Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Vier vraagtekens bij stadsontwikkeling

Stadsplanners hebben steevast een handvol hippe woorden klaar om hun grootschalige projecten mee te verkopen. Soms staan er dan ook meer moeilijke woorden in de brochures dan heldere voor- en tegenargumenten. We verzamelden vier vaak gebruikte termen, die telkens een eigen kritische vraag oproepen.

 

Sociale mix: een opstapje naar sociale verdringing?

Het realiseren van een sociale mix is bijna altijd het belangrijkste argument om een achtergestelde wijk grondig aan te pakkken. Dat wil zeggen dat er alles aan gedaan wordt om rijke mensen te laten binnentrekken in arme wijken. Het bouwen van lofts moet bijvoorbeeld nieuwe middenklassebewoners aantrekken die op zoek zijn naar een stukje “authenticiteit”. De nieuwe bewoners zouden in de eerste plaats economische impulsen geven aan de wijk. Mensen met geld zwengelen nu eenmaal de economie aan, is het uitgangspunt. Bovendien zouden ze ook op sociaal vlak een frisse wind door de buurt doen waaien. Jonge tweeverdieners zijn immers actiever in het verenigingsleven, organiseren vaker straatfeestjes en renoveren hun gevel wat sneller.

Critici beweren echter dat de sociale netwerken van mensen geen spiegelbeeld zijn van wie er allemaal in de wijk woont. Simpel gezegd: het is niet omdat er om de hoek hippe middenklassers wonen, dat zij ook naar jouw stamcafé zullen komen. Het binnenbrengen van rijken in achtergestelde buurten zorgt zelfs voor sociale verdringing: door de stijgende huurprijzen moeten sommige bewoners vertrekken naar sociale nieuwbouwwijken in de stadsrand. De vraag is dan ook of armen er werkelijk baat bij hebben dat hun nieuwe buren een flinke duit meer verdienen.

 

Sociale samenhang: maar wat met structurele uitsluiting?

Wie zegt dat de sociale samenhang moet versterkt worden, vertrekt van de idee dat mensen vroeger veel meer spontane contacten hadden dan vandaag. De veilige wijk- of dorpsomgeving is veranderd in een netwerk van kabel- en straalverbindingen. Er zijn nog maar weinig gelegenheden waar mensen elkaar echt kunnen ontmoeten, en daardoor ontstaan angsten, zo luidt de redenering verder. Daarom is het buurtwerk er op gericht verbondenheid te creëren en mensen meer kansen te geven om elkaar te ontmoeten.

Volgens sommigen verdoezelt deze nadruk op verbondenheid de structurele ongelijkheden in onze maatschappij. Zolang er armen en rijken zijn, zolang er mensen systematisch uitgesloten worden van de arbeidsmarkt, zolang niet iedereen dezelfde toegang heeft tot goede huisvesting, zullen er spanningen zijn tussen en binnen sociale groepen. Het zijn dan ook die structurele mechanismen van uitsluiting die de meeste aandacht moeten krijgen. Zolang er geen sprake is van sociaal-economische gelijkheid, is een hechte sociale samenhang onmogelijk.

 

Citymarketing: is er nog plaats voor sociale vernieuwing?

Stadsontwikkelingsprojecten willen de wijk een aantrekkelijke uitstraling geven. De idee is om achtergestelde wijken te promoten op dezelfde manier waarop bedrijven een nieuw product promoten: citymarketing heet dat dan. Dat zal volgens de stadsplanners de wijk doen heropleven.

De keerzijde van deze strategie laat zich raden: er wordt alleen nog geïnvesteerd in wat mooi oogt. Zo wordt gastvrijheid voor asielzoekers vervangen door investeringen in historische monumenten, want dat is interessant voor de toeristen. Kritische vragen over deze projecten komen dan zelden aan bod. Zeker niet wanneer die vragen gaan over de gevolgen voor mensen die geen geld te spenderen hebben. Er is geen plaats meer om op een democratische manier te zoeken naar de echte noden van een wijk. Stadsmarketing als beleidsstrategie lijkt een beleid van sociale vernieuwing te verdringen.

 

Participatie: maar luistert de baas wel echt?

Bij elk stadsvernieuwingsproject wordt wel op een of andere manier het buurtwerk betrokken. Buurtbewoners kunnen met hun vragen terecht op infosessies, mogen hun mening geven over praatplannen en mogen hun wildste ideeën bussen. Op die manier zorgt het buurtwerk in zekere zin voor een grotere aanvaarding van de plannen door de bevolking. Het stadsbestuur zegt echter dat het in de eerste plaats wil luisteren naar wat de mensen te zeggen hebben.

De vraag is of wat er gezegd wordt in die praatbarakken ook daadwerkelijk wordt opgenomen in de besluitvorming. Zeker voor meer fundamentele kritieken lijkt dat niet altijd het geval. Door het buurtwerk zijdelings te betrekken in het beleid, verliest de wijk ook een aantal mogelijkheden om echt scherp uit de hoek te komen. Het gevaar bestaat dat de buurtcentra een doorgeefluik worden van beslissingen die hogerop genomen werden. Het gaat er niet alleen om dat eventuele kritiek verdragen wordt, maar het is ook nodig om een stap verder te gaan. Het buurtwerk zou mensen kunnen aanmoedigen om op basisniveau een politieke rol op te nemen. Mensen moeten de middelen krijgen om zelf hun problemen vast te stellen, en van bij het begin mee na te denken over de oplossingen.

 

PIETER JAN EN PASCAL DEBRUYNE