Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De overheid, uw vriend

Stedelijk beleid in de strijd tegen ‘overlast’

p 30_TT13_overheid uw vriend
(afbeelding: Mario Debaene)

De wet van 13 mei 1999 - aangepast op 25 maart 2004 - introduceerde de gemeentelijke administratieve sancties (GAS). Sindsdien hebben de plaatselijke overheden alle dimensies van het lokale veiligheidsbeleid in handen: van het opstellen van het politiereglement over het vaststellen van overtredingen tot het sanctioneren ervan. Het gerechtelijke apparaat kan op deze manier omzeild worden. Tot zover de scheiding der machten in ons democratische landje...

 

De ‘overlastmythe’

Traditioneel wordt deze verregaande bevoegdheidsuitbreiding van de lokale bestuurlijke overheden gelegitimeerd door ‘het stijgende onveiligheidsgevoel’ bij de burger en het fenomeen ‘overlast’. De conventionele gerechtelijke weg geeft immers geen resultaten: door een ‘te hoge werklast en gerechtelijke achterstand van de parketten’ zou in de praktijk een situatie van ‘straffeloosheid’ zijn ontstaan.

De onveiligheidsgevoelens die men via de GAS-wetgeving wil aanpakken zouden voornamelijk voortkomen uit het overal aanwezige fenomeen ‘overlast’. Maar wat is ‘overlast’ nu eigenlijk? Blommaert e.a. vertrekken vanuit de stelling dat het overlastdiscours -­zoals het in beleidsdocumenten wordt gehanteerd ­- een mythe is. Daarmee bedoelen ze dat het begrip ‘overlast’ zoals het gewoonlijk gebruikt wordt een bepaalde kijk vertegenwoordigt op maatschappelijke praktijken en problemen en voorrang geeft aan specifieke oplossingen. Zo begrepen verhult een ‘mythe’ dat de manier waarop we over bepaalde zaken spreken historisch gegroeid is en het resultaat is van machtsverhoudingen. “‘Overlast’ verschijnt dan als lens, als benoeming die beleidsmakers toelaat samenlevingsproblemen te herleiden tot individualiseerbare problemen, individuele of zelfs karakteriële eigenschappen van mensen, en die toelaat het individu aan te spreken op zijn individuele verantwoordelijkheid”. Meer bepaald gaat het volgens Blommaert e.a. om een “geïnstitutionaliseerd onvermogen om constructief om te gaan met samenlevingsproblemen”. Deze samenlevingsproblemen kan men in grote mate toeschrijven aan de steeds hegemonischer wordende globale, neoliberale politiek. Het toeval wil nu dat deze neoliberale logica bij uitstek ingrijpt op het stedelijke niveau...

 

Het stedelijke bestuur moet aangepast en hervormd worden volgens het neoliberale paradigma, wat inhoudt dat het zich een meer commerciële logica moet eigen maken.

 

Competitieve steden

Zo stelt Neil Smith dat de recente evolutie van steeds repressiever veiligheidsmaatregelen -gericht op uitsluiting­- kadert in een ‘nieuw stedelijk beleid’ dat hij bestempelt als de opkomst van de ‘revanchist city’. Zo kan men de laatste twee decennia vaststellen dat een hele reeks van stedelijke besturen in Noord-Amerika en West-Europa getracht hebben het economische landschap van hun steden te ‘herkapitaliseren’ door economische en financiële waarde te halen uit ‘de stad’. Dit nieuwe (neoliberale) stedelijke beleid moet zoveel mogelijk (binnen- en buitenlandse) investeringen aantrekken naar de stad door deze zo succesvol mogelijk te promoten als een residentiële, commerciële en toeristische trekpleister in een globale economie van interstedelijke competitie.

Op het concrete domein van het stadsbeleid ziet men dan ook allerlei veranderingen optreden. Het stedelijke bestuur moet immers aangepast en hervormd worden volgens het neoliberale paradigma, wat inhoudt dat het zich een meer commerciële logica moet eigen maken. Zo moet de stad haar competitieve positie in de globale economie verbeteren door middel van doorgedreven liberaliseringen en dereguleringen. Harvey somt hierbij drie essentiële kenmerken op van de stedelijke ‘ondernemersgeest’.

Vooreerst raakt de nieuwe stedelijke politieke arena steeds meer doordrongen van invloedrijke zakenbelangen, voornamelijk door de in aantal stijgende en sterk geprezen publiek-private partnerschappen. Ten tweede zijn deze zakenbelangen minder geïnteresseerd in het herverdelen van welvaart en welzijn dan in het stimuleren van economische activiteiten. Hierbij hanteren zij het discours dat deze activiteiten volgens het ‘trickle-down effect’ sociale voordelen zullen creëren. Opvallend hierbij is de voorkeur voor ‘flagship projects’ die een gewenst beeld van de stad uitdragen en versterken. Hierbij valt bovendien op dat de zakelijke risico’s grotendeels door de publieke instellingen en instituties worden gedragen. Ten derde stelt Harvey dat de voordelen van dergelijke projecten vaak worden ervaren door toeristen en stedelijke elites die elders wonen, en niet door de plaatselijke buurtbewoners. Met andere woorden: terwijl het discours propageert dat de stad -­ als motor van economische ontwikkeling­ - op basis van allerlei publiek-private partnerschappen zal zorgen voor de nodige jobs (voornamelijk in de bouw-, de diensten- en de financiële sector) en voor welvaart die dankzij het ‘trickle-down effect’ aan de hele bevolking ten goede zal komen , blijkt dat in de realiteit allesbehalve het geval te zijn.

 

‘Overlast’ is een bewust vaag gehouden begrip dat als pasmunt moet dienen om ongeregeldheden uit de weg te ruimen in het streven van steden naar de status van een commerciële, residentiële en toeristische trekpleister.

 

Ongewenste individuen

De gedane investeringen in de vastgoedsector leiden in de stad tot processen van gentrificatie. Dit wil zeggen dat bepaalde buurten (voornamelijk in de binnenstad) ­die voorheen de thuisbasis waren van de arbeidersklasse uit de Fordistische, industriële periode, ‘hergewaardeerd’ worden en vervolgens een nieuwe middenklasse aantrekken, waardoor de oorspronkelijke bevolking noodgedwongen moet vertrekken omdat ze de stijgende huurprijzen niet meer kan betalen. Dit is niet altijd of overal een onbewuste politiek, aangezien de (binnen-)stad ‘gezuiverd’ moet worden van ongewenste individuen; d.w.z.‘niet-consumerende’ en ‘de consumptie van anderen hinderende personen’ zoals bedelaars, ‘hangjongeren’, daklozen en andere marginale groepen die in de weg staan van een goede rangschikking van de stad in de globale interstedelijke competitie.

Om een maximum aan investeringen aan te trekken, moet de stad aantonen dat de gedane en toekomstige investeringen veilig zullen zijn en zullen renderen. Hiervoor stimuleert het stadsbeleid enerzijds de ‘verantwoordelijke’ individuen - lees: individuen die het dominante, neoliberale waardensysteem delen - om hun consumptiepatroon te onderhouden en uit te breiden. Anderzijds moet de stad de ‘onverantwoordelijke’ individuen - lees: zij die het dominante waardensysteem niet kunnen of willen delen - tot de orde roepen, wat de facto vaak leidt tot een criminalisering van deze gemarginaliseerde groepen. Om zich tegen mogelijke verzetsacties te beveiligen en nefaste publiciteit voor de stad uit te schakelen, kan het stadsbestuur zich beroepen op allerlei verregaande veiligheidsinstrumenten om ongewenste groepen uit het stadsbeeld te weren. Deze instrumenten zijn vaak ontworpen door hogere beleidsniveau’s, zoals de federale Belgische overheid, die inspelen op een herschaling van de economie van het land. Het spectrum van instrumenten gaat van het ontwikkelen en toepassen van gemeentelijke administratieve sancties over de alomtegenwoordigheid van camerabewaking en een beleid van ‘zero tolerance’ tot de vermenging van publieke en private ordehandhavingsdiensten en -opdrachten. Dit is een internationale tendens; zo kent men in het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld de vergelijkbare, maar veel extremere ASBO’s (‘Anti Social Behavior Orders’).

 

Gewapend bestuur

De populistische en repressieve aanpak van het fenomeen ‘overlast’ past perfect in het plaatje van de ‘revanchistische’ stad. ‘Overlast’ is daarbij een bewust vaag gehouden begrip dat als pasmunt moet dienen om ongeregeldheden uit de weg te ruimen in het streven van steden naar de status van een commerciële, residentiële en toeristische trekpleister. “Overlast verschijnt in de meest diverse vormen en in de meest diverse situaties en beïnvloedt sterk het onveiligheidsgevoel van de burger”, heet het in het Nationaal Veiligheidsplan (p.26). En: “Het is een probleem dat een gepaste prioritaire aanpak vraagt op maat van de lokale situatie. De kans dat mensen er slachtoffer van worden of mee geconfronteerd worden, moet sterk verminderen. Hierdoor zal ook het onveiligheidsgevoel dalen” (id.).

Deze recente evoluties zouden wel eens het gevolg kunnen zijn van een grotere participatie van de Belgische steden en gemeenten in de huidige, globale interstedelijke competitie. Verdere opvolging en onderzoek van deze evoluties dringen zich dan ook op. Het Nationaal Veiligheidsplan voor 2008 van de interim-regering focust alvast op “een maximale inzet van en coördinatie met het systeem van gemeentelijke administratieve sancties” (p.26). Ondanks de talrijke kritieken kiest de interim-regering dus niet voor een fundamentele herziening van de GAS-wetgeving maar wordt er integendeel een uitbreiding vooropgesteld binnen de geactualiseerde ‘Kadernota integrale en geïntegreerde veiligheid’. Zo zullen de bestuurlijke overheden verdere initiatieven kunnen nemen voor de ontwikkeling van een beleid van gewapend bestuursrecht dat wordt ingepast in het globale veiligheidsbeleid.

 

MAARTJE DE SCHUTTER

 

Bronnen:

VERFAILLIE, K., BEYENS, K., BLOMMAERT, J., MEERT, H. en STUYCK, K., De ‘overlastmythe’, Panopticon, 2007, nr. 3.