



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Seoul Life.
Ik heb een jaar in Seoul (서울, spreek uit als het Engelse soul) gewoond. Hoofdstad van Zuid-Korea, Dae Han Min Kuk (대한민국), en samen met enkele satellietsteden als Ilsan (일산), Incheon (인천) en Guri (구리) goed voor vijfentwintig miljoen mensen. De helft van een bevolking die langs 'de Ene Rivier', de Han (한남) in haar hoofdstad woont; komt dat vaker voor?
Ik weet het niet. Net zoals ik verder eigenlijk ook niet veel weet over de stad waar ik een jaar lang met een buiging elke winkel of eetgelegenheid buitenging. Want eten, bijvoorbeeld, kun je er wel. Koreaanse keuken in haar meest veelvormige gedaante: traditioneel en fushion. Duur, goedkoop, en nog goedkoper rechtstaand aan een standje op het voetpad, ook in die wintermaanden dat het gemiddeld vijftien graden vriest. Ranzig eten en verfijnd, of beide. Delen van dieren waar je nog nooit aan had gedacht (kippenaars en -poot, oogbolvocht van tonijn). Of dieren tout court (de obligate hond, larven van zijderups). En soms belandt er iets op je bord dat plots iets verser wordt geserveerd (levende inktvis). En in de buitenlandse wijk Itaewon (이태원) vind je zo goed als elke nationale keuken. In het Belgisch restaurant Mignon ging ik om de paar maanden witloof in hesp eten met een Duvel erbij.
Wat ik daar deed? Ik gaf Engels in een zogenaamde hagwon (학원), een privé-schooltje waar Koreanen van alle leeftijden en leerlevels hun tweede taal komen bijschaven. Maar het zijn de weekends die me het meest zijn bijgebleven (zonder daarmee de herinnering aan mijn geweldige leerlingen te kort te willen doen). Dan nam ik op vrijdagavond de fantastische metro vanuit het oostelijke grensstadje waar mijn woon en werk was richting centrum, waar de straten vijf tot tien verdiepingen hoge winkelstraten zijn met hier en daar een paleis er tussen - mooi heropgebouwd want indertijd door den Japanner op vele mogelijk manieren bezoedeld of vernietigd. Het grootste, Gyeongbokgung (경복궁), werd in het begin van de twintigste eeuw door de bezetters zelfs gebruikt als... zoo. Waar de Koreaanse koningen normaal troonden, stonden toen olifanten dikke drollen te leggen. Ze zijn daar overigens nog steeds niet zo gek van Japanners, in Korea.
Of net wel? Want ooit ging ik naar een punkconcert waar ook het Japanse Disclapties speelde, en die werden toch wel ferm toegejuicht. Ik ben er die avond nog mee dronken geworden, met die Japanse punks. En dronken worden in Seoul, dat doe je makkelijk. Dat komt door het legendarische groene flesje Soju (소추), een soort van rijstdistillaat (20%) waarvan je 's morgens zegt “Het is vergif” maar 's avonds altijd nog eentje meer van drinkt tot je er bijna van moet walgen, en dat de Koreanen naar eigen zeggen helpt het verleden te vergeten. Voor alle andere, normale, drankjes betaal je ongeveer hetzelfde als in België, of meer, afhankelijk van hoeveel jonge meisjes er aan de andere kant van de bar staan te glimlachen. Ooit heb ik eens vijftien dollar betaald voor een Westmalle Dubbel. Dat kwam wel niet door de meisjes. Sommige dingen hebben geen prijs, vooral een trappist in een land waar het pilsbier smaakt alsof er iemand een beetje suiker in heeft gedaan omdat de kleine het anders niet binnenkrijgt wegens te bitter.
Maar wat is dat nu, de ziel van die stad? Dat je het niet weet? Eten en drinken? Dat er zodanig veel is dat...? Zoiets ja. Zoveel straten, zoveel mensen. Een krioelende bende in ontelbare holletjes van beton. Je komt er dagelijks een duizendtal van tegen als je de metro neemt, of de bus, maar nooit dezelfde. Ze zijn allemaal bezig met hun drukke levens, en soms vallen ze in slaap op vreemde plekken (www.blackoutkorea.blogspot.com). Maar in het jaar dat ik er leefde, behandelden ze me als een vriend met koninklijk bloed.
En voor de komende jaren weet ik: ga nergens echt helemaal thuis zijn, omdat ik me soms thuis voelde in Seoul.
JUAN BASTOS
