



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Gastartikel: Wat na het Vuil Huishouden?
Kanttekeningen bij projectwerking
Tussen september 2007 en april 2008 werkten een veertigtal mensen aan ’t Vuil Huishouden’. Deze theaterproductie werd zes maal voor een breed en divers publiek opgevoerd in het Intercultureel Centrum De Centrale. De participanten evolueerden op een opvallende en bijzondere manier en tijdens de laatste voorstelling speelden ze de pannen van het dak. Het doek viel en nu is het stil. Op naar het volgende project?
Het project ‘’t Vuil Huishouden’ legt zowel de sterktes als de zwaktes bloot van projectwerk. Terwijl de organisatoren - in casu OCMW Gent en Victoria Deluxe - meestal denken in termen van ‘een sterk project’ vragen de participanten op veel manieren naar een duurzamer manier van werken. Ik verwijs graag naar wat er na de laatste voorstelling gebeurde: Ann, één van de participanten, had samen met Werner, haar vriend, enkele kleine geschenkjes gekocht om de medewerkers van Victoria Deluxe te bedanken. Toen ik mijn pakje opende, zag ik een vulpen met enkele tubes inkt. ‘Om ons tweede stuk te schrijven’ riep Ann. In vertaling vertelde Ann dat ze graag wil verder werken, dat ze hoopt dat de groep waarmee we hebben gewerkt, kan samenblijven en een tweede voorstelling kan maken.
De laatste voorstelling is nu al enkele weken achter de rug. Iedere dag komen spelers van ‘’t Vuil Huishouden’ langs op Victoria Deluxe … of ze sturen sms-jes … of ze bellen op: meestal met moeilijk of slecht nieuws. Velen onder hen hebben het maatschappelijk heel lastig. Het zijn en blijven sterke en moedige mensen, maar hun voorgeschiedenis en levensloop maakt dat velen onder hen worstelen met gezondheidsproblemen, slechte tot haast onbewoonbare huisvesting, een te laag inkomen, een hoge schuldenlast, weinig tot geen sociale contacten, middelenmisbruik tot een gemis aan hoopvolle levensperspectieven. Opvallend tijdens het werkproces was de zeer hoge aanwezigheidsgraad en een zeer grote werkdiscipline. Om het met een boutade te stellen: de participanten waren vaak vroeger aanwezig dan de begeleiders. Er vond iets opvallends plaats: een groep mensen verenigde zich tot een kleine gemeenschap. Ze werden hierin begeleid en ondersteund en stelden zich een maatschappelijk doel:‘tonen dat we ook iets kunnen en vertellen wat ons bezighoudt en hoe we naar het leven kijken’.
Dit laatste is niet toevallig. De voorbije jaren heeft er zich een serieuze maatschappelijke omslag voltrokken. Vroeger bestond er begrip voor en betrokkenheid met mensen die zich in een situatie van armoede of uitsluiting bevonden. Vandaag is er duidelijk sprake van een ‘activeringsdiscours’. Alleen al in de term ‘activering’ schuilt er een achterliggende redenering die bewust en onbewust veronderstelt dat mensen die het maatschappelijk lastig hebben het voor een groot deel aan zichzelf te danken hebben…of dat ze lui zijn en maatschappelijk geactiveerd moeten worden. Men zal het zelden zo expliciet stellen, maar het is voelbaar en vaststelbaar dat de maatschappelijke druk t.a.v. die mensen die zich onderaan de maatschappelijke ladder bevinden, aanzienlijk is toegenomen. Impliciet wordt er verondersteld dat deze mensen terug economisch actief en rendabel kunnen worden en pas na heel wat pogingen en omzwervingen wordt aanvaard dat een deel van deze mensen niet meer economisch actief kán worden.
Nochtans bewijst een project als ‘’t Vuil Huishouden’ dat mensen te mobiliseren zijn wanneer hen een zingevend kader wordt aangeboden waarin ze zelf mee kunnen beslissen wat en hoe het parcours er zal uitzien. Zowaar een emancipatorisch resultaat. Sommige mensen kruipen op tijd uit hun bed en slagen er zelfs in om te stoppen met drinken om zich in te schrijven in een voor hen betekenisvol en zinvol project. Het grootste succes aan dit sociaal-artistieke project was niet de artistieke uitwerking, maar wel het feit dat de participanten een verhaal hebben kunnen vertellen dat hun verhaal is en waar zij zich mee kunnen identificeren.
Enkele dagen voor de première vertelde één van de spelers dat zij voor het eerst in haar leven de kans kreeg om eindelijk eens te lukken in iets. Het ‘lukken’ voor haar betekende dat ze op podium zou verschijnen, ze het publiek recht in de ogen zou kijken en hen zou vertellen wat ze wou vertellen. De theatertekst is namelijk een caleidoscopische puzzel van levenservaringen en getuigenissen van de participanten zelf. Met deze theaterproductie kregen de participanten de kans met een publiek te delen wat er in hun hoofden leeft, hoe zij aankijken t.a.v. de kermis, de armoede, het leven op en rond het Van Beverenplein,…
De laatste voorstelling is voorbij, het applaus is uitgedoofd en nu is het stil geworden. Voor het OCMW lijkt het project te kunnen worden afgerond. Alle spelers zullen worden bevraagd over hun ervaringen, waaruit de maatschappelijk werkers zullen trachten te ‘leren’. En in de toekomst zullen nieuwe projecten leiden tot nieuwe ervaringen waar ze opnieuw van kunnen ‘leren’. Maar het belangrijkste dat we uit dergelijk project kunnen leren is het diepe verlangen naar nabijheid en duurzaamheid dat bij de participanten leeft. Op het moment dat er een plek of een ruimte en tijd wordt gecreëerd om te luisteren naar elkaars verhaal en er met deze verhalen aan de slag kan worden gegaan, ontstaat een context die door de mensen als zin- en betekenisvol wordt ervaren. Deze context lijkt weliswaar niet economisch rendabel, maar is maatschappelijk uiterst waardevol: er ontstaat een context waar mensen kunnen spreken, op verhaal kunnen komen, waar de mogelijkheid tot discensus ontstaat, waar men van elkaar kan leren en waar er gestreefd wordt naar een gedeeld en gemeenschappelijk doel.
Wat in deze manier van werken opvalt, is dat wanneer men elkaar als ‘gelijke’ benadert er een gemeenschap kan ontstaan. Dit houdt in dat men in de groep op zoek gaat naar wie over welke kwaliteiten beschikt en hoe men deze op elkaar kan afstellen met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel. In ons geval was het een theatervoorstelling, maar het kon en kan evenzeer om andere projecten gaan zoals het opzetten van een coöperatieve, het uitwerken van een sociaal tewerkstellingsproject in de vorm van een koffie- en theehuis,…
In het project ‘’t Vuil Huishouden’ zijn we erin geslaagd om de tweedeling WIJ/ZIJ enigszins te doorbreken. Al te vaak bestaat onze samenleving uit professionelen - WIJ - die zich inzetten voor de mensen - ZIJ -: de cliënten, de kansarmen, de …? In deze moeten we zowel de grote kloof die er gaapt tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’ benoemen als het volledig ontbreken van structurele maatregelen met het oog op het dichten van deze diepe kloof. We moeten durven erkennen dat de zorg en steun die vroeger nog voor een groot stuk ingebed lag in het sociale netwerk van de buurt of de nabije omgeving nu in hoofdzaak in handen is komen te liggen van de ‘professionelen’ die over de middelen en de macht beschikken om te bepalen wat er wel kan en niet kan. In deze vergeet men heel vaak dat de middelen waarover men beschikt, gemeenschapsmiddelen zijn en dat deze in wezen toebehoren aan ‘het volk’. Hier zijn het niet de basiswerkers, laat staan de cliënten of de participanten die mee kunnen beslissen over hoe de middelen worden ingezet. Maar is het een kleine groep professionals die wikt en weegt en beslist hoe de beschikbare middelen worden ingezet.
In dit verhaal schuilt een valkuil voor iedere werking. Op het moment dat men (deels) afhankelijk wordt van projectmiddelen ontstaat het risico dat men het ene na het andere project opzet, met telkens nieuwe middelen om telkens met een nieuwe groep mensen aan de slag te gaan. Terwijl we uit ervaring weten dat in de beleving van veel participanten een project niet stopt na de laatste voorstelling. Velen onder hen blijven langskomen vanuit een verlangen naar nabijheid.
Op Victoria Deluxe trachten we met man en macht te zoeken hoe we deze mensen een plek kunnen geven. Er staan enkele stoelen en zetels, maar we voelen aan de mensen dat ze actief willen blijven, dat ze aan de slag willen blijven: sommige participanten zouden er willen in kunnen slagen om terug een plek te krijgen binnen de reguliere arbeidsmarkt. Je eigen boterham verdienen, biedt niet alleen de kans op een inkomen en wat welvaart, maar ook op maatschappelijke erkenning en op nieuwe sociale relaties met collega’s. Andere participanten verlangen naar een vorm van sociale tewerkstelling. Dit komt er op neer dat men hoopt om overdag bezig te kunnen zijn en dat hetgeen men aan ‘arbeid’ of ‘activiteit’ verricht als maatschappelijk waardevol wordt ervaren. De erkenning die hieruit kan voortvloeien, is aardig meegenomen. Een derde groep tenslotte bestaat uit participanten die maatschappelijk zo kwetsbaar zijn, dat het van vele factoren afhangt of ze die dag in staat zijn om er te zijn, om er te geraken, om er even opnieuw in te geloven. Het zijn mensen die hopen dat ze niet voorgoed verstoten zullen worden en dat ze welkom blijven, ondanks het feit dat ze soms moeilijk doen, er even geen goesting in hebben. Voor hen betekent ‘er mogen zijn en welkom blijven’ al heel veel. Wanneer ze dan nog de vraag blijven krijgen om ‘deel te nemen’ aan gelijk welk soort activiteit krijgen ze het gevoel van ‘erkend worden’, van te mogen bestaan.
We hopen dat de wil en de ruimte ontstaat om maatschappelijk waardevolle projecten te laten uitmonden in een meer duurzame manier van werken en samenwerken, telkens met het oog op het versterken van de positie en de bestaansvoorwaarden van de mensen voor wie en met wie we werken. Deze doelstelling zullen we nooit realiseren wanneer we van het ene naar het andere project hollen. We moeten durven streven naar een consequent verder werken met een zelfde groep mensen, tegen alle vernieuwingsdrang en economisch denken in.
DOMINIQUE WILLAERT / VICTORIA DELUXE
