Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Gezocht: inspraak

TT1_p6.jpg

Kom ik zo op een blauwe maandag aan ’t stadhuis met de vraag wie de inspraakambtenaar is.

“Hoezo?”, vraagt de vriendelijke dame aan de balie.

“Awel”, zeg ik, “de meneerof de madame die mij zou kunnen toelaten om enige inspraak in het beleid van deze stad te verwerven”. “Wel meneer, ik ga voor u ne keer rondbellen om te zien of dat hier bestaat!”.

De dame belt wat rond, terwijl ik de allerlaatste stadsinfo doorneem.

Ik lees over zoveel projecten waar ik graag wat engagement zou willen in nemen. Ik loop namelijk ganse dagen rond met plannen en ideeën over hoe ik mee vorm en inhoud aan het ganse gebeuren in deze stad zou kunnen geven, maar ik vind verdomme mijn weg niet om dit alles te communiceren en te delen.

“Ge kunt altijd terecht op buurtoverlegmomenten”, zegt de dame.

“Worden die ergens aangekondigd met plakbrieven in ’t stad?”, vraag ik heel vriendelijk.

“Goh, meneer”, zegt die dame, “ik zou dat echt niet weten”.

Ik kom zo stilaan tot het indringende besef dat ik die dame best niet langer lastig val. Achter mij staan even zoveel mensen die al of niet hopen op een beetje inspraak in deze stad. Ik lees dagelijks een paar gazetten en telkens moet ik vernemen welke heuse en straffe plannen die mannen van ’t stad voor ons ontwikkelen. Alleen vinden mijn madame en ik dat de plannen telkens in de gazet komen wanneer alles al beslist is. In gesloten stuurgroepen in of rond dat stadhuis. Ik zoek in ’t stad naar plekken waar er kan gedebatteerd worden over de toekomst van dat stadje dat ons zo nauw aan het hart ligt. Er gebeuren veel belangwekkende dingen maar het lijkt zo veraf van de vragen, bedenkingen en ideeën van veel mensen.

 

“Zou onze mening van geen tel meer zijn of is dat zo moeilijk te organiseren, zo’n overleg- en inspraakmoment?”, vraag ik mij af, gezeten op een terras dichtbij dat stadhuis.

Waarschijnlijk zijn wij veel te mondig geworden en hebben we te veel ons eigen gedacht. Moeten we niet opnieuw leren luisteren en respect leren opbrengen voor de mannen van ’t stad? Die worden tenslotte door ons verkozen, wat wil zeggen dat ze toch een en ander mogen beslissen zonder dat ze ons telkens aan onze kop moeten komen zagen. Zo’n slimme mensen moeten toch ook wel weten wat goed of slecht is voor onze stad.

Ik weet het niet echt meer, alleen heeft ons vader mij verteld dat het er in de jaren zeventig en tachtig anders aan toe ging. Dat ge overal in ’t stad van die groepkes had die voor hun gedacht opkwamen. En dat nogal wat van hun ideeën mee werden opgepakt om over na te denken. Daar op de etages van ’t stadhuis, of waar die mannen ook zaten.

Gent bruist en zal nog meer bruisen, gelijk champagne. Ze kunnen nu overal in Europa naar ons stadje kijken: de mama’s die staan te strijken en naar hun scherm kijken, of de jonge mensen die wat depressief zijn en voor de buis hangen. Ze kunnen zien hoe schoon het hier wel is. Allez, het hart van de stad toch. Dat de benen en de voeten van deze stad het iets kouder hebben, wordt natuurlijk niet getoond. Als ge een meiske wilt verleiden, toont ge toch ook alleen maar uwen schoonste kant. Met de minder schone kantjes, daar moeten de meiskes nadien maar mee leren leven. Zo heb ik dat toch altijd geleerd aan mijn maten.

 

Binnenkort hebben we er een haven bij in Gent: Portus Ganda of zoiets. Een plek waar schone en rijke mensen hun jacht kunnen komen tonen. Niet dat ik er ooit op zal mogen, maar we gaan toch ne keer mogen kijken hoe dat schoon volk zich amuseert op zondag.

In de Vooruit hoorde ik van ne slimme mens nochtans vertellen dat een vierde van de woningen in deze stad eigenlijk ‘ziek’ is: van die huizen die in de winter hoesten en bronchitis krijgen. En daar leven ook nog mensen in: mama’s en papa’s met kindjes, schijnt het. Veel vreemd volk, naar ’t schijnt, maar die mogen al blij zijn dat ze dat hebben. En als ’t niet goed is, moeten ze maar harder werken of verdwijnen. Allez, dat was toch hetgeen ik kon afleiden uit de spreekbeurt van die slimme mens.

Ik ben van plan een brief te schrijven naar de burgemeester met de vraag of hij geen goesting heeft om iedere zondagochtend op de Kouter een open hoorzitting te organiseren. Moest hij akkoord gaan, zou ik overal in ’t stad briefkes ophangen om de mensen uit te nodigen om op een vriendelijke manier hun gedacht te komen zeggen.

Niet om ne keer te komen neuten, maar om aan Frank Beke te komen vertellen hoe zij het een en ander mee zouden willen veranderen. Want dat moet toch mogelijk zijn: Frank die niet meer op zijne velo door ’t stad moet rijden, maar die iedere zondagochtend met al wie dat wil nen babbel doet over hoe we deze stad kunnen helpen ‘genezen’, of voorkomen dat nog meer mensen en huizen ziek worden in dat stadje hier?

 

THOMAS VERVAECKE