



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Van Dulle Griet tot Kleine Führer
200 jaar Gentse reisgidsen
Het najaar is de ideale periode voor een culturele citytrip. En waarom zou je een vervuilend vliegtuig nemen als je ook door de tijd kan reizen? Een bezoek aan Gent doorheen oude reisgidsen.
Wat je over jezelf vertelt tegen mensen die je niet kennen, zegt heel wat over jezelf. Al is het niet noodzakelijk wat je zelf wilt. Nog interessanter is wat mensen die je kennen over jou vertellen tegen mensen die je niet kennen. En dat is precies wat reisgidsen doen.
Echte reiziger of toerist?
Reisgidsen ontstaan samen met het moderne toerisme in de eerste helft van de 19e eeuw. Voordien was reizen een exclusieve aangelegenheid, voorbehouden aan een kleine elite. De industriële revolutie, en vooral de uitvinding van het stoomschip en de stoomtrein, maakt reizen veel makkelijker. Er ontstaat een nieuwe klasse die tijd en geld heeft om uitstapjes te maken. Vanaf het prille begin kijken de ‘echte reizigers’ neer op de ‘toeristen’. Toeristen zijn in hun ogen slachtoffers van modieuze grillen die blindelings volgen op de intussen platgetreden paden waar de ‘echte reizigers’ hen zijn voorgegaan. Ook vandaag klinkt dat niet onbekend. Niemand wil zomaar een ‘gewone toerist’ zijn. ‘The tourist is the other fellow’, zoals de Engelse schrijver Evelyn Waugh lang geleden al opmerkte. De ironie wil in ieder geval dat de uitbouw van toeristische infrastructuur de toeristische trekpleisters soms onherkenbaar verminkt. Het begint onschuldig genoeg met de eerste commerciële hotels rond het stationsplein, waar de toeristen aankomen. Op sommige plekken groeit dat over de jaren uit tot een nachtmerrie vol afzichtelijke megahotels, afgrijselijke souvenirwinkeltjes en afschuwelijke toeristenrestaurants die de ‘authentieke keuken’ serveren. Een authentieke keuken die natuurlijk een uitvinding is van het toerisme.
De reisgids vertegenwoordigt voor de vroege ‘antitoeristen’ het summum van horror. Een gids herleidt de te bezoeken plaats tot een opsomming van monumenten en pittoreske plaatsen, bij voorkeur met quotering erbij. Dit geldt zeker voor de professionele reisgidsen die opkomen vanaf het midden van de 19e eeuw. Baedeker (de eerste reeks commerciële gidsen, verschijnend vanaf 1828) betekent voor velen de standaardisering van het cliché. Men spreekt zelfs van de bureaucratisering van het reizen. In de eerste Baedeker voor ‘Belgien und Holland’ (1875) valt inderdaad de zakelijkheid en zelfs saaiheid op. De Michelingids (vanaf 1900) is aanvankelijk nog erger. De editie over België uit de jaren ’20 besteedt welgeteld één pagina tekst aan Gent en die bestaat voor de helft uit het opsommen van garages. Je bent een bandenproducent of je bent het niet, natuurlijk.
De canonisering van het kanon
De eerste Gentse stadsgidsen verschijnen in de jaren 1820. De Gentse gidsen uit de 19e eeuw zijn geschreven door enthousiastelingen en zijn minder saai en eenvormig dan de professionele gidsen. Toch valt ook hier de standaardisering op. Vanaf de eerste gidsen vormt zich een toeristische canon van bezienswaardigheden die misschien niet allemaal even spectaculair zijn, maar blijkbaar wel allemaal even onvermijdelijk: de drie torens, het stadhuis, het Vleeshuis, het Duivelssteen, de Sint-Baafsabdij, de Graslei, de Korenmarkt, de Dulle Griet, … Met een gids uit de 19e eeuw kan je vandaag nog 95% van de Gentse bezienswaardigheden bezoeken. Een vreemde uitzondering is het Gravensteen. Vandaag één van de grote toeristische trekpleisters, krijgt het in de 19e eeuwse gidsen soms slechts summiere aandacht. De reden daarvoor is simpel. In de 19e eeuw was enkel de toegangspoort van het kasteel van buitenaf duidelijk zichtbaar. Aangebouwde arbeidershuizen ontnamen het zicht op de rest van het kasteel. In het kasteel zelf was zelfs lange tijd een katoenspinnerij gevestigd.
De Guide Diamant voor België (1892) klaagt naar het einde van de eeuw dat Gent pittoreskheid verliest door de afbraak van oude huizen, het rechttrekken van kronkelende straten en de verbreding van smalle bruggetjes. Toch krijg je door het ontstaan van een toeristische canon van onvermijdelijke bezienswaardigheden de indruk dat Gent de voorbije 200 jaar nauwelijks veranderde. Het lijkt wel alsof enkel de Vooruit, de Blandijn en het SMAK er bijgekomen zijn. En enkel kleinere bezienswaardigheden verdwenen: de dierentuin, de plantentuin en het Casino. Over de dierentuin schreven we het in het vorige nummer al. De toenmalige plantentuin van de universiteit is nu het Baudelopark. Het Casino tenslotte was geen speelhol zoals de naam suggereert. Het was een zaal aan de Coupure waar naast de Floraliën ook concerten plaatsvonden. De vijfjaarlijkse Floraliën hadden zo’n faam dat sommige gidsen Gent zelfs bombarderen tot Europese bloemenhoofdstad. Het is maar één van de eretitels van Gent. Tot in de jaren ’30 van de 20e eeuw noemt Gent zichzelf fier het ‘Manchester van Europa’, tegenwoordig een nogal twijfelachtige referentie. Ook hedendaagse gidsen verwijzen nog naar die naam, maar dan eerder om de beperkte pittoreskheid van Gent in vergelijking met Brugge te verklaren.
De gidsen uit de 19e eeuw zijn consequent in het beeld dat ze van de inwoners van Gent schetsen: vrijmoedig en oprecht, gastvrij, maar gereserveerd. De Gentenaar is gesteld op netheid, luxe en plezier. En bovenal: hij is katholiek! Zo stelt C. L. Gyselynck in zijn ‘Guide de la ville de Gand’ (1860) zonder schroom dat 115.490 van de 115.938 Gentenaars katholiek zijn. De overige 448 zijn protestants of joods. Het is niet verwonderlijk dat sommige gidsen voor de helft met kerken, kloosters en abdijen zijn gevuld.
Aangelengde melk en hondenbrokken
Veel gidsen beperken zich niet tot de toeristische attracties en dat geeft een ander beeld van de stad. Zo krijgen de Gentse gevangenissen vaak uitgebreide aandacht: het Rasphuis (aan de Coupure, intussen afgebroken) en de Nieuwe Wandeling. Sommige gidsen zien deze instellingen als modelinstituten die een voorbeeld vormen voor heel Europa, anderen zijn heel wat kritischer. Vooral de Nieuwe Wandeling, in het midden van de 19e eeuw gebouwd, krijgt heel wat kritiek. J.J. Steyaert beweert in zijn ‘Volledige beschrijving van Gent’ (1857) zelfs dat de gevangenis zo opgebouwd werd dat de gevangene nooit iemand te zien krijgt, zelfs niet zijn bewaker. Alleen op zondag kan hij de priester zien die de mis opdraagt aan het altaar in het midden van de gevangenis.
De gedetailleerdheid van sommige gidsen wekt verbazing. Steyaert en anderen geven niet alleen informatie over de afkomst van de gevangenen (opvallend veel West-Vlamingen) en de strafmaat (vooral levenslang). Sommige gidsen geven zelfs het hele weekmenu van het Rasphuis: ’s morgens roggebrood met aangelengde melk, ’s middags elke dag vleessoep en ’s avonds aardappelen met vet, uien en vinaigrette. En dat je hele leven lang! Het is informatie die je niet verwacht in een hedendaagse gids. Het wekt ook verbazing te lezen dat men in de 19e eeuw kinderen mee opsluit met hun ouders. Totdat je bedenkt dat we in de gesloten centra nog steeds hetzelfde doen, natuurlijk.
De stad Gent is zich al snel bewust van het belang van het toerisme. Nog voor de eerste wereldoorlog richt de stad een ‘Commissie tot bevordering van Vreemdelingenverkeer’ op. In 1911 gaat de commissie over tot de oprichting van het toeristisch infobureau in de Lakenhalle, waar het zich nu nog steeds bevindt. Ook reisgidsen ontsnappen niet aan de aandacht van de commissie. De secretaris van de commissie wordt belast ‘met het verbeteren en aanvullen van de tekst over Gent in reisgidsen in den vreemde verschenen.’ De Commissie rapporteert trouw over haar werkzaamheden, ook na het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Het jaarverslag 1914 geeft zelfs de indruk dat de Commissie de oorlog vooral betreurt omdat er nu geen toeristen meer komen. De oorlog heeft evenwel ook zijn positieve kanten: ‘De verkoop van het gidsje opgesteld door den secretaris van de commissie heeft natuurlijk opgehouden met den aanvang van de oorlog, uitgenomen de Duitsche uitgave, waarvan een nogal groot exemplaren is verkocht aan de soldaten van het Duitsch garnizoen.’
Heer Vrehmd en de Kleine Führer
Na de oorlog kan Gent mee profiteren van een specifieke vorm van toerisme: het Britse oorlogstoerisme. Gent maakte in de ogen van de Britten nochtans geen al te beste beurt in de oorlog. Zo meldt ‘The Briton in Flanders’ uit 1919 niet alleen dat de Duitsers in Gent alle fabrieken plunderden maar noemt het Gent ook onomwonden het centrum van het activisme (de Vlaams-nationalistische collaboratie tijdens de eerste wereldoorlog). ‘The Briton in Flanders’ is overigens eerder een woordenboek dan een reisgids. Het geeft de vertaling in het Nederlands van handige Engelse zinnetjes. Het boekje geeft daarbij ook een heel eigen interpretatie van de fonetische uitspraak van het Nederlands. Dat leidt tot praktische uitspraken als: ‘Ik ben heer vrehmd’ (I am a stranger here); ‘Magh ik Uh lass-tigh vall-en?’ (May I trouble you) en ‘Wahr is het café Con-tee-nang-tahl?’ (Where is the Café Continental?)
Na de eerste wereldoorlog komt het toerisme steeds meer binnen het bereik van gewone arbeiders. ‘1 Dag te Gent. De gids voor menschen die noch tijd noch geld te verliezen hebben’ (1924) speelt in op die verandering. Zoals de inleiding van het boekje het uitdrukt: ‘Volg den zegetocht uwer klasse, […] dan zult ge weten dat al ’t overige niets dan gezwets is en dat gij in den strijd, in de schoonheid, in den triomf broeder zijt van allen: die van gisteren, die van heden.’ Het boekje ziet het Gentse verleden als één lange proletarische strijd tegen onmenselijke leef- en arbeidsomstandigheden, van het verzet van de wevers tegen de patricische gilden tot het arbeidersverzet van de 19e eeuw. Dit eindigde, althans volgens ‘1 dag te Gent’, in een overwinning voor het proletariaat door de oprichting van de Vooruit coöperatieve en al haar ondernemingen.
We eindigen onze reis doorheen Gentse reisgidsen in de tweede wereldoorlog. Ook tijdens de oorlog verschijnen -nogal onverwacht- heel wat nieuwe reisgidsen. Eentje heet zelfs ietwat ongelukkig ‘Gent, kleine Führer durch die Altstadt’ (1942). Al is die ‘kleine Führer’ inhoudelijk geheel onschuldig. Dat geldt niet voor alle gidsen. Zo lezen we in het besluit van ‘Gent, die Stolze’ (1941) van ene Friedrich Jorissen (mijn vertaling): ‘In zijn oude en trotse geschiedenis vinden de voorvechters van Germaans bewustzijn meeslepende voorbeelden van strijdbare Geest en onvoorwaardelijke overgave aan de geboortegrond (Heimat). De Borluten, de Arteveldes, de Sneyssens, de Hioens stijgen uit hun graven op en nemen weer gestalte in de dromen van een gekweld volk, dat naar zijn leider (Führer) zoekt in deze grote nood’. Ook niet direct wat je vandaag hoopt te lezen in een toeristische gids. Het zou een mens bijna doen verlangen naar bureaucratische opsommingen van gecanoniseerde bezienswaardigheden, afzichtelijke megahotels, afgrijselijke souvenirwinkeltjes en afschuwelijke toeristenrestaurants. Bijna.
WOUTER BRAUNS
(MET DANK AAN ARTHUR DE DECKER)
