



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Staes en het vluchtelingenmeisje
Het was een zondagmiddag rond half twee. Buiten scheen de zon. Toch was het buiten koud. Binnen was het warm. Staes had zijn gaskachel op stand vier. Besluitloos leunde hij op de schoorsteenmantel. Warme lucht streelde langs zijn gezicht. Hij droeg zijn kaki pyjama en zijn kaki peignoir. Hij had de slaap nog in zijn ogen.
Op de schoorsteenmantel stond een spiegel. De oude muren van zijn oude huis konden geen nagel verdragen zo bleek. De spiegel stond op de schoorsteenmantel en Staes vond het goed zo. De gaten in de muur had hij gedicht met gipspleister. Zijn vriend die dichter was belde hem op terwijl hij het sopje aan het maken was. “Wat ben je aan het doen?”, vroeg hij aan Staes. “Ik ga dichten,” zei Staes, “poésie pure.”
Staes grinnikte en keek naar zichzelf in de spiegel. Zijn gezicht zag bleek, zijn ogen waren flets, zijn haar lag plat op zijn hoofd. “Komaan Staes,” zei hij tot zichzelf. Hij kletste zich in het gezicht en ging rechtop staan. “Wat jij nodig hebt oude jongen, is een frisse neus.”
Hij trok de kraag van zijn jas recht. De zon scheen warm op zijn voorhoofd in de koude buitenlucht. Regelmatig haalde hij zijn neus op. Staes had eens gelezen dat snuiten gevaarlijk is. Sindsdien probeerde hij zo weinig mogelijk te snuiten. Dat was niet gemakkelijk, Staes was een echte snuiter geweest. Nu snifte hij. Het snot dat in zijn mond terecht kwam slikte hij door. Openlijk rochelen zoals zoveel mannen op straat deden durfde hij niet.
Hij zag haar in de Bevrijdingslaan. Ze wachtte er op een bus. “Aïcha,” prevelde hij, want zo had hij haar genoemd, “Aïcha”. Ze keek hem aan met haar grote donkere ogen. Ze keek terwijl hij langzaam dichterbij kwam. Zwaaide ze naar hem? Ze lachte haar parelwitte tanden bloot. Zijn hart pompte meedogenloos. Hij was nu zo dicht dat ze hem zou kunnen horen. Hij opende zijn mond en stootte een klank uit die nog geen woord was, toen twee blanke meisjes hem voorbijliepen en Aïsha giebelend rond de hals vlogen. Staes sloot zijn mond, sloeg zijn ogen neer en vluchtte weg zo snel hij kon.
JOHAN

