Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De flop van 1913

Miserie troef op de Gentse wereldexpo

foto 33.jpg

Een tegen allen, allen tegen Gent: dat tekent zo’n beetje de sfeer op de Gentse wereldtentoonstelling van 1913. Fransen tegen Duitsers, flaminganten tegen franskiljons, huisvaders tegen menseneters en de kerk tegen blote en zatte vrouwen. Voor de rest bracht de ‘wereldfoor’ alleen brand, dood en een schuldenput. Zelfs vandaag zorgt ze nog voor verdeeldheid in de gemeenteraad.

 

In 1913 organiseerde Gent zijn eigen wereldtentoonstelling. Het oorspronkelijke idee achter de wereldexpo’s was tegen die tijd al sterk verwaterd. Ze waren niet alleen steeds vaker louter show, er waren er ook gewoon véél te véél. In de tien jaar voor 1913 waren er tentoonstellingen in Saint-Louis (1904), Luik (1905), Milaan (1906) en Brussel (1910). De Gentse editie was evenwel uniek omdat volstrekt niemand met niemand kon opschieten, wat de amusementswaarde verzekerde.

De wereldtentoonstelling duurde van april tot november 1913 en trok honderdduizenden toeschouwers. De expo strekte zich uit van het Citadelpark tot de wijk Sint-Pietersaalst, waar in de jaren ’20 het Miljoenenkwartier zou verrijzen. Op een oppervlakte van 125 hectare verscheen in enkele maanden tijd een kleine stad, op het eerste gezicht gebouwd voor de eeuwigheid. In werkelijkheid ging het om façadearchitectuur die bijna uitsluitend bestond uit pleister en hout. Het mag dus niet verwonderen dat grote delen van de tentoonstelling in vlammen opgingen.

 

Eigen vijand eerst

‘Gent organiseert de wereldtentoonstelling omdat het onbeschaamd winst wil maken op de kap van buitenlandse toeristen en omdat het subsidies wil loskrijgen van de nationale staat om aan stadsvernieuwing te doen. Verder is Gent een overroepen provincienest.’ Dat is kort samengevat de opinie van een Duits artikel, waarvan de Franse vertaling terug te vinden is in het archief van de universiteit Gent, tussen papieren van het organiserend comité van de tentoonstelling.

Toch vond de auteur dat de Duitse staat ongelijk had niet deel te nemen aan de Gentse tentoonstelling. Niet omwille van de gemiste kans op prestige, wel omdat de Fransen zo massaal aanwezig waren. Volgens de auteur moesten de Duitsers de Vlamingen ter hulp schieten. In België woedde namelijk een ‘rassenoorlog’ en de Vlaams-Duitse cultuur moest zich verenigen tegen de Frans-Waalse cultuur.

Dat lijkt een nogal overspannen redenering, maar de Fransen dachten er net hetzelfde over. Zij annuleerden op een haar na hun deelname aan de expo omwille van de steeds luider klinkende eis tot vervlaamsing van de Gentse universiteit. Een verhit debat in de Franse Kamer van volksvertegenwoordigers veranderde die beslissing. De Fransen besloten tot een overweldigende aanwezigheid op de tentoonstelling. Ze wilden de organisatoren steunen in hun strijd tegen de vernederlandsing en aartsvijand Duitsland een hak zetten. Mede door de Franse aanwezigheid werd de expo een succes. In zekere zin redde de nakende wereldoorlog dus de wereldtentoonstelling.

 

De Gentenaars hadden nochtans geen buitenlanders nodig om ruzie te maken. Het sterk francofone karakter van de organisatie werkte de flaminganten reeds voor de tentoonstelling danig op de zenuwen. De organisatie verergerde de situatie door bijna bewust Nederlandstalige initiatieven te dwarsbomen. Een Vlaamsgezind pamflet tegen de wereldtentoonstelling stelt het klaar en duidelijk: niet de Walen, maar de Gentse franskiljons waren het probleem. ‘Onze vijanden wonen op eigen bodem! Enkele rijke families, aangedikt door een hoopken parvenu’s, trachten zich van het volk te onderscheiden met een andere taal dan de Volkstaal te spreken. Zoo willen zij hun meesterschap, dat hun geld en eer oplevert, over het volk bestendigen.’

De frustraties aan Nederlandstalige kant leidden tot een bescheiden relletje. Op een Manifestation Française begonnen enkele toeschouwers luidkeels de Vlaamse Leeuw te zingen. Franskiljons en flaminganten gaven elkaar wat rake klappen en de gazetten wisten weer waarover te schrijven.

 

Met de wijven niks als last

Ook de kerk deed zijn best om de nodige publiciteit te maken voor de expo. Kardinaal Mercier liet in alle kerken een herderlijke brief voorlezen waarin hij de gelovigen vroeg bepaalde delen van de wereldtentoonstelling te mijden omdat ze te ‘liederlijk’ waren. De menselijke (vrouwelijke) anatomie werd er een beetje te plastisch voorgesteld. De bronnen vermelden niet of de kardinaal deze bandeloosheid zelf kwam vaststellen of dat hij deze zware taak aan anderen overliet. Een van de zalen die de kardinaal viseerde, was de zaal waar de vrouwentoiletten waren uitgestald. Ook ten tijde van de wereldexpo waren vrouwentoiletten blijkbaar al controversieel in Gent.

Ook op andere manieren zorgde de kerk voor entertainment. Naar aanleiding van de wereldtentoonstelling werden tientallen lezingen en congressen gehouden. Het amusantst was ongetwijfeld het ‘Congres van drankbestrijding’, ingericht door de Katholieke Matigheidsbonden van België. Uit het verslag van dit congres leren we niet alleen dat de leegloop van de kerken veroorzaakt werd door alcoholmisbruik, we leren ook wiens schuld dat was: “Het zij tot schande der vrouwen der drankzuchtigen gezegd, dat vele onder haar schuld hebben aan het gedrag hunner echtgenoten. Zij alleen zijn dikwijls de oorzaak dat de man den huiskring ontvlucht.” Dixit juffrouw Vermont, uit naam van de vrouwenafdeling. En verder: “Drankzuchtige vrouwen vindt men in alle standen der maatschappij. Zij zijn de schande van het menschdom.” De Kerk, mannen weten waarom.

 

Het vrouwelijke gedrag zorgde op de expo wel vaker voor opschudding. Met name hun enthousiasme voor het ‘authentieke’ Senegalese dorp in het Citadelpark wekte beroering. Karel Van de Woestijne sprak geamuseerd van ‘flirts van Gentsche meisjes met menschenetende negers’. En een Gents spotlied naar aanleiding van het einde van de tentoonstelling stelde het nog wat duidelijker: ‘In ’t kort zuld’hier misschien nen huup klein zwartses zien’.

Het fijne van de zaak komen we niet te weten, maar het schandaal duurde in ieder geval tot het vertrek van de Senegalezen: ‘De spoorwegkaaien stonden vol volk, waaronder ook vele vrouwen en er waren er zelfs die weenden, waarop zij door een ander deel der aanwezigen geweldig uitgescholden werden. Sommige “juffers” aarzelden niet de zwarten, waarmede zij tijdens hun verblijf in de Tentoonstelling bepaald kennis hadden gemaakt te omhelzen en hun een hoopvol: Tot weerzien! Of een droevig: Vaarwel! Toe te roepen. Geen wonder dat dergelijke betoogingen bij vele omstaanders verontwaardiging verwekten.’ (Gazette van Gent, 22 november 1913).

Drie Senegalezen vonden dit alles zo tof, dat ze besloten in Gent te blijven, maar uiteindelijk werden ook zij op een boot gezet.

foto 34.jpg
(foto: collectie Arthur De Decker)
Ingang van het Senegalese dorp

 

Van Timichegtunnel naar Madi Dialidoorgang

De Igorotindianen uit het ‘Filippijns dorp’ lieten ook hun stempel na in Gent. Hun dorp stond tijdens de wereldexpo vreemd genoeg middenin ‘Oud-Vlaanderen’, een geïdealiseerde (en pleisteren) reconstructie van een middeleeuwse Vlaamse stadskern. Er is geen enkele foto van het dorp bekend en de gidsen over de tentoonstelling vermelden het dorp uiterst zelden. Cyriel Buysse schrijft wel over de Igorot, maar vergelijkt hen - geheel in de geest van de tijd - met ‘een mengselprodukt […] van apen en Mongolen’. Richard Schneidewind, de impresario van de Igorot, werd ervan beschuldigd zijn mensen slecht te behandelen. Na de tentoonstelling trof men een aantal Indianen bedelend op straat aan. Schneidewind verklaarde echter dat ze zich enkel ellendig voordeden om medelijden op te wekken.

Tijdens hun verblijf in Gent werd bij de Igorot een kindje geboren dat de typische Indianennaam ‘Flandria’ kreeg. Tijdens de tentoonstelling overleed ook een van de Indianen, de 28-jarige Timicheg (of Timiteg). Volgens de ‘Gazette van Gent’ kwijnde hij weg in ons weinig gastvrij klimaat. ‘Hij voelde heimwee, werd moedeloos, vatte koude en stierf.’ De krant meldt verder dat de ‘kannibalen’ als rouwritueel een varken kochten bij een plaatselijke pachter, het slachtten en rauw oppeuzelden. Timicheg werd begraven op het gemeentekerkhof van de Brugse Poort.

 

Diezelfde Timicheg zorgt tot op vandaag voor verdeeldheid onder de Gentenaars. De straatnamencommissie (want die bestaat blijkbaar) stelde voor een nieuwe tunnel voorzien in het Sint-Pietersproject naar de onfortuinlijke Indiaan te noemen. Het schepencollege toonde weinig enthousiasme. Burgemeester Termont in de gemeenteraadscommissie (volgens De Gentenaar, 20/06/07): ‘Ik ben daar de jongste weken mee bezig geweest. Ik voelde me daar niet goed bij. Ook de andere leden van het schepencollege niet. […] Ze [de straatnamencommissie, red.] argumenteerde dat er in de buurt alleen namen zijn gegeven van mensen die veel geld hebben verdiend tijdens de wereldtentoontelling in 1913. Nu gaat de naam eens naar een kleine man. We hebben ons daarbij neergelegd. De leden van het schepencollege hebben hun schouders eens opgetrokken. Er zijn belangrijker dingen.’

Op internetfora blijkt het enthousiasme voor de naam gemengd. Veel Gentenaars vinden de naam Timichegtunnel blijkbaar onuitspreekbaar. Misschien moeten die Gentenaars gewoon eens naar de logopedist? De Filippijnse Igorotindianen zijn in ieder geval bijzonder opgezet met het eerbetoon.

Gemeenteraadslid Helga Stevens (N-VA) klaagde recent nog over de gang van zaken. In een schriftelijke vraag aan het schepencollege betreurt ze niet alleen de naam, maar ook de vroegtijdige communicatie er rond. De definitieve beslissing is immers nog niet genomen. Stevens laat het daar niet bij: “Ik denk dat er mooiere namen waren geweest; als men toch de Filippijnen wil centraal stellen die hier tijdens de wereldtentoonstelling van 1913 aanwezig waren, kon men bij voorbeeld de Flandriatunnel genomen hebben, genoemd naar het Igorotmeisje dat in Gent geboren werd.”

De ironie moet u er misschien zelf maar bij denken.

 

Tijdens de expo overleed overigens ook een van de inwoners van het Senegalese dorp. Madi Diali was slechts 20 en overleed aan een hartziekte. Klinkt als een kans die de straatnamencommissie niet kan laten liggen. De straatnamen voor het Sint-Pietersproject liggen eigenlijk al vast, maar er zal toch nog wel ergens plaats zijn voor een Madi Dialidoorgang?

 

Eind slecht al slecht

De wereldtentoonstelling eindigde met een grote schuldenput, tot groot jolijt van sommige Gentenaars. Kort na het einde van de wereldfoor brak de eerste wereldoorlog uit. De illusie van grandeur moest plaats maken voor de rauwe oorlogswerkelijkheid. In het begin van de oorlog bood het Feestpaleis in het Citadelpark onderdak aan tienduizend vluchtelingen. Later deed het dienst als Duits oorlogsziekenhuis. Op de braakliggende terreinen van de expo plantte men aardappelen om de hongerige bevolking te voeden. Na de oorlog vond men in de kelders van het Feestpaleis nog een honderdtal Duitse lijken. Eind slecht al slecht, zullen we dus maar zeggen…

 

WOUTER BRAUNS

 

Bronnen:
A. CAPITEYN, Gent in Weelde herboren. Wereldtentoonstelling 1913, Gent, 1988
E. DE KEUKELEIRE, De wereldtentoonstelling van 1913 te Gent, 1896-1920. Verzameld uit 31.600 kranten
Met dank aan André Capiteyn van het Gentse stadsarchief en Arthur De Decker

 


Leerrijk .... en heerlijk

Leerrijk .... en heerlijk artikel.

Goed geschreven, compliments

Goed geschreven, compliments du chef.

Mooi artikel! Vormt een

Mooi artikel! Vormt een leuke (en welkome) aanvulling op "Gent in Weelde herboren", dat eerder het architectonische aspect behandelt.