



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De logica van de straat in de stad
Het is een bekend fenomeen. De slogans in het straatbeeld geven ons zonder omwegen het huidige politieke klimaat aan. Het 'wij zeggen wat u denkt' en 'de stem van het volk' maken duidelijk dat onze hedendaagse politiek zich richt op 'de straat'. Er wordt steeds minder gedacht en gehandeld vanuit een programma of een project (lees: ideologie), maar des te meer vanuit ‘het volk’. Het volk, of in de woorden van Stevaert ‘de mensen’, geeft heden ten dage de politieke koers aan. Om de gevreesde ‘kloof met de burger’ te dichten, profileren de partijen zich steeds meer als de spiegel van het volk. De stem van de straat wordt de leidende stem van het beleid. Het is wat ik in dit artikel ‘de logica van de straat’ zal noemen. Initiatieven zoals buurt en -stadsfeesten kunnen vanuit deze logica dan ook in een nieuw licht worden gesteld.
Ik wil in geen geval zeggen dat men niet moet luisteren naar 'de mensen'. Een democratisch bestuur kan inderdaad maar welvaren wanneer men echt luistert naar mensen. Het luisteren en dialogeren vereist in dat geval wel een wederzijds respect en een minimum inlevingsvermogen in de verschillende contexten waarin 'de mensen' leven. Men moet mensen aanspreken op hun verantwoordelijkheidszin en op hun capaciteit om argumenten te geven voor hun keuzes.
Toch is er iets vreemds met 'de logica van de straat'. Deze logica gaat ervan uit dat de 'spontane' mening van de buurtbewoner de waarheid op een authentieke wijze weergeeft. Die spontane meningen zijn in postmoderne zin 'waar'. Meer zelfs, iedereen heeft volgens deze logica zijn eigen mening en die mening is op voorhand al 'waar'. Democratisch spreken en handelen gebeurt in deze zin niet op basis van dialoog en argumenten, maar louter door het optellen van de stemmen van iedere ‘man op de straat’. Democratie betekent volgens deze logica het overwicht van het getal. Het getal geeft dus de opsomming aan van de individuele waarheden. Deze optelsom van 'private meningen' wordt gedefinieerd als het politieke zélf. 'De publieke ruimte', de spreekruimte waarin mensen hun sociale relaties uitbreiden en sociale praktijken regelen los van het private, wordt tegenwoordig overspoeld door de private dagelijkse beslommeringen.
Jan Blommaert (Professor UG) maakt van dit fenomeen een scherpe analyse in het boek ‘Populisme’. De groeiende evolutie bij politieke partijen naar slogans als 'wij zeggen wat u denkt' baart Blommaert zorgen. Hij noemt deze vorm van politiek taalgebruik vox-populisme. Er wordt volgens Blommaert een soort van 'directe democratie' centraal geplaatst. Belangen worden niet meer vertegenwoordigd, maar zonder enige vorm van tussenkomst overgebracht door de politici. Een voorbeeld hiervan is de online-democratie. Partijen funderen zich steeds minder op een socio-politiek project, maar zeggen wat ‘het volk’ denkt. De taal wordt daarbij geweld aangedaan door ze simplistisch te maken. De voorbeelden zijn talrijk. Denk maar aan het programma 'De Zevende dag', dat een soort politieke boksarena organiseert waarbij 'het volk' aanduidt wie gewonnen heeft. Er is een anti-intellectualistische tendens aan de gang, waarbij de afkeer van moeilijke woorden centraal staat. Vooral de massamedia spelen in onze huidige democratie een centrale rol. Zij maken uit wat ‘goed spreken' is. Er is geen constitutief of ingebakken conflict meer aanwezig in het discours; er zijn enkel nog 'de mensen', 'de gewone man', 'het volk',….
Een voorbeeld hiervan is het huidige socialisme. Dit richt zich niet meer op de vertegenwoordiging van een bepaald segment van 'de mensen'. Het discours van representatie wordt veranderd in het motto 'socialisme is voor de mensen'. Het ideaal van communicatie ligt in het 'volks spreken'. Blommaert noemt het nieuwe socialisme een ideologische constructie. Dit wordt duidelijk wanneer Stevaert bijvoorbeeld zegt: 'Er zijn geen socialistische thema's. Alle thema's belangen ons aan omdat alle thema's de mensen aanbelangen.' De publieke ruimte wordt binnen dit discours voorgesteld als een 'eenheid', als een homogeen blok. Blommaert stelt: 'Omdat het volk uniform is, is ook de publieke ruimte uniform en hoort in die publieke ruimte ook een uniforme stijl; één volk, één genre.'
Het is niet vreemd dat de 'logica van de straat' opgang maakt in de stad. Bart Verschaffel schrijft in het artikel 'De mythe van de straat' (De Witte Raaf) over deze straattendens in de steden. ‘De straat’ geldt volgens Verschaffel als een mythisch romantisch begrip. Deze voorstellingswijze zou een context van veiligheid bieden tegenover het kille rationalisme en kapitalisme dat in de steden doordringt. Hij refereert hierbij naar de slogan 'Bring back the streets' uit de jaren '70.
Ten tweede verwijst hij naar de mythische voorstelling van de straat als 'labyrint' waarin men zich kan verliezen, en waar de toevallige ontmoeting centraal staat. De spontane samenkomst vormt hier de (utopische) basis voor het sociale verkeer. Zo kan voor Verschaffel het hedendaagse stadsfeest bijvoorbeeld gezien worden als een manifestatie waarbij een grote groep geïsoleerde individuen tijdelijk samensmelt tot een soort collectiviteit en kan proeven van een anoniem 'wij-gevoel'. Dergelijke feesten geven een verlangen naar gemeenschap weer en vervullen zelfs tijdelijk dit verlangen. Er hangt als het ware een zweem van pastorale nostalgie rond het gebeuren. Het stadsfestival is daarom volgens Verschaffel het vlaggenschip geworden van het stedelijke cultuurbeleid. Er wordt vooral geïnvesteerd in het verschaffen van 'pensen voor de mensen'. 'De feestelijke gezelligheid' en 'de positieve beeldvorming' versluieren echter de structurele 'complexe' problemen in de steden.
De straat vormt het vernieuwde beeld van de democratie. De straat waar iedereen komt is per definitie democratisch. Andere instituties zoals bibliotheken, musea en cultuurhuizen worden al vlug gezien als verschillend aan de straat. Ieder cultuurhuis moet dan ook zijn 'drempel verlagen', wil het tenminste aan de democratische perceptie voldoen. Het loopt volgens Verschaffel vooral verkeerd wanneer men de stem van de straat aan 'politiek' gaat gelijkstellen - een tendens die hier 'de logica van de straat' wordt genoemd. Wie denkt dat de ware politicus de man-van-de-straat is, komt al snel terecht in het populisme. Het populisme stelt zich ten dienste van de consumptie. Populair is wat verkoopt. Principes tellen enkel wanneer ze verkopen. Spreken is pas waarachtig wanneer de communicatieve strategie winst oplevert.
Deze populistische tendens heeft ook zijn invloed op het socio-cultureel beleid. Waar de drempel vandaag te hoog ligt, wordt vermanend de vinger geheven. Toch is deze drempel volgens Verschaffel meer dan zomaar een bewuste hindernis. Het geeft volgens hem een 'overgang' aan. Men komt alleen binnen in de culturele ruimtes wanneer men andere condities gaat respecteren. De verschillende instellingen hebben hun eigen herkenbare plaats: gerechtszalen, kerken, bibliotheken, musea, theaters,…
Deze ruimtes zijn met andere woorden 'voorwaardelijke' ruimtes in plaats van 'spontane ruimtes' zoals de straat. Ze geven ruimte om even na te denken op een radicaal andere wijze dan volgens de ‘logica van de straat’. Wanneer alles moet beantwoorden aan deze ‘logica van de straat’, blijft enkel een valse democratische schijn over. Door culturele instituties de 'logica van de straat' op te dringen, beperken we de kans op kritische tegenspraak vanuit radicaal 'andere' ruimtes. Juist omdat een museum een museum is, kunnen we esthetisch blijven denken; omdat een school een school is, is het opdoen van kennis mogelijk; omdat een theater een theater is, kunnen we nadenken over wat opgevoerd wordt, enz.
Feesten en spelen kunnen zeker plezier verschaffen, maar het is volgens Verschaffel naïef om te denken dat ze ons het correcte politieke besef zullen bijbrengen. Politiek voeren vanuit de 'logica van de straat' werkt maar op één manier: door ‘de man op de straat’ gelijk te geven. Als een stedelijk beleid, zoals dat van stad Gent, een groot deel van haar middelen investeert in 'feesten' om het vrolijke karakter van de stad te profileren, kan dit naar een apolitiek beleid evolueren. 'De mensen' tevreden stellen met pensen, betekent zoveel als het volproppen van monden in plaats van die aan te spreken.
De politiek die gereduceerd wordt tot straatinterviews is een politiek die het perspectief inneemt van de éénzijdigheid. De burger ziet op geen enkele manier zijn gedachten nog op een ‘alternatieve’ manier verwoord. 'De kloof met de burger' is naar mijn mening een onvermijdelijke kloof. Zij toont aan dat tussen 'burger' en 'politiek' nog een middenveld staat. Dit middenveld dicht de kloof niet, maar toont de verschillende perspectieven en belangen aan die spelen in het sociale gebeuren tussen 'burger' en 'politiek'. Kritisch spreken kan volgens mij enkel wanneer die verschillende perspectieven blijven meespelen. Het is een bekende uitdrukking van de filosoof Claude Lefort dat de democratische ruimte een ruimte is die steeds opnieuw op haar 'lege plaats' stoot. De democratie is gebaseerd op een (imaginair) 'beeld' van zichzelf, niet op zijn ‘werkelijke’ weergave. Dit 'zelfbeeld' van de democratie wordt constant opgebroken en opnieuw ingevuld met andere 'logische' waarheden. Wanneer de democratie haar 'lege plaats' echter opvult metéén soort ‘straat-logica’, dan heft ze zichzelf ontegensprekelijk op.
PASCAL DEBRUYNE
