Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Gent-Istanbul

Tussen colère en weemoed

foto 31.JPG
(foto: Freek Willems)

“Hoelang nog ga ik je zoeken van huis tot huis, van deur tot deur?
Hoelang nog van hoek tot hoek, van straat tot straat?”
Mevlâna

 

Vroeger op school dacht ik dat mijn eenzaamheid een tijdelijke situatie was. Pas jaren later, wanneer ik in het duister van de nacht spoorloos door de lege, desolate straten van Gent dwaalde wanneer mijn zelfhaat en onrust onhoudbaar werden, dat wil zeggen wanneer ik ongelukkig was, heb ik de eenzaamheid als mijn lot aanvaard.

Het is bekend dat er mensen zijn die de eenzaamheid opzoeken: boetelingen, mislukkelingen, heiligen of profeten. Ze trekken zich bij voorkeur terug in woestijnen, waar ze van sprinkhanen en wilde honing leven. Sommigen wonen in grotten of kluizen op afgelegen bergen. Ze doen dit om dichter bij God te kunnen zijn. Ze kastijden zich met de eenzaamheid en doen zo boete voor hun dwalingen. Sommigen wachten er maanden of jaren tot ze in de eenzaamheid aan een goddelijke wijsheid deelachtig worden, die ze dan haastig onder de mensen willen verspreiden. Er is ook nog de rationele en zelfbewuste eenzaamheid, zoals die van Montaigne; een eenzaam tussen zijn boeken levende intellectueel die in z’n eentje de tristesse probeert te overwinnen.

Niets van dat alles ging op voor mij. Ik had niet de minste plannen met God en ik had mijn boeken de rug toegekeerd. Ik dwaalde in het wilde weg door de straten en cafés van Gent, als een dronkaard of een gek, ervan overtuigd dat ik alles en iedereen haatte. Tijdens die wrede stilte van de nacht verandert Gent in een spookstad, waar geheime lusten een schuilplaats lijken te vinden. Ik wandelde door de straten die versmolten met het mysterie, op de koude wegen geplaveid met kasseien, op de keurig en netjes onderhouden trottoirs en stoepen, langs de grijze kathedralen, doorheen de stank en de smerigheid van de steegjes, langs de verborgen maar in een oogwenk te herkennen armoede en ellende in de achterbuurten, voorbij de mondaine luxe van welgestelde huizen, langs de sociale woningen uit baksteen en ruw ijzer waarvan de aanblik alleen al je somber stemt, langs de donkergroene kanalen...

Dit alles gaf me een gevoel van verwarring en nederlaag. Ik ben exotisch en ik voelde me nu ook misplaatst in de stad waar ik al jaren leefde.

Hoe kan iemand, die juist in zijn gevoel van zelfvernedering ook genot vindt ook maar het geringste zelfrespect opbrengen? Mijn dierlijke instinct leerde mij dat ik minder dan een muis was, een loser, en dat ik beter uit de buurt van de mensen kon blijven. Het gevoel van falen werd des te heviger door het feit dat ik in een rijk en vrijgevochten land al jaren zonder werk en lief leefde. De ambitie om te slagen, de notie een dienstig individu te kunnen zijn tegenover de maatschappij, de wil om enthousiasme op te brengen voor geld, carrière en lief werden alsmaar grotere lacunes in mijn leven; verwoestende lasten waaronder ik bezweek. Ik voelde me veroordeeld tot nederlagen en ik pendelde tussen zelfmedelijden en verbittering. Waarom ging het me zo moeilijk af om relaties en vriendschapen te smeden, waarom kreeg ik in zo’n geval het gevoel een rol te spelen, terwijl iedereen rondom mij daar vrolijk of in elk geval ontspannen en natuurlijk in leek te slagen? Hoe meer mijn giftig minachtende blik naar binnen sloeg, hoe meer die afketste en zich richtte op mijn omgeving, mijn kennissen en de hele stad.

Misschien was de echte reden noch de eenzaamheid, noch de grauwe stad die als een donkere schaduw over mijn gemoed viel. Misschien was mijn leven zonder dat ik het besefte ondergedompeld in een mysterie, in een droom die ik niet meer kon verklaren. Het verlangen om me als een verwond dier dat gaat sterven terug te trekken in mijn hol, dat met de dag sterker werd, kwam misschien niet van buitenaf maar diep uit mezelf. Maar wat of wie was ik dan verloren dat ik zo somber en wrang was geworden, naar wat of wie was ik op zoek?

 

foto 32.JPG
(foto: Freek Willems)

 

“Vraag de vlinder niet naar zijn wens / Zie zijn verlangen aan het vuur waaraan hij zich opbrandt.” Deze passage van de klassieke divandichter Şeyh Galip haal ik aan als een wending, en zou in de klassiek Ottomaanse muziek een ‘taksim’ – een solo-improvisatie tussen twee composities – worden genoemd. Omdat dit eigenlijk een verhaal is over weemoed en over Istanbul, zal ik nu over dit vreemde gevoel vertellen.

De weemoed – ‘hüzün’ in het Turks – wordt in Istanbul gevoed door de pijn van het verlies, het verval en de armoede. De Istanbullers gedragen zich tegenover hun eigen armoede, falen, nederlaag en droefheid met een bewuste in-zichzelf-gekeerdheid. Weemoed wordt omarmd als een onafwendbaar noodlot, als een gevoel dat de ziel reinigt, diepte en hoop geeft. Ze is zowel een leidmotief in de Turkse poëzie en literatuur als een belangrijke emotie in de muziek. Deze gemoedstoestand wordt ook toegeëigend als een levensvisie, waarin de morele norm je met weinig tevreden te stellen en je niet ijdel van anderen te onderscheiden centraal staat. (Bij sommigen, die zich in zo’n houding forceren, schemert echter nog sterker hun ijdelheid en hun zucht naar mondaine roem door).

Iets dat essentieel is in het weemoedige karakter van Istanbul is de ondergang van het Ottomaanse rijk die de tweeduizendjarige stad met een besef van nederlaag en verlies achterliet. Dat wordt nog versterkt door het gevoel van falen en onmacht tegen een al minstens twee eeuwen vergeefs afhankelijke economie. Hoezeer ze ook zijn verwaarloosd, genegeerd en weggestopt tussen de betonmassa’s, het zijn niet alleen de monumentale moskeeën, paleizen en historische gebouwen, maar ook de kleine booggewelven, droogstaande fonteinen, openbare waterkranen en gebedsplaatsen die het stadslandschap karakteriseren. De stadsgezichten waarin de sporen van triomfen en beschavingen uit het verleden in de vorm van ruïnes voortleven, herinneren degenen die ertussen leven er pijnlijk aan dat ze overblijfselen zijn van een groot imperium. Die collectief aangevoelde weemoed lijkt een cultuur, een stad en miljoenen mensen te verbinden.

Ik besef dat ik me nu precies zo lijk op te stellen als een fan die allerlei dwarsverbanden meent te zien tussen zijn eigen leven en details in de films en levens van de beroemde filmsterren die hij aanbidt. Maar de weemoed die heel Istanbul berustend en trots in zich meedraagt, sijpelde wel degelijk ook in mij binnen.

 

Zelden verschijnt de ondoordringbaar aangevoelde werkelijkheid toevallig zoals ze is. We zijn gefascineerd door de illusies; beelden die we in ons hoofd creëren en die ons gedrag bepalen. Twee schrijvers, hoewel ze in totaal verschillende tijd en cultuur hebben geleefd, kwamen tot een gelijkaardige bevinding. Zowel Marcel Proust als Şeyh Galip - schrijver van ‘Hüsn-ü Aşk’ (Schoonheid en Liefde) en Sufi-mysticus uit het Istanbul van de 18de eeuw - meenden dat we de wijsheid over wie en wat we zullen worden niet gewoon ontvangen. Het is een zoektocht die niemand anders voor ons kan ondernemen. De ‘graal’ is niet te vinden in de dingen buiten ons, die slechts vluchtige aanwijzingen zijn voor wat diep in ons zelf, ons eigen verleden, verborgen ligt. Aangezien wij omgeven zijn met allerlei tekens van die realiteit, komt het erop neer ze op te merken en te ontcijferen. Of zoals Şeyh Galip schrijft: “Grijp me in het voorbijgaan als je er de kracht toe hebt / probeer het raadsel van geluk op te lossen dat ik je voorhoud.”

Het verleden zou zowel een verloren tijd zijn, een periode van dwaling en vervreemding, als een reeks van beproevingen om te groeien naar zelfkennis en naar ‘zuivering van de ziel’. Liefde is de sleutel tot zelfrealisatie, uitgedrukt in de paradox “Jij bent mij en ik ben jou”. Door zichzelf te verliezen in een geïdealiseerde, en daarom onmogelijke, liefde voor een ander, wordt men deze persoon. Maar door het ervaren van zo’n intens gevoel en van de symbiose ‘jij-ik-liefde’, ontdekt en ontcijfert men op hetzelfde moment zijn eigen mogelijkheden. Zoekende en gezochte, liefhebber en geliefde worden zo één en dezelfde persoon, die aldus verlost raakt van zijn illusies. En wie de illusies inziet van de vleselijke liefde, van de idiote idolatrie van kunst en van de leegte van de mondaine luxe, voor hem ligt de weg open.

Weet u, dierbaar lezer, ik wil zelf zo graag geloven in alles wat ik nu heb opgeschreven. Maar ik verzeker u dat ik geen enkel woord geloof van wat ik net heb beweerd. Misschien geloof ik er wel in, maar tegelijk voel ik toch, ik weet niet waarom en verdenk er mezelf van, dat ik zit te liegen als een schoenlapper. Maar teksten bieden troost, en niets is zo verrassend als het leven.

 

CELâL GANDA