Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De Nacht van de Vlucht

TT1_p20.jpg
(foto: Freddy Willems)
Baharak Bashar

Shohreh was dertien toen ze uitgesloten werd uit het onderwijs. Het recht op educatie werd haar al heel jong ontnomen om een duistere reden die ze nooit heeft begrepen. Het nieuws van haar uitsluiting kwam deze keer harder aan dan anders. Ze was het al deels gewoon om van jaar tot jaar of in het beste geval om de twee jaar van school te veranderen, ze tilde er niet zo zwaar aan. Vanaf het moment dat ze haar hoofd uit haar eierschaal stak en het leven groette, herinnerde ze zich de beweging en verplaatsing, van de ene stad naar de andere stad, van de ene wijk naar de andere wijk, van het ene huis naar het andere huis, van de ene school naar de andere school. Maar deze keer was het anders, er was geen sprake van verplaatsing of verandering van school, wijk, huis of stad. Nu ging het om een definitieve uitsluiting, want nergens, nergens in het land had ze nog recht op educatie.

 

Zo droog en onverschillig klonk het op haar school, toen haar moeder voor de zoveelste keer op het matje geroepen werd, maar deze keer om het dossier van haar dochter in ontvangst te nemen. Het was eind juni, het einde van het schooljaar. Haar moeder was uit het lood geslagen, maar ergens diep van binnen wist ze dat zoiets vroeg of laat zou gebeuren. Bedrukt en vol zelfverwijt nam ze haar dochter bij de hand. In haar andere hand hield ze het dossier gespannen vast. Ze zagen er beiden aangeslagen uit, aangestaard door angst en achternagezeten door onzekerheid.

Ze was nog jong maar droeg reeds de in haar geboorteland ‘gevaarlijke eigenschappen’ van haar moeder mee. Haar sterke wil enerzijds en haar opstandigheid anderzijds waren haar en haar moeder dit maal wel erg zuur bevallen. Net als haar moeder hield ze niet van het idee om levenslang in een beek te zwemmen die elk moment kon droogvallen of stagneren. Ze verlangde net als haar moeder naar de grenzeloze zee die altijd in beweging is, net zoals ze dat zelf was, net zoals haar moeder dat was.

 

Nog drie weken en het nieuwe schooljaar ging van start. Het was haar al een tijdje opgevallen dat haar moeder het erg druk had met andere zaken. “Maar waarmee?”, vroeg ze zich af. Als een bezige bij ging ze van de ene ontmoeting naar de andere, ze kwam laat thuis, soms zo laat dat ze haar niet eens zag voor het slapengaan. Korte telefoontjes die in een soort codetaal werden gevoerd, bizarre rendez-vous’s onder de brug en op afgelegen plaatsen, en tot slot geen woord, geen zin, geen suggestie vanwege haar moeder over haar schooltoekomst. Wat moest ze doen, binnen drie weken, als de scholen zouden open gaan? Was haar moeder haar volledig vergeten? Ze durfde er niet rechtstreeks met haar moeder over te praten. Ze voelde aan dat het niet het juiste moment was om over school te spreken. Ze vermoedde dat er iets belangrijker aan de hand was, en daarom zweeg ze. Ze nam haar vragen, haar zorgen, haar onzekerheden, haar twijfels en haar angst voor de toekomst elke avond mee naar bed. Piekerend, tobbend en schommelend tussen hoop en wanhoop viel ze in slaap en zocht een toevlucht in haar dromen. Stilaan werd dit een soort ritueel, een ritueel dat door andere krachten in stand gehouden werd.

 

Op die bepaalde avond was haar moeder, zoals altijd de laatste maanden, niet thuis. Ze maakte zich zoals alle andere avonden klaar om te gaan slapen. Maar wat haar gedachten nu bezighield, was de houding van haar vader: hij deed erg raar. Op die avond had hij een groot pak geld bij zich. Zoveel geld had ze nog nooit van zo dichtbij gezien. Alsof hij opgejaagd was door iets of iemand, telde hij de briefjes zenuwachtig na en verdeelde ze in kleinere pakjes. Van de ene la naar de andere la en van de ene kast naar andere kast, van de ene aktetas in de andere aktetas, zocht hij naar papieren en documenten en als hij ze meende gevonden te hebben, stak hij ze netjes weg in een map. Nerveus trok hij aan zijn sigaret en belde wat rond. Hij sprak net als haar moeder in een soort codetaal, die toch anders klonk dan die van haar moeder. De conversaties waren kort en geheimzinnig.

 

Ze liep naar haar slaapkamer, leunde achterover op de bedrand en begon de zaken die ze die avond had waargenomen te ontcijferen. De ene vraag volgde de andere op, maar hoe hard ze ook haar best deed om al die losse gebeurtenissen met elkaar te linken en haar vragen te beantwoorden, ze zag geen verband. Ze besefte plots dat het om een ingewikkelde zaak ging die onmogelijk enkel door haar inspanningen gevat kon worden. Maar wie zou haar vragen willen beantwoorden? Iedereen had het zo druk met zijn eigen zaken. Peinzend en bezorgd zonk ze weg in haar jeugdige dromen, haar laatste toevlucht uit de realiteit.

Het was iets over tweeën ‘s nachts toen ze uit haar dromen werd geplukt. Ze ging rechtop zitten en snapte niet goed wat er aan de hand was, tot ze de bezorgde, opgewonden stem van haar moeder hoorde. “Snel”, riep ze met trillende stem. “Snel, zeg ik”, herhaalde haar moeder en ze draaide zich om naar haar kleine zus Sharareh en riep enigszins luid en kordaat: “Jij ook, we moeten weg, we moeten ons haasten”. Sharareh, die ondertussen, net als haar zus, rechtop was gaan zitten, krabde doezelig en verward in haar haren en vroeg met een slaperig stemmetje: “Maar mama, waar moeten we nu zo dringend naar toe? We zijn toch net terug van bij oma en opa?” Ze had haar zin nog niet afgemaakt of ze kreeg een tik tegen haar hoofd van moeder die haar vervolgens, geïrriteerd door Shararehs vraag, kwaad beval: “Zwijgen, er is geen tijd voor uitleg, pak maar je rugzak en neem wat kleren mee”. En tegelijk draaide zich naar Shohreh die, geschrokken van de reactie van moeder, nog steeds op bed zat, en beval haar: “En jij, wat zit je zo te kijken, sta op!”, terwijl ze haar bij de arm nam, “en help je zus bij het inpakken, veel tijd hebben we niet. De politie kan op elke moment als onkruid voor onze deur groeien. Schat, hier is het niet meer veilig voor ons, we moeten snel vertrekken.” Ze gaf haar een vluchtige kus op het voorhoofd en liep hals over kop de kamer uit. De woorden “politie”, “niet meer veilig”, “vertrekken”, “snel”, “rugzak” flitsten door haar gedachten. De opgewondenheid van haar moeder, de angst in haar lieve blik, de trillingen in haar stem en haar overstuur gedrag lieten vermoeden dat er iets ergs aan de hand was. Maar wat? Ze wist het niet.

 

Ze besefte wel dat ze zich moest haasten en dat er niet veel tijd was om na te denken. Ze kwam in beweging en begon haar rugzak te maken. Een tweetal broeken, enkele T-shirts en pull-overs, ondergoed, tandenborstel, een klompje zeep en haar twee beha’s die ze cadeau gekregen had. Ze had er maar twee, dus leek het haar idioot om maar één van de twee mee te nemen. Op dezelfde manier hielp ze haar zus die stilletjes aan het huilen en snotteren was, haar rugzak te maken. Ze omhelsde haar troostend en fluisterde zachtjes in haar oren: “mama, ziet jou wel graag, ze is gewoon wat gehaast en daarom wat ongeduldig. Allez, veeg je tranen weg en we gaan.” Daarna liep Shohreh naar haar bureau. Plots ging de deur van de kamer met een ruk open. Het was moeder, die wat bleek en met grote zweetdruppels op haar bovenlip opgejaagd vroeg: “En, zijn jullie al klaar? De auto staat buiten op ons te wachten.”

 

Sharareh, die net haar tranen had afgeveegd en op bed op haar oudere zus zat te wachten, was door de plotse inval van haar moeder zo geschrokken dat ze terug aan het huilen sloeg. Moeder nam Sharareh lief bij de hand, en begeleidde haar met geruststellende blik naar buiten. Shohreh, die nog steeds in haar kamer naast het bureau stond, trok snel de la open en nam haar lievelingscassette van Dariush, die ze van haar vriend had gekregen (dat was trouwens het enige wat ze nog van hem had ontvangen), én haar twee opstellen. Die twee opstellen had ze bewaard om op een avond als deze met zich mee te nemen. De twee opstellen die deels tot haar uitsluiting van school geleid hadden. “Onvoorstelbaar”, dacht ze even, “dat enkele woorden, zinnen, onschuldige gedachten, zulke grote gevolgen kunnen hebben die de rest van je leven kunnen overschaduwen.” Ze schudde de gedachte weg en nam als laatste haar notities van de bijlessen wiskunde mee. Op een of ander manier achtte ze het nodig die mee te nemen. Het was immers niet duidelijk hoe lang ze zouden wegblijven. Haastig stak ze alles in haar rugzak en liep naar de deur.

 

Buiten stond een donkerblauwe, overdekte Toyota pick-up. Ze werd samen met haar jonge zus, die droef, doezelig en vol onbegrip naar haar keek, naast enkele kleine koffers in de achterbak van de pick-up geplaatst. Het was donker en muisstil, geen buren die gluren, geen wagens, geen verkeer. Zelfs geen sterren en maan aan de hemel. Alsof ze door hun afwezigheid bescherming wilden bieden om hen door niets of niemand te laten opmerken. Het leek alsof de straat door iedereen was verlaten, het was er stil en eenzaam en zij, zij zaten daar in die verlaten straat in een donkerblauwe, overdekte pick-up.

Plots bekroop Shohreh een gevoel van angst, ze werd alert en begon druk alles om zich heen te observeren. Aandachtig, haast krampachtig keek ze naar de ingang van hun huis, naar de verlaten straat, naar de bomen, de berm, de brug en haar kamerraam. Alsof ze de vlucht rook. Ze voelde dat dit de laatste keer zou zijn dat ze dit alles zou waarnemen. Die gedachte maakte haar wild en onrustig vanbinnen, zo onrustig dat ze aan haar moeders mouw trok. Voor de eerste keer op die gruwelijke avond deed ze haar mond open. Ze vroeg met wanhoop in de ogen: “Zullen we geen afscheid nemen van oma en opa, of zou ik niet even mogen bellen naar Zahra en Marjam om te vertellen dat we even weggaan?”

 

Ze probeerde haar vraag moedig, sterk en beheerst te stellen, maar ze had de trillingen van haar stem en het vocht dat in haar ogen tranen begon te vormen niet onder controle. Haar moeder pakte haar vast en drukte haar tegen haar warme, volle borsten en ze huilden samen, ze keken elkaar aan en zonder veel te zeggen wisten ze dat ze huilden om hetzelfde verdriet, het verdriet alles achter te laten en als een spook in de nacht te verdwijnen, op weg naar een onzekere toekomst, naar een plaats waar ze al of niet welkom zouden zijn, waar ze al of niet een thuis zouden vinden.

 

Een plant kan men altijd verplanten, maar de manier waarop en de soort aarde waarin ze verplant wordt, zijn erg belangrijk. Een plant die brutaal uit de aarde gerukt wordt en elders wordt neergepoot, zal zich ofwel langzaam herstellen, ofwel snel sterven. De bodem waarin ze geplant wordt, is van vitaal belang. En hoewel de littekens van de plotse ontworteling nooit zullen verdwijnen, kan een vruchtbare bodem de getraumatiseerde plant een nieuwe kans bieden om opnieuw te groeien en te bloeien.

 

BAHARAK BASHAR