



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Weenacht
Woensdagnacht 21 december. Het is koud en wij liggen hoog en droog in ons warme bed. Plots de deurbel, midden in de nacht. Vast een droom. Ik draai me om en sluit mijn ogen. Opnieuw, ding dong, ding dong, met meer aandrang nu. Mopperend richt ik me op en kijk naar de klok: 3u30. Godverdomme. Welke debiel belt nu iemand wakker midden in de nacht? Kwaad stamp ik de trap af en ruk de voordeur open. Daar staat Besije, ons nieuwe buurmeisje. Een goede twee jaar geleden is ze hier geland met haar gezin, het woelige Kosovo uitgejaagd en hier neergestreken, asiel aangevraagd. Ze spreekt al een aardig mondje Nederlands, met een duidelijk Gentse tongval. Meestal is zij de tolk wanneer haar ouders willen praten. Wat doet zij hier in het holst van de nacht?
Ze verontschuldigt zich dat ze me wakker belt, maar haar moeder moet dringend bevallen. “Pardon?” Het dringt niet echt goed tot mijn slaperige schedel door. “Wat zeg je daar? Je moeder is gevallen?”
‘Nee, ze moet een kindje krijgen.’
“Oh, uh, kan dat niet morgenvroeg?”
“Nee, het moet nu vannacht, onmiddellijk. Het water is al gebroken en allemaal weg.”
Goedemorgen zeg. En of ik haar moeder niet naar Jan Palfijn kan voeren? Blijkbaar is het verwachte vervoer niet komen opdagen, of is er geen verwacht vervoer, of gaat het allemaal rapper dan gedacht, geen idee, maar het moet dus nu. Mijn slaperige kop is er nog steeds niet helemaal bij.
“Kom gerust binnen”, zeg ik. “Even boven aan mijn vrouw vertellen.” En dan naar boven met iets luidere stem: “Hé schatje, ik moet even weg, de buurvrouw moet bevallen.”
“Wat?”
“De buurvrouw moet bevallen.”
“Wat?”
“Oké, misschien moet je ook maar even naar beneden komen, terwijl ik mijn kleren aantrek.” Hup, de kleren aan boven de pyjama, blote voeten in de schoenen en rijden maar naar Jan Palfijn, als in een droom, met moeder vanachter en vader naast mij. Onderweg de bondige conversatie van onhandige mannen. “Alles goed?” “Jaja”. “Is het een jongetje of een meisje?”. “Meisje.” “Is al het water al weg?” “Ja.” Net zo spraakzaam als de gemiddelde Belgische man. Aha, we zijn er. “Het allerbeste ermee,” en ik zweef weer naar huis, van droom naar dromen. Ben ik eigenlijk wel wakker geweest?
Later die week gaan we even op bezoek en het blijkt wel degelijk echt gebeurd. We worden met open armen ontvangen. Samira heet ze – ‘de uiterst mooie’, zo wordt ons duidelijk gemaakt - en het is inderdaad een schatje. De kamer vol familie en vrienden, met of zonder papieren. Bijstand aan illegalen is hier nog niet verboden. We worden met open armen ontvangen, fruitsap, mekkacola, nootjes, vers fruit, Turks fruit, cognac en bier. En kwebbelen met diegenen die goed genoeg Nederlands kennen, de jongeren dus. Ze hebben een prachtig aquarium. Een vis voor elk kind, zo blijkt. Wat overmoedig vertel ik de laatste grap.
“Dat al gehoord van die twee Albanezen die in hun Mercedes worden tegengehouden door de politie? Zzzzzzzzzzzzz, het raam schuift open. We zijn op zoek naar twee seriemoordenaars, zegt de politie. Een momentje, zegt de ene Albanees en het raam van de Mercedes schuift weer dicht. Grote discussie in de auto en even later – zzzzzzzzz - gaat het raam weer open. Het is in orde, we doen het.”
Ze kunnen er om lachen. Goed geïntegreerd, die gasten. Meer dan genoeg zelfspot om de gemiddelde Vlaming ruim te kloppen in elk geval. Bij onze terugkeer thuis staat de kerstboom voor het raam te pinken en te pronken. Slingers, glitters, glimmende ballen, flikkerende knipperlichtjes, de ster van Bethlehem aan de top. Een stalletje is deze keer niet nodig.
KOEN

