een afgeleefde toren met 240 appartementen zonder conciërge. Met wat geluk bereik je een telefoniste van de huisvestingsmaatschappij als er een probleem is.”
Dat is volgens Philippeth slechts één voorbeeld om erop te wijzen dat de problemen die minister Keulen wil aanpakken veel beter op een andere manier worden opgelost. “De kern van de zaak is de structurele onderfinanciering van de sociale woonsector. Daardoor worden belangrijke ingrepen, die een groot deel van de leefbaarheidsproblemen in woonblokken kunnen oplossen, niet meer uitgevoerd. Er is vaak een slecht onderhoud. Omdat de geluidsisolatie bijvoorbeeld te wensen over laat, komt overlast gemakkelijker voor. Daarnaast ontbreekt een gepast sociaal beleid. Met steeds minder conciërges en drie opbouwwerkers voor de hele sociale woonsector in het Gentse komen we er niet. Ten slotte loopt de communicatie tussen de huisvestingsmaatschappijen en de huurders dikwijls mank.”
MATHIAS BIENSTMAN EN ANNEMIE CAUTAERTS
