



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Groot Onderhoud: Nadia Fadil over de culturele revolutie bij jonge allochtonen
“Links heeft geen kaas gegeten van racisme.”
De jonge sociologe Nadia Fadil is geboren en getogen in Borgerhout, waar ze de opkomst van een nieuwe generatie zelfbewuste allochtone jongeren van nabij meemaakte. Haar visie op hoe onze maatschappij omgaat met allochtone jongeren is een niet mis te verstane ‘wake-up call’ voor onze samenleving maar ook voor links.
> Je was destijds dicht betrokken bij de Arabisch Europese Liga (AEL). Hoe belangrijk was die periode van allochtone zelforganisatie voor jou?
“Zelf was ik als studente nooit een grote activiste. Ik was erg gedisciplineerd bezig met mijn studies en ondervond weinig problemen. Drie momenten scherpten mijn maatschappelijk bewustzijn aan. Het eerste was toen ik zelf bewuster in contact kwam met mensen uit verschillende delen van de Marokkaanse gemeenschap en daardoor ook meer in contact kwam met allerlei vormen van discriminatie en racisme. Het tweede moment was toen ik onderzoek ging verrichten in Marokko in het kader van mijn opleiding antropologie. Ik kwam in contact met de Islamitische gemeenschap, de Marokkaanse vrouwenrechtenbeweging en de ‘Rechtvaardigheid en spiritualiteit’ beweging. Wat ik er zag ging in tegen alles wat ik verwachtte. Dat was voor mij een echte eye-opener over hoe media werken en hoe representaties; bepaalde voorstellingen van de realiteit ontstaan.
Een derde belangrijk moment was toen ik aan mijn doctoraat werkte en voor het eerst hoorde over Dyab Abou Jahjah. Ik herkende heel sterk de situatie die ik ook in Marroko gezien had. En dan kwam er de mediastorm in augustus 2002: het grote Knack interview met Abou Jahjah die Arabisch voorstelde als tweede landstaal, de november ramadan rellen en het verhitte parlementair debat. Dat was voor mij het kantelmoment. Op dat moment ben ik in contact getreden met beweging. Dat voelde voor mij aan als een burger- en onderzoeksplicht. Ik participeerde in de beweging. Het waren moeilijke jaren: ik stond alleen met mijn analyse en het dominante discours doet je voortdurend aan jezelf twijfelen. Het wekte tegelijk nog meer mijn interesse op in discours en hoe discours het denken en handelen vormgeeft. Ik was ook ontnuchterd over de staat van de democratie. De manier waarop Abou Jahjah en het AEL werden aangepakt leidde tot een grote desillusie omdat ik besefte hoe groot de kloof was tussen discours en praktijk. Tegelijk moest ik ook vaststellen dat links geen kaas gegeten had van racisme. Racisme bleek binnen links een even grote breuklijn en het is het AEL die me dat racisme heeft doen in zien.”
> Op welke manier lijdt links ook aan racisme?
“Veel mensen gingen mee in de idee dat AEL homofoob en antifeministisch was. Maar binnen de AEL was dit gewoon even latent aanwezig als in vele andere geledingen van de maatschappij. Er was vooral wantrouwen ten aanzien van AEL en het eigen observatievermogen werd niet serieus genomen. Wie hen steunde werd als bevooroordeeld gezien en doordat mensen dachten dat je er te dicht bijstond werd jezelf ook niet langer in vertrouwen genomen. Dat was voor mij de grootste ontdekking. Racisme gaat dus niet enkel over vooroordelen, maar ook over het gebrek aan vertrouwen in mensen hun analytisch denk- en observatievermogen.
Als je kijkt hoe politieke bondgenootschappen aangegaan worden, dan wordt je als minderheidsgroep gezien als extra bondgenoot, niet als pure bondgenoot. Nochtans, als we kijken naar de neoliberale samenleving met de flexibilisering van de arbeidsmarkt, dan staan minderheden daar op de eerste lijn. De eerste werkgever van Marokkaanse jongeren is het interim kantoor. Maar links is niet in staat voorbij kleur te kijken en te zien hoe minderheden ons ook kunnen inlichten over de samenleving en niet alleen over diversiteit. Dat is de etnische blik van links, met nog steeds de witte samenleving als ijkpunt, en waarbij de rest onder de paraplu van ‘diversiteit’ wordt ondergebracht.
Voor links kostte het sowieso veel tijd om te zien dat AEL een emancipatiebeweging was. Ze raakten niet voorbij de clichés over homofobie. We vragen nochtans niet aan iedere arbeider of hij al of niet homofoob is, terwijl de arbeidersbeweging ethisch conservatief is. Is dat een reden om niet solidair te zijn? Maar voor de migrantenbeweging zijn er altijd dit soort tests: hoe staat het met gendergelijkheid? Homofobie? Wat vind je van de hoofddoek? In de allereerste plaats worden mensen gezien als allochtonen of moslims, en dan pas als laaggeschoolden of arbeiders. Daar is links in het zelfde bedje ziek als de rest van de Vlaamse samenleving.”
> Wat hebben allochtone jongeren volgens jou uit die periode geleerd? Werkt die collectieve mobilisatie vandaag nog door?
“De AEL symboliseert dingen, eerder dan dat het als organisatie nog van belang is. Het was een teken van het proces van de toenemende zichtbaarheid en mondigheid van de 2de en 3de generatie jongeren, die het gastarbeidersstatuut ontgroeiden en zich als burger profileerden. Een aantal opiniemakers, zoals Tarik Fraihi en Mohammed Talhaoui, klaagden daarvoor al het falen van de integratieaanpak aan. Dit waren de zogenaamde Angry Young Arabs, beter geschoolde jongeren die kritisch begonnen te denken. Dat proces ging bovendien ook samen met de autonomisering van het allochtoon middenveld in de jaren 1990, met de zelforganisaties en figuren als Mohammed Chakkar van de Federatie voor Marokkaanse Verenigingen die zich verzetten tegen de betutteling van Marokkaanse verenigingen. Ook Abou Jahjah en Tarik Fraihi kwamen uit die middenveldorganisaties. Hun kritiek was hetzelfde maar de AEL ging daar het verste in door en riep op tot autonomie door elke vorm van subsidie af te wijzen en zelfs het idee van integratie afwijzen.
Dat laatste was nieuw en daarmee werd de AEL ook uitgeroepen tot publieke vijand nummer één. Er was een enorme polarisering rond de figuur van Jahjah, waardoor de AEL ook makkelijker in een hoek te duwen werd, want het aantal tegenstanders was enorm. Ook de acties, zoals het opzetten van een eigen burgerwacht, waren vrij radicaal. De overheden zijn toen in afwijzing over gegaan. Het racisme was openlijk. Denk maar aan hoe Jahjah’s burgerrechten afgenomen werden en hij werd opgesloten. Dat heeft bij nogal wat jongeren een klik teweeg gebracht, ook bij zij die tegen AEL waren.
Het heeft geleid tot de veralgemening van het verzet tegen het integratieconcept. Veel jonge studenten woonden de debatten daarover bij en die debatten waren voor veel mensen bewustzijnsvormend. Dit alles sijpelt nu verder door nu die mensen vandaag maatschappelijke posities innemen. De dominante samenleving is niet veranderd, maar het zelfbeeld van minderheden wel. Jongeren denken nu veel complexer na en de zichtbaarheid van minderheden in publieke ruimte is veel groter geworden. Minderheden hebben vandaag minder complexen in het beheren van hun aanwezigheid in publieke ruimte.”
> Hoe zie je dat?
“Dat blijkt duidelijk uit het zelfbeeld van minderheden. Neem het rapport van de Open Society Foundation, waaruit blijkt dat jongeren zich vandaag thuis voelen in Antwerpen. Ze zeggen: “ik ben van hier”. In mijn jongere jaren was dat veel minder. Ze kijken niet noodzakelijk terug naar Marokko en zien de toekomstperspectieven veel breder. Ze zeggen “We zijn van hier en klagen racisme aan!” Ik heb dat nog moeten leren maar de jongere generatie zien veel meer ‘peers’ die hetzelfde doormaken, zoals de moeilijkheden om sociaal op te klimmen. Je krijgt ook meer organisatie onder jongeren, zoals de studentenkringen aan de universiteiten. Er groeit een mentaliteit van entitlement en toe-eigening.
De nieuwe generatie speelt ook veel complexlozer met zijn achtergrond. Restaurants aan het Brusselse Zuid Station experimenteren met verschillende keukens. Je vindt er halal schotels maar ook tofu, pizza en Franse gerechten. Ook moslims zijn vragende partij voor dit aanbod. Op de Anspachlaan is er een hamburgertent met halal food, gericht op middenklasse. Dat is nieuw voor mij en het wijst op de toenemende integratie van moslims in de consumptiemaatschappij en de toenemende toe-eigening van statussymbolen. Het onderscheid tussen slechte en goede winkels en restaurants (design, meer aanbod en stijl) speelt zich vooral af in minderheidsbuurten. Er komt meer differentiatie en dat is een evolutie van de laatste tien - vijftien jaar.”
> Welke andere vormen van allochtone organisatie en mobilisatie zie je vandaag?
“Ik behoor tot een generatie, een groep van mensen die dezelfde diagnose stellen. Namelijk dat discriminatie een groot probleem is, er nog een strijd te leveren is rond sociale achterstelling en tenslotte dat we er niet alleen voor staan. We voelen ons onderdeel van die strijd die nog maar pas begonnen is. Het leven is gepolitiseerd en dat is bij veel vrienden van me zo. Er is niet zo’n scherpe scheiding met rest van het leven. Wel is er het gedeeld gevoel dat de maatschappij niet mee is en soms zelf actief stelling inneemt tegen. Daarop wordt op vele manieren gereageerd: je hebt mensen die migreren omdat ze elders opportuniteiten zien. Soms betekent dat terugkeren naar Turkije of zoeken naar een job in Dubai, maar in elk geval niet blijven in het oude Europa. Anderen focussen zich op hun gezin of zetten zich in het middenveld of kiezen bewust voor een bepaald arbeidstraject zoals actrice, comedian of bedrijfsleider. Het zijn verschillende antwoorden maar wat deze mensen delen is dezelfde diagnose en bewustzijn en daarom kunnen we wat we vandaag doormaken een vorm van culturele revolutie noemen.”
> Vanuit jouw kennis van identiteitsvorming bij allochtone jongeren, grijpt het integratiebeleid in op wat telt voor die jongeren of gaat het voorbij aan hun identiteitsbeleving?
“Diversiteit is sinds begin de jaren 1990 een beleidsthema maar het wordt nog altijd schoorvoetend en stiefmoederlijk behandeld, behalve in de periode tussen 2000 en 2005, met de toenmalige paarse regering, met Groen! en een aantal ministers zoals Anciaux en Vogels die het thema hoog in het vaandel voerden. Anciaux steunde de oprichting van organisaties in de culturele sector en er was ook Vanderpoorten met het decreet op Gelijke Kansen in het Onderwijs (GOK). Dat was een behoorlijk vruchtbare periode en het was ook de periode van de andersglobalistische en de anti-oorlogsbeweging. Nu wordt er echter terug gekomen op de kleine verworvenheden van toen en gaat men terug over naar de orde van de dag, zeker in tijden van besparingen. In Nederland spreekt iedereen over de besparingen in de culturele sector, maar de minderhedensector is daar bijna volledig van de kaart geveegd! Minderheden zijn blijkbaar een luxe aangelegenheid, het rendeert niet. De middenklasse voelt zich bedreigd en dus wordt er uitgehaald naar de solidariteit met minderheden. Voor het sociaal-cultureel werk is de harmonisatie gebeurd onder het mom van goed bestuur. Sommige minderhedenorganisaties halen de criteria echter niet en dreigen de druk om te professionaliseren niet aan te kunnen. Vele van die organisaties verschillen van het regulier sociaal-cultureel werk want het gaat vaak om basiswerk die ad hoc en niet projectmatig werken.”
> Onlangs bleek uit een studie van de Open Society Foundation dat Antwerpse moslims weinig vertrouwen hebben in hun stadsbestuur. Een aantal lokale allochtone politici reageerden daarop door te stellen dat het hoofddoekenverbod misschien herbekeken moet worden. Moet de discussie opnieuw geopend worden?
“Op minderhedenvlak zijn verkiezingen in Antwerpen interessant, want met Meryem Almaci is er voor de eerste keer een allochtone tegenstander. De vraag is dus of minderheden zullen meegaan in de strijd tussen Bart De Wever en Patrick Janssens, of daar zullen aan voorbijgaan en voor een eigen kandidaat kiezen om zo onderhandeling af te dwingen. De onderhandelingspositie voor minderheden is nu zwak. Een deel van de minderheden-Antwerpenaars zullen het feit dat allochtone politici mee voor het hoofddoekenverbod gestemd hebben niet vergeten zijn. Dat kan een mobiliserende factor zijn. Gemeentepolitiek mag niet herleid worden tot het hoofddoekenverbod, maar het is wel een belangrijke indicator van hoe het beleid omgaat met minderheden. In het middenveld worden minderheden zich er ook steeds meer van bewust dat ze een electorale factor zijn en het hoofddoekenverbod wordt een indicator van hun electorale macht. In die zin heeft Patrick Janssens het vertrouwen gebroken. In Brussel is dit geen breekpunt geworden, maar in Antwerpen wel. Het is het symbool geworden van de Islamofobie van de meerderheid.”
STIJN OOSTERLYNCK EN MARLIES CASIER
