



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Terug
Hij lacht. Het doet pijn. Gek, denkt hij. Lachen terwijl het pijn doet. Hij gaat zitten, houdt zijn hand tegen zijn buik. De pijn blijft zeuren. Behoedzaam wrijft hij over de pijnlijke plek. Het is niets, denkt hij. Hij lacht opnieuw. Het is niets, en zijn hand knijpt zijn vel fijn net onder de ribben. Hij staat op. Alles is gewichtloos. Zijn hand glijdt in zijn broek. Het doet pijn. Hij haalt zijn geslacht uit. Gek, denkt hij en kreunt. Lachend schuift hij het terug in zijn boxerschort. Zelfrelativering. Z’n linkerhand voelt een beetje plakkerig aan. Hij ruikt eraan, loopt naar de wastafel waar hij het water overvloedig laat lopen en frist zich op. De pijn blijft. Hij haalt zijn riem strakker aan. Alsof de pijn er lichter van wordt. Als hij terug gaat zitten moet hij zijn riem lossen. Hij wrijft over de rode plekken op zijn smalle heupen. Het is niets. Hij bestudeert zijn schoenen, bedenkt dat hij ze eens moest poetsen.
Hij kijkt voor zich uit. Er is niets. ‘Wou bijten, wou echt wel eens bijten’, denkt hij. Maar er is niets, n moet lachen waarop hij het terug uden. Want dat weetngen betast. En de spieren doorheen,niets om grote happen van te nemen. Niets dat buit oplevert. Alleen je lijf mag mee, alleen je lijf dat pijnlijk zanikt. Hij strikt zijn veters en stapt naar buiten, een goedkope windjack slordig om zich heen geslagen en een muts achteloos op het hoofd. Hij zwaait zijn been over zijn fiets. ‘Verdomd, ik ga fietsen.’ Langs het water, alsmaar rechtdoor. Fietsen tot het lachen me vergaat. Tot ik één word met dat water, dat langs me stroomt.
Het is al donker. De zwakke lichtstaal van je fiets zoekt zich een weg langs het jaagpad. Je lacht. Nog altijd. Dit verdomd stilzwijgen in je hoofd. Heb je het daarvoor gedaan?, daarvoor gelaten? Een verlaten fabriek uitpuilend van de opengescheurde zakken afgedragen kledij grijnst naar hem. Één zootje nat. Hij rilt. Het is er niet. Is het er wel ooit geweest? Je gezicht. Is het er ooit wel geweest? Die lach waar je niets over weet. Je benen worden gevoelloos. Is het dat? Is het dat maar? Bloed dat pompend zich een weg baant tot je schreeuwt, of lacht, of is dat ook allemaal om het even? En je weet niet eens waar het vandaan komt, waar jij in godsnaam vandaan komt?
Zijn benen gaan op en neer. Moet het kunnen, altijd en overal. Op en neer. Hij blijft lachen. Zijn gezicht, asgrauw. Dit is niet te harden. Op en neer. Dit is om stil bij te blijven staan alhoewel hij als een gek fietst.
Een hond is zijn angst op het spoor en snelt hem achterna. ‘Hij wel, hij is wel uit op buit’. Hij voelt zijn trappers bijna niet meer. ‘Wou bijten, wou bijten’. Z’n honddolle mond stukbijten.
Tot de dreiging wegvalt, slap als een plan dat in duigen valt. De hond staat plots stil, met z’n enorme tong bungelend uit zijn mond. Gunt je geen blik meer waardig. Een man doet hem zijn halsband om. Hij kwispelt. Je milt steekt.
Dit pad, rechtdoor. Of je nu omkeert of niet. Alsmaar rechtdoor. Terug naar af, of verder. Je trapt achteruit in een poging de kramp uit je benen te halen. Of je nu gebeten wordt of niet. Door de hond, door de hond. Die dolle hond. Je knijpt je neus dicht voor de stank van een fabriek die ’s nachts loost.
Alles loost zichzelf leeg, in een eindeloos herhaling, traag. Gooit het alles rondom vol.
Het begint te motregenen. Van die regen die je kleren doorweekt. ‘Ik weet dat het moet gebeuren. Ik weet het, het kan.’ Je blijft trappen. Steeds maar verder. Er is geen ontsnappen mogelijk. Dwaas die je bent. Wat had je gedacht? Zie je daar eens inééngedoken op je fiets. Tijd om terug te keren! Maar je durft niet. Alsmaar rechtdoor. Zo simpel is dat. Je rilt. Zwerfvuil en dood riet drijven op het stille water dat wacht tot de beweging terug klotst.
Het kan. Echt. Het kan. Terugkeren.
Je gooit je been over je fiets, en trapt je terug in de tijd. Dit is het moment. Het is er. Je hoeft alleen nog maar terug te keren. De tijd intrappen. De regen valt nu vlak in je gezicht. Dit is net goed. Denk je.
Alleen nog de regen. Net goed. Net nu.
Je lacht.
Terug.
Hilde Droogné
