Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

En dan nu: NUNC

TT04_p10_NUNC.jpg
(foto: Bram Vandeveire)

Het jonge theatercollectief NUNC is momenteel aan zijn derde productie toe. 'Raissonez?' wordt opgevoerd in de tot de verbeelding sprekende Norbertijnkapel in het Patershol. Het blijkt de ideale setting voor een stuk over het oermenselijke thema wraak. Benieuwd naar de man achter het gordijn zocht TiensTiens het gezelschap op van Benjamin Van Tourhout, artistiek leider van NUNC.

 

“NUNC betekent ‘nu’. We kozen voor die naam omdat elk toneelstuk uniek is. Je kunt nooit tweemaal hetzelfde stuk zien, of spelen als acteur. In een maatschappij waar oneindige herhalingen van hetzelfde zich als een vast patroon in onze hoofden lijken te nestelen, toont theater de breekbaarheid en de kwetsbaarheid van ieder moment. De spanning, het publiek en de setting maken elke opvoering onherhaalbaar. Een voorstelling spelen is een manier van communiceren. Je brengt een verhaal op de planken dat je in een bepaalde vorm giet, met de kostuums als sculpturen. Wanneer je dat toneelstuk zou publiceren op papier, raak je een stuk van de setting en van het verhaal kwijt.”

 

In hun meest recente stuk buigt NUNC zich over het thema wraak. Een onvermijdelijk onderwerp, omdat het volgens Van Tourhout behoort tot het diepste wezen van de mens. Termen als ‘goed’ of ‘slecht’ zijn in de discussie over wraak niet van toepassing. In ‘Raissonez?’ slaat wraak bijvoorbeeld even goed op de rechtlijnigheid van de koning ten opzichte van zijn volk, als op de kwetsbaarheid van het besturen. In het stuk loopt de wraak uit de hand door een opeenstapeling van kleine toevalligheden.

 

Maar welke boodschap heeft het publiek daaraan? “Om de boodschap te vertalen naar onze maatschappij, kan je een vergelijking maken met de leiders die we nu hebben. Het privé-leven van de koning wordt in ‘Raissonez?’ niet centraal geplaatst. Hij bestuurt het volk en doet dat zo goed mogelijk, vanuit zijn rol als koning. De leiders uit het echte leven geven ons echter een vals gevoel van veiligheid door hun privé-leven tentoon te spreiden. In Koksijde wil men zelfs een glazen bol bouwen die dienst moet doen als bureau voor de burgemeester! Die valse doorzichtigheid in de politieke sfeer komt steeds vaker voor. Al probeert men besturen nu veelal te beperken tot technische maatregelen, toch zie je nog steeds dat kleine toevalligheden de boel grondig in de war kunnen sturen. Politiek is geen planologie. Toeval valt niet uit te sluiten uit het besturen. Kijk maar naar wat onlangs gebeurde in Frankrijk, toen jongeren uit de banlieu in opstand kwamen. Enkele jongeren vluchten een electriciteitskabine in, vinden de dood, waarop Sarkozy als minister van Binnenlandse Zaken enkele stomme uitspraken doet en de boel ontploft. Al begon het protest misschien niet uit politieke overwegingen, al snel werd dit verzet een politieke daad.”

 

Is theater, en meer algemeen cultuur, dan iets wat steeds dicht bij de mensen moet staan? Soms wordt gezegd dat juist afstand mensen kritischer maakt? Van Tourhout: “Of afstand mensen kritischer maakt, valt nog te bezien. Je moeder is bijvoorbeeld zowel diegene die het dichtst bij jou staat, als diegene die de scherpste kritiek levert. Anderzijds moet je ‘cultuur’ ook niet gaan bekijken als een kampvuurgebeuren waar joligheid en gezelligheid primeren. Maar ik betwijfel dat het publiek niet kritisch zou zijn als je het heel nabij laat komen. Je moet trouwens toch niet voortdurend in discussie willen treden? We lijken wel geobsedeerd door meningen.” Tsjechov zei ooit: “Voor 3 Roebel koop ik een mening!” Op elke straathoek koop je een krant met meningen. “We zijn echt opiniefabrieken geworden”, zo stelt Van Tourhout. “Het is alsof je er tegenwoordig niet meer bij hoort wanneer je over iets geen mening hebt. Misschien heeft dat te maken met het individualisme sinds de jaren ’60. Sindsdien lijken we ervan uit te gaan dat we het heft in eigen handen hebben. Ben je werkeloos, dan is het je eigen schuld! Verdienste lijkt wel een moderne mantra.”

 

“Ik heb mijn twijfels bij deze trend. Het is maar de vraag of we als individuen alles in de hand kunnen houden of zelf kunnen bepalen. Onze kwetsbaarheid, een gevolg van de context waarin we leven, komt in dit verhaal niet meer voor. In de toekomst wil ik ooit een voorstelling maken over ‘contextloze mensen’. Wat doet een oorlogsheld bijvoorbeeld met zijn eer als de oorlog allang voorbij is? Wat is een schoolmeester zonder leerlingen? Wat is de rechter zonder schuldige? Ik kan me vinden in wat Youp van ‘T Hek over de Mei ’68-generatie zei: ‘Wij wisten alles, we hebben het moment ervoor gehad en toch hebben we niks gedaan. Het enige wat van die generatie rest zijn de Grumpy Old Men. De cynici zijn diegenen die nu in de zetels van de macht zijn beland. De failliete generatie van ’68.’

Gelukkig evolueren we opnieuw naar een ‘nieuwe romantiek’. We willen weer verhalen. Het fenomeen van de Blogs op Internet is daar een signaal van, of het succes van de Indische Bollywood-films. We mogen ons eindelijk weer eens laten gaan; de ‘verplichting’ om kritisch te zijn is een beetje weg. En trouwens, wie zegt dat emotionaliteit een kritisch perspectief in de weg staat?”

 

Is engagement dan niet belangrijk in kunst en cultuur? Van Torhout is een sterke pleitbezorger van sociaal engagement, maar NUNC is geen sociaal-artistieke project, waar betrokkenheid een doel op zich is. “In het theater dat NUNC maakt is niet zozeer de doelstelling, maar eerder de vraagstelling belangrijk. In ons tweede stuk, ‘Triphonia’, stel ik bijvoorbeeld de vraag wat trouw is. We lijken behoorlijk ontrouw aan de trouw te zijn. Onze visie op ‘trouw zijn’ verandert naar gelang de tijd en de ruimte waarin we leven. We zijn ontrouw aan onze herinneringen. Ik weet niet of dat echt in ons voordeel is als mens. Elke herinnering dient immers het dagelijkse belang. Ik vind overal inspiratie voor mijn stukken, antwoorden op de vragen die ik stel. Verhalen kan je gewoon sprokkelen op straat, al zijn ze daarom niet meteen zo concreet als ‘er is een kindje gevallen’. Alles is te herleiden tot ‘verhalen’ en hoe die deel uitmaken van ons leven. Mensen doen niets anders dan verhalen vertellen. Daarom is roddel zo belangrijk in onze samenleving. We smukken in ons leven constant zaken op.”

 

“Toch klopt het niet dat de realiteit de fictie altijd overtreft. Soms kan je meer uit verhalen putten wanneer de tijd zijn werk heeft gedaan. Met het verstrijken van de tijd kunnen verhalen sterker worden verteld. Er komt meer ruimte voor het heroïsche, het indrukwekkende. De Tweede Wereldoorlog, de Kruistochten, het Paard van Troje, ... Het ligt allemaal ver achter ons, dus voelen we ons vrijer om te foefelen met wat waar is en wie nu wie tegenkwam. De ‘verte van de tijd’ geeft theatermakers vleugels. Je kunt het wel goed menen als je een bepaalde gebeurtenis uit de nabijheid op de planken wil brengen, maar dit mislukt meestal toch. In sommige stukken wordt zogezegd ‘de straat’ getoond, maar theater staat los van de straat. Je kunt de straat niet inpassen in een pluchen zetel.”

 

Sommige sociaal-artistieke huizen, zoals Victoria Deluxe en Nieuwpoorttheater, slagen er volgens Van Tourhout in om de kwaliteit van theater aan de doelstelling van een sociaal-artistiek project te koppelen. Maar dat is niet vanzelfsprekend. “Dat de doelstelling het traject is dat de deelnemers aan het sociaal-artististieke project afleggen, is op zich geen probleem. Toch moeten we eerlijk durven toegeven dat deze werkwijze niet altijd een garantie is voor kwaliteit. Er was ooit een tijd waarin het genoeg was om in een minderheid te zitten om op de planken te mogen staan. De vraag is of die minderheidsgroepen op de duur niet eerder als gimmick dan als echte acteurs worden beschouwd. Het blijft opletten niet in een rariteitenkabinet te verzanden. Als we sommige televisieprogramma’s aanvallen omdat er dwergen worden in opgevoerd, kunnen we bepaalde theateruitvoeringen daarvan toch evenmin vrijstellen? Is het niet hypocriet om het fenomeen aan de ene kant te gaan esthetiseren voor een klein hooggeschoold publiek, terwijl het op de kabel, voor de massa, pervers zou zijn?”

 

Zou cultuur dan niet een klein beetje de wereld kunnen redden door mensen een stem te geven via cultuurparticipatie? Volgens Van Tourhout kan men veel culturele expressievormen die van onderop ontstaan, niet institutionaliseren. “Hiphop wordt soms binnengehaald in onze cultuurtempels, maar dat wringt, omdat het een fenomeen is van de straat. De realiteit blijft altijd voor een deel achter op de straat waar ze vandaan werd geplukt. De rellen in Frankrijk ontstonden wel omdat jongeren geen stem krijgen, maar je moet toch vooral kijken naar de armoede die in de Parijse buitenwijken heerst. Bertolt Brecht wist al dat ‘brood op tafel voorgaat op cultuur of op theater’. Het is niet omdat die gasten niet gehoord worden, dat onze geïnstitutionaliseerde manier van cultuur hierop een antwoord kan bieden. Cultuurparticipatie onderzoeken, zoals onlangs gebeurde in opdracht van Anciaux, is wel nuttig- het staat nu op papier dat inderdaad niet zoveel mensen naar het theater gaan - maar wat doe je daar in godsnaam mee?” Het doet van Tourhout denken aan de verplichting om in het middelbaar onderwijs naar het theater te gaan. Zonder enige context worden jongeren gedropt in de zaal, terwijl ze zich afvragen wat in godsnaam de bedoeling is.

“Je kunt ‘cultuur’ beschouwen als een secundaire behoefte. Geen mens die zich afvraagt naar wat voor theaterstuk of operaopvoering hij nu eens zou gaan kijken wanneer hij aan het OCMW staat en zijn maag ronkt. Toch heeft elke mens behoefte aan spelen en bespeeld worden. Kijk maar naar het succes van carnaval. Ik zie het als een luxe me te kunnen bezig houden met deze ‘luxe’ van mensen…”

 

PASCAL DEBRUYNE EN MIEKE NOLF