



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Bart Maris blaast de loftrompet: “Gents muziekcircuit is Europese top”
Trompettist Bart Maris (40) moet zowat alles met een trompet gedaan hebben wat een mens met een trompet kan doen en nog kan hij er geen genoeg van krijgen. Zijn liefde voor muziek lijkt eindeloos en heeft hem een trouwe partner opgeleverd: “ik ben getrouwd met mijn instrument”. Aangezien liefdesverhalen ons mateloos boeien, hebben we het met hem over zijn grote passie en de stad waar hij deze kan botvieren.
Op de eindeloze lijst van groepen en projecten waar Maris ooit naam en trompet aan leende vinden we onder andere Flat Earth Society, dEUS, Think Of One en Briskey. Daarnaast geeft de man les of componeert hij zelf muziek. Op woensdagavond echter, vinden we hem – met getuite lippen en in een innige omhelzing met zijn geliefkoosde instrument – op de planken van de Hot Club de Gand waar hij staat te jammen met jong beloftevol Gents talent. “Ik doe 101 verschillende dingen maar ik sta er steeds volledig achter. Het ergste wat een muzikant kan overkomen is immers dat zijn verhaal niet meer klopt”.
Goed gemutst begroet hij links en rechts nog wat mensen en slaat hij eerst nog een praatje met een oudere man met een lange grijze baard over de verschillende jazzconcerten die die avond geprogrammeerd staan. Ze weten niet wat te kiezen. Het woord ‘overkill’ valt. Twee gebeitelde koppen pratend bij een kop koffie met als decor de Mokkabon. In de Belgische muziekscène lopen er nog zo een paar koppen rond,die men steeds bij voornaam aanspreekt. Arno, Raymond, Roland en nu dus Bart en Tuur. “Opa Tuur. Die zou je eens moeten interviewen. Het is ongelofelijk wat die man betekend heeft voor de Gentse jazzscene. Al twintig à vijfentwintig jaar speelt hij het klaar om ons elke week een podium te bieden zonder er zijn broek aan te scheuren. Het belang van Opa Tuur is de continuïteit die hij biedt. Van grote festivals of concerten die één maal per jaar plaats vinden kan een muzikant niet overleven.”
Gent Muziekstad
> Opa Tuur staat intussen niet meer alleen. Hoe is Gent als muziekstad die laatste vijfentwintig jaar geëvolueerd?
Bart Maris: “Het aanbod in Gent is ongelofelijk. In pakweg Il Negocito, Damberd, Hot Club de Gand of Hotsi Totsi kan men wekelijks gratis optredens bijwonen. Op één avond vinden er op twee, drie of vier verschillende locaties jazzoptredens plaats, dat is waanzinnig. Tegenover het aanbod dat ongeveer vervijfvoudigd moet zijn, staat dat het aantal muzikanten verhonderdvoudigd is. Gent is als muziekstad dus zonder twijfel Europese top maar dat betekent niet dat het hier gemakkelijk is om aan de bak te komen. Met zoveel concurrentie van gratis optredens is het moeilijk om geld te vragen aan de mensen. De muzikanten verdienen bijgevolg niet zo veel aan hun optredens.”
> Gent noemt zich graag de stad van kennis en cultuur. Wat dat laatste betreft, maakt ze dat ook echt waar volgens jou?
“Het is niet de stad die dat waarmaakt. Deze status valt of staat bij gratie van het kleine initiatief. Veel clubs hebben jaren met tegenkanting van de stad af te rekenen gehad. De Hot Club zat vroeger bijvoorbeeld in de Fantast in de Burgstraat maar zij zijn volledig genekt door de klachten van de buren. Een probleem waar de White Cat vandaag ook mee zit. De Charlatan is eveneens jaren en jaren door de stad geviseerd. In Groningen - een stad die vergelijkbaar is met Gent - vond onlangs Eurosonic (Europees muziekfestival in het café- en clubcircuit, nvdr.) plaats. Om zoiets te kunnen organiseren is uiteraard steun van bovenaf nodig. Ondanks tegenkanting moet Gent daar qua aanbod niet voor onderdoen. Dat bewijst hoe hard de muziek hier leeft.”
> Het stadsbestuur werkt dus niet aanmoedigend maar anderzijds wenden ze het bruisende nachtleven wel aan om hun stad te promoten. Hoe sta je ten opzichte van die dubbele houding?
“Ik vind dat stad helemaal geen houding aanneemt. Ze beginnen het nu misschien stilletjes aan te zien maar ze hebben er hoe dan ook weinig of geen greep op. Zoiets komt en gaat maar wordt in de eerste plaats van onder op gebouwd. Twintig jaar geleden had je twee grote muziekcafé’s: het Damberd en de Charlatan. Zij legden samen met Opa Tuur de basis van de muziekstad die Gent vandaag is. Veel buitenlandse muzikanten vonden het ongelofelijk dat je hier in het midden van de week kon optreden en jammen. Ik herinner mij nog de toen zestienjarige Xero Slingsby (legendarische jazzmuzikant, nvdr.) die met zijn toenmalige groep door heel Europa rond trok. Ze waren op dat moment op een beetje op de dool en zijn een jaar in gent blijven plakken. Ze konden toevallig logeren boven de Charlatan en ondertussen speelden ze hier en daar mee met Vaya Con Dios en ik-weet-niet-wie nog allemaal. Die constante doorstroom van muzikanten allerhande is erg verrijkend. Ik ben dat in andere steden waar ik moet optreden nooit in die mate tegengekomen.”
Autodidact
> Je bent zelf ook een muzikant die hier is blijven plakken. Hoe heb jij als Ninovenaar in Gent je weg gevonden?
“Ik ben als functioneel graficus aan Sint-Lucas afgestudeerd. Ik was met muziek bezig maar absoluut niet met de bedoeling daar mijn boterham mee te verdienen. Toen ik klaar was met mijn burgerdienst, was de computer al een redelijk ingeburgerd medium in de grafische wereld. Wilde ik nog mee kunnen draaien moest ik op eigen kosten een peperdure opleiding volgen. Ik heb tot op vandaag nog altijd geen feeling met computers. Ik bezit er nog maar een paar jaar één. De muziek nam zo langzaamaan de bovenhand en via het netwerk dat ik hier al had ben ik er letterlijk in gerold.”
> Je bent een muzikaal buitenbeentje. In een recensie werd je omschreven als een muzikant uit de buitenwijken van de jazz. Wat moeten we daaronder verstaan?
“Trompettechnisch ben ik zeer autodidact. Ik heb wel notenleer gehad op de muziekschool maar ik ben dan grafiek gaan studeren. Op het moment dat ze in Gent met een afdeling jazz begonnen ben ik daar wel naartoe getrokken maar als buitenstaander. Ze hebben mij daar nooit trompet leren spelen. Ik ging er om te leren improviseren en samen te spelen met andere muzikanten. Mijn trompettechniek is niet bruikbaar om bijvoorbeeld in een bigband te spelen. Ik heb altijd mijn eigen weg gezocht. Niet altijd gemakkelijk te definiëren maar wel authentiek en journalisten geven daar dan een mooie naam aan. Begin jaren tachtig hadden we bijvoorbeeld een groepje dat ‘fukkeduk’ heette. Zoals steeds maakten we muziek die niet meteen onder één genre thuis te brengen is. Omdat er geen zang bij zit noemen ze het nooit rock, dus noemen ze het maar rare jazz.”
> Is er een groot verschil tussen geschoolde en niet traditioneel geschoolde muzikanten?
“Eén van de grote voordelen van in Ninove op te groeien was dat er veel naar Frank Zappa en Jetro Thull geluisterd werd. Zappa is heel avant-gardistische muziek die weinig met trompet te maken heeft. Met Miles Davis of Louis Armstrong moesten ze bij mij toen niet afkomen. Zo legt iedereen zijn eigen parcours af maar binnen een school wordt dat veel meer gestructureerd. Het voordeel daarvan is dat die gasten technisch ongelofelijk sterk zijn. Wat ze niet hebben is visie en een eigen verhaal. Je hoort ze een paar clichés spelen maar je zou ze nooit herkennen tussen tien anderen. Om zo’n eigen verhaal te ontwikkelen heb je een goede biotoop nodig. Het cafécircuit of met nieuwe muzikanten samenspelen kan dit stimuleren. Je moet confrontaties durven aangaan anders leer je niets nieuws kennen. Op het conservatorium is dat toch een fundamenteel element dat ik mis. Ik zie muzikanten die bij ons zijn afgestudeerd in bekende Vlaamse popgroepen of in tv shows. Die gasten vinden dus zonder probleem hun financiële weg. Maar ik hoor weinig originele Gentse producten die het maken.
Ze komen hier buiten met een diploma maar dan begint het pas. Dan moet je gaan communiceren maar als je geen verhaal hebt en niets te vertellen hebt ben je rap uitgespeeld. Een verhaal vertellen waar je niet achterstaat dat is zowat het ergste wat een muzikant kan overkomen. Maar heel je leven muziek maken enkel en alleen om er je boterham mee te verdienen, kan volgens mij niet de bedoeling zijn.”
101 verhalen
> Ben jij al vaak wakker geworden met het besef: oei mijn verhaal klopt niet meer?
“Vroeger speelde ik vaak met dj’s en we deden heel wat discotheken aan: Red en Blue, Phill Collinsclub, LaRocca of Boccaccio. Ik ben daar niet fier op maar een mens moet ook eten en het is een goede training, zolang je in je eer wordt gelaten. Soms wordt je echt opgevoerd als de trompettist in een zwart costume op zijn sokkeltje. Mochten ze mij herkennen, ik zou er niet fier op zijn. Je bent in constante contradictie met jezelf als je muziek maakt: je moet zoeken naar de compromis tussen wat wil ik doen en wat kan ik doen.”
> Je palmares is indrukwekkend. De groepen en projecten waar je bij gespeeld hebt lijken eindeloos. Wat is het langste dat je iets volgehouden hebt?
“Met Peter Vermeersch - vroeger was dat X-legged Sally, nu Flat Earth Society - speel ik toch al twintig jaar samen. Ook Think Of One heb ik tien jaar volgehouden. Ik heb dan voor Flat Earth Society gekozen. Dat verloopt wel met tussenpauzes en ondertussen doe ik nog van alle andere dingen. Ik heb variatie nodig om iets lang te kunnen volhouden. Op het podium staan in de Hot Club staan is te vergelijken met hoe wij hier nu zitten te praten. Je vraagt: ‘wat wil jij eigenlijk weten van mij’, en er ontstaat een conversatie maar dan met instrumenten in plaats van met woorden. In andere projecten zijn het partituren die de leidraad vormen. Op nog andere momenten ben ik arrangementen in elkaar aan het steken, dat is dan weer knutselen. Allemaal muziek maar op een totaal andere manier.”
> Je hebt muzikanten die zich opsluiten en aan één stuk aan één project werken. Jij lijkt mij eerder de tegenpool die links en rechts zoveel mogelijk probeert te spelen.
“Ik ben geen controle freak. Als ik met een drum en een bas en een piano speel ben ik slechts de trompet. Ook als ik muziek schrijf kan ik dat loslaten. Eens het af is gaan die stukken vaak een eigen leven leiden. Het is net als bij kinderen: ik hoop dat het goed muzikanten zullen worden maar voor hetzelfde geld worden het boekhouders. Het is soms wel op je tanden bijten als je hoort hoe ze je nummer verknipt en verplakt hebben. Maar dat moet je erbij nemen. Er zijn mensen die op dat moment geen stap terug kunnen zetten: ‘Het is mijn muziek en die moet zo gespeeld worden’. Met zo’n mensen werk ik niet samen. Ik hou ervan als mensen mij vragen: ‘Bart we hebben nog iets op trompet nodig.’ Dan zien we wel wat we er samen van kunnen maken. Soms ben ik daar tevreden mee, soms ook niet, maar dan zij het zo.”
> Je leeft van de muziek; letterlijk en figuurlijk. Wat betekent dat voor jou?
“Ik leef van mijn passie en ik besef maar al te goed in wat voor luxepositie ik zit. Muziek is meer dan spelen alleen. Ik doe daar veel dingen rond. Ik geef nu workshops aan beginners. Ik geef ook een beetje les aan het conservatorium. De combinatie van dat alles maakt de zaak leefbaar. Maar ik doe het ook graag. Eigenlijk zijn het 101 parallelle verhalen. Als ik de gelegenheid krijg om een verhaal verder uit te werken stap ik daarin mee. Ik geloof niet in een afgewerkt product, daarom dat ik zelden platen maak. Wat mij stoort aan een platenmaatschappij is dat je verplicht wordt een plaat te maken en bij elk optreden wil iedereen die horen. Toen ik in de beginjaren van dEUS zo nu en dan meespeelde, experimenteerden zij gedurende twee jaar. Tegen het einde kwam daar dan een plaat uit. Nu kruipen die groepen op voorhand in de studio en wanneer hun plaat af is moeten ze op tournee om die honderd keer na elkaar te spelen. Ze kunnen niet anders want de mensen willen een op voorhand in elkaar gebokste format horen. Het toffe aan de Hot Club is dat de mensen niet weten wat hen zal overkomen. Alles ontstaat op het moment zelf. Dan zeg ik ‘dat is wat ik vandaag doe maar morgen doe ik weer iets anders’. Ik speel ook niet zomaar n’importe quoi, nee dat is mijn verhaal en ik sta daarachter.”
Lokale ambities
> Het dilemma tussen een format spelen en die herhalen of telkens iets anders op kleine plaatsen brengen, is roem en succes bij het grote publiek. Heb je daar moeite mee of is het een gemakkelijke keuze?
“Het is altijd heel fijn om beroemd te zijn. Ik ben ooit verkozen tot muzikant van het jaar. En ik verzeker je dat het heel plezant is om op het podium van de Ancienne Belgique een plaasteren beeld in de lucht te steken. Maar beroemd zijn is geen einddoel. Je vertelt een verhaal en je zoekt natuurlijk een publiek maar als je dat publiek niet vind wil dat niet noodzakelijk zeggen dat je slecht bezig bent. Ik maak ook muziek voor God en mezelf. Al is en blijft muziek wel communicatie en dat wordt vaak onderschat. Het voordeel aan veel verschillende dingen doen is dat ik veel verschillende mensen tegenkom. Dat geeft me de gelegenheid om mijn verhaal af te toetsen.
Roem is ook erg relatief. We kijken alleen maar naar onze eigen Vlaamse radio en wat daar bekend is. Als je op buitenlandse alternatieve rockfestivals speelt is er een naam die altijd valt: ‘vous venez de la Belgique, vous connaissez Univers Zero?’ Ik ben nu twee keer geïnviteerd om mee te werken aan hun plaat. Internationaal is dat cult maar in België is er geen haan die ernaar kraait. Styrofoam haalt in België ook niet veel pers maar die hebben een tournee gedaan in Amerika waar veel Belgische groepen voor zouden tekenen.”
> Hoe zit het nog met jou ambitie?
“Beroemd worden is in ieder geval geen prioriteit. Ik heb geen my space, geen website en op google kom je ook niet veel tegen over mij. Daar zal het dus in ieder geval niet van komen (lacht). Ik ben veel meer actief in Gent dan vroeger: Flat Earth Society, Va Fan Fahre, de Propere Fanfare, Goeste Majeur muziekschool, Briskey, Hot Club de Gand, Muziekmaatschappij Excelsior… Ik doe mijn best om zoveel mogelijk te investeren in het Gentse culturele leven. Sinds ik vader ben vind ik het ook belangrijk om te investeren in het muzikaal potentieel van de jeugd. Waarom haken zoveel jongeren af op de muziekschool? Niet omdat ze hun instrument niet graag spelen maar door de manier waarop het aangeleerd wordt. In het Goeste Majeur project in de Brugs Poort probeer ik met dat gegeven aan de slag te gaan. Ik probeer bij die kinderen het plezier van samen muziek maken te stimuleren. Dat het technisch niet honderd procent is, is van ondergeschikt belang.
Ik ben nu op een leeftijd dat ik de vader kan zijn van de gasten waarmee ik samenspeel in de Hot Club de Gand.. Hen uitnodigen in de Hot Club is mijn methode om met andere generaties in contact te komen. Zo blijf ik de ontwikkeling van de Gentse muziekscène van heel dichtbij volgen. Gaan luisteren is een andere manier maar ik ben muzikant dus ik speel liever zelf. En die gasten krijgen de kans om zichzelf te tonen. Ik doe het ook voor mezelf hoor. Binnen tien jaar kan ik dan zeggen: “Met die gasten heb ik nog samengespeeld”(lacht).
BERBER VERPOEST

Beste redactie, Een inwoner
Beste redactie,
Een inwoner van Ninove is geen Ninovenaar, zoals Berber stelt in dit overigens zeer interssant artkel, doch wel een Ninovieter.
Ik ben zelf een Ninovieter dus ik kan het weten.
Met vriendelijke groeten