Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Diyarbakir: spiegel van de Koerdische realiteit

foto 4.jpg
(foto: Veysel Tuncay)

Aftandse taxi's, tractors, dolmusbusjes, overladen vrachtwagens, pruttelende bromfietsen met beschilderde aanhangbakken die moeder, kind en koopwaar mee de stad in sjokken, hier en daar nog paard en kar, en mensen die ‘çekçek’ voorttrekken: een grote plank met twee wielen eronder waarop alle mogelijke goederen door de stad worden versjouwd. Naar verluidt wordt dit transportmiddel verder enkel nog in China gebruikt. Meer dan ééns heb ik mijn ogen gesloten terwijl we met de wagen deze heksenketel doorkruisten, maar wonderlijk genoeg lijkt niemand brokken te maken. Om dat te vermijden zijn er toeters, goede reflexen, een paar stevige remmen en de islamitische versie van de paternoster, die in de meeste wagens aan de achteruitkijkspiegel bengelt. Dit is Diyarbakir, de grootste Koerdische stad van Turkije.

 

Diyarbakir, of Amed in het Koerdisch, barstte in de jaren negentig uit zijn voegen door de toevloed van honderdduizenden Koerden die door het gewapende conflict tussen de PKK (de Koerdische Arbeiderspartij die sinds 1984 strijdt voor autonomie voor de Koerden van Turkije) en het Turkse leger gedwongen werden hun dorpen en gehuchten in de belegerde Koerdische provincies te verlaten. Tot enkele jaren geleden bleef de Turkse staat ontkennen dat er binnen Turkije een groot vluchtelingenprobleem bestaat. Elke vorm van steun aan de honderdduizenden tot misschien wel miljoenen vluchtelingen was onbestaand. Tot op vandaag ontkent de staat dat er een systematische evacuatie van de dorpen op het platteland plaatsvond, ondanks overvloedige bewijzen van het tegendeel die door onderzoekers van binnen en buiten Turkije verzameld werden.

 

Diyarbakir kreunt onder de last van haar 1,2 miljoen inwoners, een verdubbeling sinds het begin van de jaren negentig. 70% van de bevolking is jonger dan dertig jaar en de werkloosheid scheert dezelfde toppen. In de historische binnenstad ‘Sur’, volledig ommuurd door dikke zwarte basaltstenen, wonen in een wirwar van steegjes honderdduizend vluchtelingen in verouderde, dicht opeengepakte huizen. De overige vluchtelingen wonen in snel opgetrokken flats buiten het centrum. Er leven naar schatting 20 000 straatkinderen in Diyarbakir. Je kan de straat niet op zonder dat kinderen je met hun grote kijkers vragen of je van hen een pakje zakdoeken wilt kopen, of op hun weegschaal wil gaan staan voor een luttele lira. De kinderen van amper zeven, acht jaar oud zijn in deze stoffige stad geboren. Hun ouders waren landbouwers of schapenhoeders die hun dorp zo’n 12 tot 15 jaar geleden ontvluchtten. De meesten kenden het stadsleven niet en sommigen gebruiken de kelderverdieping van hun huis als stal voor enkele kippen en schapen. De mest wordt als brandstof gebruikt tijdens de strenge winters.

 

Terugkeren is voor veel mensen geen optie meer. Veel dorpen zijn platgebrand door het Turkse leger of de PKK, van anderen zijn huizen en eigendommen in bezit genomen door dorpswachters. De dorpswachters zijn Koerdische mannen die zich tijdens het conflict al of niet vrijwillig inschreven in het dorpswachtersysteem, dat de dorpen tegen aanvallen van de PKK moet beschermen, maar dat in de eerste plaats de loyaliteit van een deel van de Koerdische bevolking aan de Turkse staat wil afkopen. En dit laatste mag vrij letterlijk genomen worden, aangezien je als dorpswachter een veel breder inkomen geniet dan als eenvoudig landbouwer. Nog anderen kunnen niet naar hun dorpen terug door de gevolgen van het jarenlange conflict en het structurele gebrek aan investeringen in de regio van het Zuidoosten. De infrastructuur is verouderd, elektriciteit en stromend water ontbreken, boomgaarden zijn vernield en het land ligt bezaaid met mijnen.

Enkelen hebben hun leven in de stad opgebouwd en willen niet meer terugkeren. Ook al blijven heimwee en herinneringen aan het leven in de dorpen bestaan.

“Toen we in het dorp woonden, hadden we geen huurkosten en moesten we nog niet betalen voor water. Hier in de stad moet je voor alles betalen. Nu kunnen we ons geen fruit permitteren en groenten kunnen we enkel kopen wanneer ze op de markt goedkoper worden. In het dorp konden we ons niet voorstellen hoe belangrijk yoghurt en eieren op een dag zouden zijn. Hier bevonden we ons plots in de marge.” Aldus een Koerdische vluchtelinge in het onderzoeksrapport van het Ontwikkelingscentrum Diyarbakir uit 2006.

 

In de dorpen konden mensen in hun eigen levensonderhoud voorzien en was de onderlinge solidariteit sterker. Nu is het moeilijk om solidair te zijn, want wat valt er te delen als iedereen in dezelfde schuit zit? Veel mensen, ook kinderen en jongeren, migreren jaarlijks tijdelijk naar andere delen van het land om voor een karig loon katoen, fruit of groenten te plukken. Doordat iedereen er kandidaat is voor dezelfde jobs zijn de lonen zowel in Diyarbakir als in de andere migratiesteden veel lager dan in de rest van Turkije. Waar het gemiddelde jaarinkomen in Turkije 5 600 dollar per persoon bedraagt, moeten mensen in Diyarbakir het met gemiddeld slechts 360 dollar per jaar stellen. Veel jonge mannen en vrouwen zien geen uitweg meer en migreren naar de grote metropolen in het Westen van het land, zoals Izmir en Istanbul. Ze werken er in de bouw of de horeca. Anderen trekken naar de bergen en sluiten zich aan bij de guerrilla van de PKK. Zij hebben het gevoel dat ze toch niets meer te verliezen hebben.

 

foto 5.jpg
(foto: Veysel Tuncay)

De lokale politici voeren een dubbelzinnig beleid. Diyarbakir wordt beschouwd als het politieke hart van het Koerdisch verzet tegen de Turkse staat. De Koerdische partij die er al jaren aan de macht is, is zich bewust van de problemen van haar inwoners en van de infrastructurele chaos. Voor de instroom van honderdduizenden families werden er massaal goedkope en gebrekkige flats opgetrokken waardoor de stad zich eindeloos ging uitbrreiden zonder enige stadsplanning. Buiten de verpauperde getto’s heeft de nieuwe middenklasse van plaatselijke aannemers, advocaten en een deel van de politieke elite zichzelf terug getrokken in omheinde villawijken. De overheid kent de armoedeproblematiek, maar stelt in de eerste plaats dat ze machteloos is om fundamentele veranderingen door te voeren wegens het gebrek aan steun vanuit de centrale overheid en het gebrek aan eigen financiële middelen. Bovendien ging een deel van de energie van de Koerdische burgemeesters en hun beleidsmedewerkers de voorbije jaren naar het sensibiliseren van Europese politici over het ontbreken van politieke en culturele rechten van de Koerdische bevolking. Door het gebrek aan vertegenwoordiging in het parlement wegens de kiesdrempel van tien procent, zag de partij zich immers genoodzaakt haar burgemeesters in te schakelen in de internationale politiek.

 

Enkele duizenden families kunnen tegenwoordig op voedselpakketten rekenen en vrouwenorganisaties proberen met steun van de gemeente de moeilijke positie van de Koerdische vrouwen te verbeteren. Ondertussen breidt de islamistische AK-partij van premier Erdogan haar aanhang onder de Koerdische bevolking uit door te investeren in nieuwe wegen, in onderwijs, het verschaffen van gratis basisgezondheidszorg aan de onderlaag van de bevolking en het verder uitbouwen van caritasorganisaties. Onder het bestuur van de Koerdische partij zijn de hoofdstraten en de omwalling van de oude stad onlangs met middelen van de Europese Commissie gerenoveerd. De plaatselijke straatventers zullen binnenkort hun vast stek moeten verlaten. De lokale politici proberen al enkele jaren om middelen van de Europese Commissie en de Wereldbank aan te trekken. Ze willen van het historische centrum een toeristische trekpleister maken. Concreet betekent dit dat alle verouderde huizen van de binnenstad platgelegd zullen worden, met uitzondering van het historische erfgoed aan moskeeën, kerken en oude basaltstenen huizen; de woningen van de vroegere elite van de stad. De huidige inwoners zullen nieuwe woningen toegewezen krijgen buiten de stad en er zullen nieuwe ‘historische’ woningen worden opgetrokken om de herinnering aan Diyarbakir’s welvarende verleden levendig te houden. Voor de mensen die in deze wirwar van straatjes leven betekent dit dat ze een tweede maal gedwongen worden te verhuizen en opnieuw zullen moeten leren om in een andere omgeving hun leven op te bouwen. Geconfronteerd met de vaststelling dat dit geen oplossing vormt voor de armoedeproblematiek van de huidige inwoners, stelt de burgemeester van Sur vol goede moed dat er duizenden jobs gecreëerd zullen worden in de toeristische sector. Dat valt te betwijfelen, als zelfs de kelners in de restaurants een stevig mondje Engels moeten kunnen spreken… De meeste jongeren in deze stad kunnen niet eens de school afmaken omdat hun families afhankelijk zijn van de schamele lira’s die zij met hun handenarbeid kunnen binnenbrengen. Als het project werkelijkheid wordt, worden de problemen van het hart van de stad naar de rand verplaatst. Een oplossing is dan letterlijk ‘ver’ te zoeken. God beware?

 

MARLIES CASIER

 

Bronnen:

  • Interviews van de auteur met lokale ngo’s, journalisten en politici in Diyarbakir, Turkije, september 2007
  • Development Centre/Kalkinma Merkezi met steun van UNDP, Forced Migration and its effects on Diyarbakir, Juni 2006, Diyarbakir
  • Betul Celik, A., I miss my village, In: New Perspectives on Turkey, nr. 5, 2005
  • TESEV (Turkish Economic and Social Studies Foundation), Overcoming the legacy of mistrust: towards reconciliation between the state and the displaced, Mei 2006, op www.tesev.org.tr