



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Zuiderbegraafplaats - Twee keer enkel (2)
Het winteruur is weer ingesteld, de valavond is in één ogenblik een uur dichterbij.
Vreemd toch, alle winkelvitrines fel verlicht in deze vroege duisternis, en dan vraag je jezelf af waarin het nut van deze energiebesparende regel zit.
Maar er zijn plaatsen in de stad waar er totaal geen rekening gehouden wordt met dergelijke aardse maatregelen, plaatsen waar de tijd niet van belang is, plaatsen waar absolute rust heerst. Hier leeft men alleen nog in gedachten verzonken, zoals de doden verzonken zijn in hun graf.
Eenendertig oktober, een duistere regenachtige dag, een dag waarop de geesten van alle overledenen die de weg naar absolutie nog niet hebben gevonden ronddolen, een dag van somberheid aangedikt met een koude oostenwind. Met een pak bloemen in mijn hand sta ik aan een bushalte, wachtend op de bus die mij naar het kerkhof zal brengen.
Een halfuur later arriveer ik op mijn bestemming.
Twee hoge rode schoorstenen tekenen zich vreemd af tegen de lucht, die gevuld is met zwangere regenwolken, ik loop over kasseien die vochtig blinken in het licht van de ondergaande zon, een grote smeedijzeren poort vertelt me dat ik aan de ingang gekomen ben van een Laatste Rustplaats. De wind fluit over de graven, en in gedachten verzonken bij de herinnering van een overleden dierbare, begeef ik me tussen de vele naamstenen.
Hier speelt de tijd inderdaad geen rol, of misschien alleen voor de achtergeblevenen zoals ik, die enkele keren per jaar deze tijdloze wereld betreden, een ruimte zonder muren of grenzen, een plaats waar vergeten emoties je tranen weer beroeren.
Het wolkendek geeft de ondergaande herfstzon even ruimte, de schaduwen van bomen, grafzerken en kruisbeelden rekken zich uit over dit dodenrijk.
Een koude rilling loopt over mijn rug. Ik bevind me blijkbaar in het oudste gedeelte van het kerkhof, grafstenen waarop nog amper de namen van de afgestorvenen leesbaar zijn, omgevallen en stukgebroken geloofssymbolen, ingezakte grafkuilen met gebarsten zerken waaruit de duisternis zich probeert te bevrijden. Wanneer ik mijn stap versnel om me uit dit lugubere decor te verwijderen, begint het te regenen, de zon is intussen weer achter de wolken verdwenen en, nog steeds op zoek naar het graf van mijn grootmoeder, slaat in de verte de klok van een kerk vijf maal. De avond heeft zijn intrede gedaan.
Ik begin er aan te twijfelen of ik mijn oma nog wel zal vinden, en een lichte vorm van paniek manifesteert zich in mijn geest, zoals toen ik nog zeer jong was en verloren gelopen op dat grote strand, en huilend op zoek was naar haar.
Ik sta nu voor een open ruimte van drie op vier meter. In tegenstelling tot de andere graven die met een zerk en soms met bloemen zijn versierd, is dit graf slechts begroeid met wat wild gras en onkruid. Het ligt bij de oude muur die het kerkhof omgeeft. Op het eind van dit perceel heeft men een soort altaar geplaatst met een grote gevleugelde zandloper erop gebeiteld, geen kruisbeeld of enig ander kerkelijk symbool. Middenin het onkruid ligt een zware arduinen plaat. Op deze steen heeft blijkbaar een tekst gestaan, maar die is al lang verweerd en onleesbaar geworden.
De steen lijkt veel kleiner dan alle andere zerken, toch gaat het hier zeker niet over een kindergraf. Een brede ijzeren beugel is over deze ‘deur naar de duisternis’ geplaatst, alsof ze door niets of iemand beroerd mag worden.
Ik sta als aan de grond genageld. Dit heb ik nog nooit gezien, ik bevind mij in een scène van één of andere vampierenfilm, zeker wanneer ik achter me de kiezels hoor kraken waarmee de paden van dit kerkhof bezaaid zijn. Een beetje beangstigd draai ik mijn hoofd.
Een oudere man gehuld in een lange donkergroene regenjas met de kap ver over zijn hoofd komt naar me toe, ik draai me om en deins wat terug, met één voet stap ik op de arduinen plaat, met de andere vertrap ik het onkruid, het koude zweet breekt me uit.
“We gaan afsluiten, meneer”, spreekt hij met zachte stem,”we sluiten nu een uur vroeger, het wordt zo snel donker, en de doden moet je s’nachts met rust laten, vind je niet?”.
Ik knik en probeer iets te antwoorden, maar voor ik enig geluid kan voortbrengen, spreekt hij opnieuw. “Het is hier niet veilig, jongen, en zeker niet bij avond als het regent, de grond is hier nogal onstabiel, daar waar jij staat bijvoorbeeld”. Ik voel mijn linkervoet in de drassige aarde zinken en kijk hem angstig in de ogen. “Geen angst, mijn zoon,” lacht hij, “jouw tijd is nog niet gekomen. Ga nu maar en blijf vooral op het pad.” Hij draait zich om en verdwijnt tussen de graven.
Een uur later kom ik weer thuis, mijn vrouw zit naar televisie te kijken. “Hoe zie jij eruit?”, vraagt ze, “het lijkt wel of je een spook hebt gezien.” Dan ziet ze het pak dat ik nog steeds in mijn vuist gekneld houd. “Wat lief van je, zulke mooie bloemen!”
‘Ueuh ja, alstublieft,’ stamel ik.
PATJE
