Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Waar waren de Gentenaars in 1302?

Gent beroemt zich graag op zijn rebelse verleden, maar in 1302 stuurde de stad haar kat naar de Groeningekouter in Kortrijk, in de vorm van ene Jan Borluut (naast allround-held, ook een nogal vulgaire sluipmoordenaar). De Gentenaars hadden zich aan de vooravond van de slag namelijk laten afkopen door Filips de Schone, de snode Franse koning van dienst.

Op 11 juli herdenkt Vlaanderen elk jaar de Guldensporenslag. Dat gebeurt vrij massaal, tenminste als er gratis drank en muziek bij komt kijken. Anders blijft de Vlaming liever thuis en herdenkt justement niks. Geheel terecht overigens; dat die hele Guldensporenslag volstrekt niets - maar dan ook NIETS - te maken had met enige vorm van Vlaamse bewustwording toonden historici ondertussen meer dan overtuigend aan. Zelfs tussen de Vlaamse steden leefde er niet veel solidariteit. En geen enkel geval bewijst dat zo overtuigend als dat van Gent.

Snelle Flup en Seniele Gwij
Heel het Guldensporengebeuren kadert binnen het feodale conflict tussen Filips De Schone en Gwij van Dampierre. Filips was koning van Frankrijk en is vooral bekend voor het in brand steken van de Tempeliers, zodat hij hun geld kon inpikken, en voor het vervolgen van iedereen die hem verder niet aanstond. Voor de rest was Flup een hele toffe ket.

Ook Gwij van Dampierre was heel beminnelijk, zolang je niets gemeen zei over zijn moeder, Margaretha. Die trouwde eerst met ene Burchard van Avesnes, tot bleek dat Burchard een priester was. Margaretha koos daarna voor Gwij’s vader, een verarmd edelman die niet te kiezen had en dus trouwde met de ex van een pastoor. Na een tijdje begonnen de zonen uit de twee huwelijken tegen elkaar te vechten, waarna de Dampierres Vlaanderen kregen en de Avesnes Henegouwen.

Op zich was Vlaanderen (grofweg het huidige West- en Oost-Vlaanderen, plus nog een stuk Frans-Vlaanderen) een wat vergiftigd geschenk. Een hele reeks mensen verwachtten vanalles van de arme, oude en krakkemikkige graaf (tegen 1302 was hij 76) en allemaal vonden ze dat hij niet goed bezig was: de Franse koning (zijn baas), de Engelse koning (zijn wolleverancier), de adel, de handelaars, de gilden, ... En boven dat alles zweefde de paus, die iedereen die iets deed dat niet strookte met de verlangens van God (of de economische belangen van de kerk) in de ban sloeg en naar de hel stuurde. De hel was toen nog niet zo vol als nu, maar toch lag dat gevoelig.

De ene Jan is de andere niet

Bij de steden was Gent een bijzonder zorgenkind van de graaf. In die stad begon in 1282 een vete die bepalend zou zijn voor de afwezigheid van de Gentenaars op de Groeningekouter. Ene Arnulf Papenzoon verbrak toen zijn verloving met Elizabeth Borluut om zich te verloven met Annekin de Brune. De de Brunes behoorden tot de concurrerende clan van Sint-Baafs en de famile Borluut toonde zich volstrekt not amused. Hun wraak bleef nochtans subtiel: ze sloegen Arnulf dood. Elizabeth verdween in het klooster, Annekin zocht zich een nieuwe vrijer.

De moord bleef onbestraft, maar in 1287 gaf Jan Borluut (broer van Elizabeth) Jan de Brune (broer van Annekin) een daverende lap op zijn tronie, in het midden van de Graslei nog wel. Volgens ene Jan had andere Jan gelachen met het feit dat ene Jan zijn zuster in het klooster had weggestopt. Het feit dat kort daarvoor Jan de Brunes nonkel -Mathias van Sint-Baafs- bij de ‘XXIX’ (de plaatselijke tirannenclub) opgenomen was in plaats van Jan Borluut, zal er ook wel voor iets tussen gezeten hebben.

De rechtbank veroordeelde Jan Borluut voor deze klap tot de nogal barokke straf van 100 pond en 10 jaar verbanning, wat origineel was, want die strafmaat was nergens voorzien. Borluut besloot wraak te nemen en stuurde een expeditie naar het Sint-Baafsdorp. Die sloeg per abuus Giselbrecht ser Machelszoon, de lokale baljuw, dood. Gelukkig was ook Giselbrecht een neef van Mathias van Sint-Baafs, dus dat was nog wel oké.
Naderhand sloegen Borluuts kompanen nog ene Jan Heimerixzoon dood, maar dat telde niet echt, want dat was maar een knecht. De daders kregen hiervoor een boete van 60 pond, een veel lichtere slag dan voor Borluuts kaakslag aan Jan de Brune. Volgens historicus Wim Blockmans toont dit aan ‘hoe genuanceerd schepenen dachten over de eer en waarde van mensen’. Het is maar wat je genuanceerd noemt, natuurlijk.

Borluut vertrok uiteindelijk in ballingschap. Hij liet wel nog wat familieleden en knechten van de familie Sint-Baafs door sluipmoordenaars afslachten, maar niemand die er echt toe deed. Triest hoogtepunt was wel de arme knecht Jan van Avertuun wiens handen en voeten werden afgehakt, maar die het er levend van afbracht.

In 1295 vermoordden die van de clan van Sint-Baafs op hun beurt Pieter De Visschere, rechter- en moordenaarshand van Jan Borluut. Hierna raakte de Gentse vete volledig verstrikt in de strijd tussen koning en graaf en werd het nog veel meer een potje dan het al was.

Eind goed al goed?

In 1297 kwam het tot een kortsluiting tussen graaf en koning. Koning Flup veroverde een groot deel van het graafschap. Gwij verschanste zich in Gent. De koningsgezinden -waaronder de clan van Sint-Baafs - vluchtten de stad uit. De graaf zocht de steun van het gemeen (het plebs, zo u wilt), niet omdat hij hen graag zag (eerder integendeel), maar omdat ze nu eenmaal dezelfde vijanden hadden.

In het Gravensteen kreeg Gwij het gezelschap van de Engelse koning Edward I, maar diens soldaten raakten slaags met de plaatselijke bevolking, met tientallen doden aan beide kanten tot gevolg. De veldslag met de Gentenaars putte de Engelsen zo uit, dat Edward snel vrede sloot met Filips en zijn schup afkuiste. De Dampierres stonden er alleen voor en gaven zich dan maar over aan de Franse koning. Gwij en zijn zoon Robrecht (ondertussen graaf) verdwenen in 1300 in een - weliswaar luxueuze - Franse kerker.

Eind goed al goed zou je denken, maar Filips kreeg de situatie niet onder controle. Begin 1302 leek een nieuwe oorlog onvermijdelijk.

In Gent brak drie maanden voor de Guldensporenslag een spontane staking uit toen het stadsbestuur de belasting op bier die Filips net had afgeschaft opnieuw invoerde. De staking veranderde in een revolte en het volk bezette het Gravensteen.
Filips kocht de Gentse opstandelingen af met verregaande toegevingen aan hun eisen. De Brugse volksmenner Pieter De Coninck kwam hoogstpersoonlijk naar Gent om te vragen alsnog mee te vechten in de oorlog tegen de Franse koning. De Gentenaars hadden evenwel al alles wat hun hartje begeerde en besloten zich niet in onbezonnen avonturen te storten. Ze verlieten zelfs gewapend en in slagorde de stad om De Coninck te verjagen.

Uiteindelijk vochten zo’n 600 Gentenaars mee in de Guldensporenslag, wat gezien de omvang van de stad uiterst miniem is. En wie was de bekendste en –ruchtste Gentenaar op het slagveld? Toch niet opperschobbejak Jan Borluut, zekerst? Veel heldhaftige krijgsdaden stelde hij misschien niet, maar hij stond er toch maar.

De Guldensporenslag draaide onverwacht uit op een nogal verpletterende overwinning van de graafgezinden en de Gentenaars draaiden - uiteraard - mee. De graafgezinden - Jan Borluut op kop - namen de macht in Gent weer in handen.

De veldslag was misschien gewonnen, de oorlog niet. De definitieve slag vond plaats bij de Pevelenberg in augustus 1304 en werd gewonnen door de andere kant. Deze keer vochten de Gentenaars wel mee, al verlieten ze in het midden van de slag het slagveld, schijnbaar omdat het te warm was (het lijkt een grap, maar het is er geen).

Na de Pevelenberg sloten koning en graaf de vrede van Athis-sur-Orge. Sommige historici zeggen dat de graaf (u weet wel Robrecht ‘Leeuw van Vlaanderen’, die in 1302 eigenlijk in de bak zat) onbekwaam was, anderen zeggen dat hij van slechte wil was. Hoe dan ook, de Vlaamse steden werden door de vrede meer dan grondig genaaid, wat weer tot andere oorlogen en toestanden allerhande zou leiden.

Na de vrede mochten alle relschoppers weer naar huis en begon het conflict in Gent opnieuw. Na een aantal mislukte pogingen slaagde de zoon van de doodgeslagen baljuw erin Jan Borluut, naar verluidt zo zat dat hij niet meer op zijn benen kon staan, op zijn beurt dood te slaan.

Ondertussen liep al tien jaar een rechtszaak over de vraag wie nu eigenlijk wie had vermoord en of dat al dan niet een goed idee was geweest. Na nog wat heen- en weergeroep sprak de rechtbank zijn oordeel uit: half Gent moest op strafbedevaart naar Cyprus en Compostella, waar de vijandige partijen hun vete vrolijk verder konden zetten in de zon.

Slag in het water

In het midden van de negentiende eeuw herontdekte België, nogal wanhopig op zoek naar een funderingsmythe, de Guldensporenslag. Hendrik Conscience probeerde het eerst met een boek over de opstand tegen de Spanjaarden, maar dat vond de kerk maar niets: die opstandelingen waren protestanten. Met ‘De Leeuw van Vlaanderen’ was het wel prijs, Vlaanderen - en bij uitbreiding België - had zijn mythe. Van heel Consciences verhaal klopte eigenlijk alleen de datum, maar dat was uiteraard geen bezwaar.

Om toch een beetje mee te zijn met de tijdsgeest bombardeerde Gent Jan Borluut tot volksheld. Hij kreeg een eigen straat (die bij de fusie van 1977 veranderde in de Belfortstraat) en nog vanalles anders dat de schijn hoog moest houden dat ook de Gentenaars helden waren. Borluut was misschien een stukske krapuul van de ergste soort, hij wàs tenminste op die verrekte Groeningekouter. Want waar waren al de andere Gentenaars op 11 juli 1302? Inderdaad: thuis.

Wouter Brauns

Overigens was Jan Breydel

Overigens was Jan Breydel ook niet op het slagveld; hij leverde wel de socissen voor 't Brugse leger; en die slag was wel belangrijk:het machtigste ridderleger van Europa werd verslagen door het gepeupel van beenhouwers,wevers en andere boeren uit Brugge,bewapend met een stevige knots; en die wel degelijk vochten voor hun vrijheid tov de heren