



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Gastartikel: Ieder zijn eiland (KifKif)
Talige bespiegelingen over de stad
De stad krijgt niet alleen vorm in zijn materiële verschijning, in zijn gebouwen, straten en pleintjes. De hedendaagse stad en zijn stedelingen kunnen we niet meer vatten zonder te kijken naar hoe de stad in de taal vorm gegeven wordt. Stedelijke discours vormen het kader van onze normaliteit, het is het decor waarin we leven en overleven.
Identiteiten worden steeds voorgesteld en aangevoeld als zijnde natuurlijk. Ze worden beleefd als vaststaande gegevens, feitelijkheden die rechtstreeks ontsproten zijn uit de natuur der mensheid en die we zelden in vraag stellen. Niet alleen mensen hebben een schijnbaar vastomlijnde identiteit maar ook dingen en steden. Identiteiten schreeuwen onophoudelijk in onze steden en in onze huiskamer. De grens tussen identiteit en imago vervaagt. De drager blijft dezelfde. Taal beperkt zich niet tot het spreken, schrijven en lezen van woorden. Niet alleen de reclameborden op elke hoek van de straat spreken tot ons, elk beeld, elke verandering, laat zijn sporen na. De geografie, de opbouw en het uitzicht van onze gebouwen, auto’s, maar ook mensen en hun handelingen spreken dagelijks en onophoudelijk tot ons zonder ook maar één woord te gebruiken. Het is doorheen die taal dat we identiteiten creëren.
Mijn uitgangspunt is de vaststelling dat stedelijke identiteiten niet alleen gepresenteerd worden als een gevolg van de geschiedenis (van een persoon, stad of ding) maar zich tevens voordoen als een natuurlijk, normaal gegeven. Deze bespiegelingen zijn daarom een poging om de vereenzelviging tussen natuur en geschiedenis in de verklaring of beschrijving van stedelijke identiteiten te onderwerpen aan enkele kritische reflecties. Het is bovendien een vrij persoonlijke oefening die onvermijdelijk slechts één element belicht, namelijk de kritiek, waardoor de positieve zaken (zoals het genieten van de zaken waarop kritiek geuit zal worden) minder belicht worden.
De paradoxale identiteit van de stad
Elke stad heeft tegenwoordig een identiteit, een wijdverspreid etiket dat niet alleen de stad maar ook zijn inwoners lijkt te definiëren. Brugge is dan het Venetië van het Noorden of achterlijk, Antwerpen wordt bevolkt door betweters, Knokke door steenrijke snobs en Gent is in een dergelijk spreken een vrijgevochten, open en tolerante stad met de stroppendragers als symbool. Bovenal lijken deze steden in de nieuwe sirenezangen echter Vlaamse steden, met een Vlaamse geschiedenis. Onze stedelijke etiketten gaan steevast gepaard met een welbepaalde selectie van historische symbolen, (media)gebeurtenissen en evoluties. Stedelijke identiteiten weerspiegelen een geschiedenis die overleeft in de architectuur van de stad doordat ze erop geprojecteerd worden. Gent kent zijn drie torens, Antwerpen wordt gesymboliseerd in de Onze-Lieve-Vrouwetoren en Ieper wordt herleid tot het ritueel van de Last Post, … Elke stad kent zijn masterverhaal, een identitair verhaal dat opgehangen wordt aan enkele, vaak historische kapstokken.
De hardnekkige suggestie van deze ‘historische identiteiten’ is keer op keer dezelfde: dit is de natuur van de stad en zijn bewoners, onze stad is een oervlaamse stad met een rijke traditie. Natuur en geschiedenis worden vereenzelvigd met elkaar, identiteiten lijken zomaar te bestaan, eenduidig en natuurlijk opborrelend uit de loop der geschiedenis. Ze worden met andere woorden niet geconstrueerd, ze bestaan eenvoudigweg en zijn voor eeuwig. Nochtans zijn identiteiten talige gegevens, enkel in de taal krijgt de stad zijn identiteit. De identiteit van de stad is altijd een verhaal en verhalen worden door mensen verteld en gemaakt.
Dit masterverhaal van de stad is echter niet zozeer een dynamisch verhaal, ze is geen gevolg van de dagelijkse dynamische interactie van de inwoners van een stad, maar een statisch verhaal uitgedacht door beroepskrachten en uitgedragen via allerlei propaganda-instrumenten. Dit masterverhaal kan en mag niet in vraag gesteld worden, elke kritiek op deze constructie wordt gezien als een moordaanslag op de identiteit van de stad en leidt tot verzet vanuit een verkrampte identitaire reflex. Gent is dan ook enkel en alleen een open, progressieve en warme cultuurstad en niet de armste stad van Vlaanderen. Dergelijke stedelijke identiteiten hebben niets meer van doen met de beleving en de realiteit van de bewoners in die stad. De contradictie tussen het ‘historische en natuurlijke karakter’ van een stad en de dagelijkse realiteit legt het dodelijke anachronisme van stedelijke identiteiten bloot.
De stad ontsnapt niet aan de wijd om zich heen slaande vermarkting. Dichters en kunstenaars worden ingeschakeld om dat imago op te krikken, meer cachet te geven. Elke zichzelf respecterende stad heeft vandaag een imago, een essentialistisch beeld over zichzelf dat met excessief veel middelen verkocht wordt. Hier komt het paradoxale karakter van identiteiten en imagebuilding bovendrijven. Hoewel identiteiten schijnbaar historisch van aard zijn, eigen aan de geschiedenis van de stad en zijn bewoners, blijken ze dag in dag uit geconstrueerd te worden. Het imago en de perceptie van de stad zijn instrumenten van de nieuwe stadspolitiek, waartoe de geschiedenis zich dankbaar leent. Stedelijke identiteiten zijn moderne mythes, ze liegen niet, maar verdraaien de realiteit, richten de blik op enkele gecreëerde ruimtes en ideeën. Dergelijke identiteiten kunnen niet anders dan te verworden tot statische en realiteitsloze etiketten die ons dag in dag uit door de strot geramd worden.De dynamiek van de stad sterft een trage dood in deze nieuwe marketingetiketten.
De consumptiemachine: het toeristisch terrorisme
Deze wijdverspreide identiteiten ontstaan niet zomaar, ze kosten handenvol geld en ontspruiten aan de breinen van een klein legertje communicatie- en andere deskundigen. Identiteiten renderen, ze zijn de moderne sirenezangen voor de gemiddelde toerist. Deze nieuw geconstrueerde ‘historische identiteiten’ weerspiegelen zich in de geografie van de stad. Historisch renoveren lijkt wel een plaag te zijn, overal creëert men de geschiedenis opnieuw. Elke stad is op weg zich te herscheppen in een nieuw Bokrijkpark. Kerken, pleinen en oude gebouwen worden fier uitgelicht. De stadskern wordt geëxploiteerd, de lokale kleinhandel verdwijnt en de multinationale ketens nemen de handel over. De veranderingen in de openbare ruimte zijn opmerkelijk, het hoge pretparkgehalte van onze grote Vlaamse steden schreeuwt al ettelijke jaren om uw portefeuille.
De stadskern wordt een soort Disneypark, met voor elk wat wils en overgoten met een veiligheidssausje. De ideale stad is geboren, een stad waaruit alle geweld visueel gebannen wordt, waarin alle sociale conflicten onbestaande of toch onzichtbaar zijn. Een stad vol vriendelijke, zachtaardige mensen, van ongelijkheid is geen sprake. Deze stad is een zeepbel, een roze bril, het is een identitair verhaal en niet zozeer een verhaal van reële mensen. In deze Disneystad leven geen mensen (op ‘ideaaltypes’ na), ze komen er voor de vele attracties. Shoppen, musea en tentoonstellingen bezoeken, een glaasje drinken en een hapje eten. De kerstmarkten schieten als paddestoelen uit de grond en ook de televisie is er steeds meer bij: Flikken, de VTM-Kerstparade, Tien om te Zien, Samson en Gert, het houdt niet op. De televisie is de laatste jaren duidelijk op veroveringstocht. Het strijdperk van haar imperialisme beperkt zich al lang niet meer tot dat kastje. Televisie verovert de openbare ruimte, organiseert feesten en evenementen. Televisie intervenieert in het sociale leven en pretendeert te werken aan de sociale cohesie. De tv komt fysiek in ons leven; of we nu willen of niet, televisie zullen we kijken, ook in de publieke ruimte.
De buitenlandse of buitenstadse mensen komen natuurlijk ook om de stad zelf te consumeren, of meer bepaald de ‘identiteit’ van de stad. Zo zijn er natuurlijk de onvermijdelijke boot –en koetsritjes door de stad, de geleide wandelingen door de ‘multiculturele buurten’ of de onvermijdelijke bezoeken aan de architecturale identiteitsankers van de stad. De openbare ruimte wordt uitgebaat. Onze steden, en meer bepaald onze stadskernen, gaan steeds meer op elkaar gelijken. Overal treffen we dezelfde winkels en architectuur aan. De stad is net zo zeer koopwaar geworden als de tonnen kleren die in de etalages prijken. De stadskern is in eerste instantie ingericht om geconsumeerd te worden in plaats van bewoond. Elke stad profileert zich op zoveel mogelijk verschillende velden om toerisme aan te trekken. De kuststeden programmeren gans het jaar tentoonstellingen en happenings om de winterslaap te overbruggen. Zowel Brugge, Antwerpen als Gent dromen van megalomane cultuurtempels om zich te profileren op cultureel vlak. De openlijke en vaak laag bij de grondse concurrentiestrijd tussen Antwerpen en Gent spreekt in deze boekdelen. De identiteitsverhalen kaderen in dezelfde strijd om de toerist en weerspiegelen zich in de architectuur en ‘beveiliging’ van de (binnen)stad.
De veiligheidsreflexen van de stad
Toeristen zijn een soort ras geworden, ze voldoen steevast aan dezelfde kenmerken. Hun wapens bij uitstek zijn de camera en comfortabele kledij. De afkomst doet hier weinig terzake, het stadsplannetje, de gids en de met geld volgestampte buidelzakjes zijn altijd paraat. Al deze wapens ten spijt, is de toerist vaak een gemakkelijke prooi. De winkelprijzen schieten om onverklaarbare reden de hoogte in, de pickpockets maken zich op voor hun buit en de angst voor verdwaling hangt hun steeds dreigend boven het hoofd. De toerist is, ondanks zijn massale voorkomen, blijkbaar een bedreigd ras.
Sociaal als we zijn, nemen we dan ook doortastende maatregelen. De toerist moet beschermd worden; de openbare ruimte dient heringericht zodat de toerist in alle rust zijn buidelzakje kan afstaan. Daar de toerist een gewilde gast is, worden zijn eisen en noden weerspiegeld in de openbare ruimte. De toerist moet zich veilig voelen in de stad. Enkel dan zal hij gretig in de buideltas grijpen en de nodige impulsen geven aan ons sociaaleconomisch beleid.
De winkelruimte in de binnenstad moet dan ook clean zijn, niets mag de gelukzalige roes van het innemen van de stad in de weg staan. Storende elementen worden geweerd uit het stadsbeeld, geen rondhangende jongeren meer op pleintjes; die moeten zuiver en clean zijn. Krakers, jongeren en armen hebben geen plaats in de toeristische stad. Zij projecteren immers beelden van onveiligheid en onaangepastheid op het netvlies van de toerist. Zij verstoren de zeepbel, zij doorprikken de illusie.
De roep om meer blauw op straat weerklinkt dan ook luid en de stadsvernieuwingsprojecten poetsen de realiteit op. De stadskern wordt een afgesloten decor, dat rust, schoonheid en veiligheid uitstraalt. De renovatie –en saneringsprojecten zijn niet meer te tellen, de hotels rijzen aan de horizon en de krotten verdwijnen uit het stadsbeeld. De stad is een zeepbel geworden, een illusie van vrijheid en zuiverheid.
De stad als decor
De stad is herleid tot een decor, het decor van onze gejaagde samenleving. Het professionele leven neemt in de publieke sfeer de bovenhand en het cocoonen is ook in de openbare ruimte wijdverspreid. Deze mentaliteiten weerspiegelen zich in de geografie van onze steden en openbare ruimtes. De stad(skern) is steeds meer een imaginair en begrensd decor. Het leven speelt zich af in de rand van de stad. ‘Het stad’ is waar we overdag naartoe gezogen worden en die ons ‘s avonds terug uitbraakt. We cruisen door de stad, we shoppen er, gaan er iets drinken of moeten er zijn voor werk of privé. We hotsen van hot naar her voor het werk, we gaan op bezoek bij familie en vrienden, we gaan er samen uit.
Uit deze chaos van het menselijke leven duiken duidelijke structuren op, met de files en de overvolle ochtendtreinen als zichtbaar voorbeeld. Hoewel we overal komen en alles schijnbaar getuigd van onze openheid, begeeft het gros van de mensheid zich in gesloten circuits, desnoods de wereld rond. We beleven de stad steeds vaker vanuit onze beschermde capsule. De auto is het voorbeeld bij uitstek waarmee we ongestoord zoeven naar de volgende file, de treinen worden opgedeeld door i-pods, boeken en kranten. De openbare ruimte is gecompartimenteerd. Elke winkel spreekt één bepaald doelpubliek aan, het café bestaat niet meer: je hebt lounge bars, clubs, bruine cafés, toeristencafés, …
In de stad ontstaan imaginaire eilanden die verbonden zijn in parallelle gesloten circuits. Deze imaginaire eilanden worden zichtbaar door hun uniform. Mensen ‘maken’ er identiteit. “Het zijn plaatsen waar mensen interacties aangaan, sociale relaties onderhouden en waar sociaal kapitaal opgebouwd en verdeeld wordt (Meert, Blommaert, Stuyck Peleman & Dewilde, 2004: Van balen tot onthalen. De geografische en discursieve dimensie van attitudes tegenover asielzoekers. Casestudies uit Vlaanderen en Brussel). De vrouw met flair gaat shoppen in de Hema, de Inno en uitzonderlijk bij Esprit. Ze gaat op romantisch weekend met een hotelbon uit haar huismagazine. De cosmogirl beweegt zich in een geheel andere parallelle wereld, de wereld van de upperclass, de wereld van Louis Vuitton, Chanel en Armani. Het binnenstappen van de C&A staat gelijk met de banvloek, de hel van de gewone mens. Ze luncht niet in de Panos, maar in de Food Makers, “for very very difficult people”, gaat uit in de hippe clubs en paradeert in de zomer langs “Place m’a tu vu” in het Zoute. Het uniform wordt de identiteit van de mens en weerspiegelt zich in de klederdracht en de stad. Er ontstaan homogene eilanden, sociaalruimtelijke knooppunten waar ‘soortgenoten’ elkaar ontmoeten en zich afscheiden van ‘de ander’. Soort zoekt soort, zegt men in de volksmond.
Deze homogene eilanden zijn op hun beurt terug gecompartimenteerd. Contacten zijn beperkt tot de omgang met professionelen of tot informele gesprekken binnen een gesloten groep van vrienden, collega’s of familie. In onze capsules sporen we naar die knooppunten waar we ons in een gesloten groepje tussen de vele onbekende soortgenoten kunnen bewegen. Overal troepen dezelfde leefstijlen samen. Hiphoppers, metalheads en artyfarties gaan allen naar hun afgesloten ruimtes. Hoewel we elkaar daar ook vaak niet kennen, spreken we toch elkaars taal. Deze knooppunten doorkruisen steden en zelfs landen, ze brengen ons overal en vaak ook nergens anders dan wat gekend is. Imaginaire eilanden in de stad zijn verbonden in gesloten circuits van (vermarkte) identiteiten.
ICO MALY
KIFKIF
