Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Imaginaire eilanden

Talige bespiegelingen over de stad II

Imaginaire eilanden
(foto: freddy Willems)

De stad bestaat uit een chaotische aaneenschakeling van homogene imaginaire eilanden die verbonden zijn door onzichtbare sporen. Ankerpunten op deze sporen zijn sociale knooppunten. Ze leiden tot het samenkomen van groepen mensen met relatief gelijkaardige achtergronden, leefstijlen en ambities. Zo zijn wijken en plaatsen in de stad maar aantrekkelijk voor welbepaalde mensen. Enkele bespiegelingen over de relatie tussen onze thuis, de wijk waarin we opgroeien en de opbouw van identiteiten.

 

De comfortmachine

Het moderne huis is een toevluchtsoord, een afgeschermde plaats, een ruimte waar de samenleving buitengesloten wordt. Het ontwerp van Joe Colombo voor de tentoonstelling “De woning in 2000” in 1978 kan hier gelden als een ideaaltype. De hele woning is bekleed mettapis-plein, zowel op muren als de vloer. De wereld is zorgvuldig buitengesloten.

Ons huis is veranderd in een klein fabriekje.De machines overheersen. We hebben onze eigen verwarmingsketel, een volledig uitgeruste keuken, wasmachines, computers, stereo’s, grasmachines en natuurlijk de televisie. Het wondere kastje palmt steeds meer van ons leven in. Televisie kijken is echter geen collectieve gebeurtenis meer, de televisie is ‘gedemocratiseerd’. Iedereen zijn zalige roes van veilige verbondenheid met de massa. Het massagevoel zonder massa. De communicatie wordt éénrichtingsverkeer: zij produceren en wij consumeren elk afzonderlijk.

In deze beschermende cocon met zijn magisch venster op de wereld groeien we op. Afgescheiden van de boze buitenwereld op dat ene kastje na, die de boze wereld steeds scherper in beeld neemt en het leven reproduceert. We kunnen voetballen zonder te voetballen, quizzen zonder mensen te ontmoeten en we hebben vrienden zonder vrienden. Er wordt meer tijd geïnvesteerd in de buren op televisie dan in de buren naast de deur. Televisie rooft de sociale ruimte leeg.

De televisie maakt het mogelijk om samen apart te leven. Om elkaar te ontvluchten, om binnen in de cocon, een imaginaire cocon te bouwen. Daar absorberen we onze eerste beelden en woorden, leren we onze moedertaal. Hier krijgen we als parasieten van de taal onze eerste a priori’s binnengelepeld. Onze blik op de wereld groeit langzaam, eerst in de beschermde omgeving van de cocon, later in de straten van Suburbia. Ons huis geldt als uitvalsbasis om de gevaarlijke buitenwereld te lijf te gaan, daar worden we gewapend. Onze beveiligde burchten zijn echter kerken van angst geworden, en ons televisietoestel is het altaar.

 

Suburbia I

De suburb weerspiegelt zich in de geografie van de stad. De stad bestaat als het ware uit historische lagen die mede de architectuur, de structuur en de identiteit van de straat of de wijk bepalen. Het ontstaan van Suburbia gaat gepaard met een stadsvlucht zonder de stad echt te verlaten. Afgesloten en toch verbonden met de stad door de ultieme capsule, de auto. Suburbia is de perfecte metafoor voor het leven in onze 21ste-eeuwse steden, het is het einde van onze horizon. Het zijn de gesloten sporen en ruimtes waarin we ons bewegen en leven.

Er komt een complex netwerk van wijken, wegen, bekabeling en trein –en tramsporen. De urbane regio breidt zich uit. Pleinen, parken en wandelstraten verliezen het pleit van de individuele droom. In Suburbia verdrinkt iedereen zich in zijn individualiteit, de verveling loert om de hoek. De suburbiaan vindt dan ook massamode, wodka martini’s, barbecue-feestjes en winkelcentra uit. Samen met Surburbia ontstaat er een ganse consumptiemachine, elke dag worden nieuwe behoeftes uitgevonden en verkocht. De shopping-mall heeft mainstreet vervangen. De sociale cohesie van de dorpswinkels wordt vervangen door non-plaatsen, de stad wordt herleid tot plezier -en spanningsleverancier.

De stad wordt meer en meer het speelterrein van winkelketens en de uitgeslotenen. Ze vecht echter terug en opkuisoperaties en renovatieprojecten geven elke ruimte zijn functie, zijn doel. De gebouwen, auto’s, straten, nieuws, propagandafolders en de volksmond geven wijken hun identiteit. Iedere stad kent zijn verhalen over dit of dat pleintje en de gevaarlijke straten. Wijken waar je best niet in het donker doorloopt, want ik heb horen zeggen dat…. Daarnaast zijn er de exclusieve wijkendie de droom van iedereen lijken te zijn. Bombastische villa’s afgesloten door een metershoog hek, veiligheidscamera’s en Dobermanns die paraderen in de meterslange tuin. Dergelijke wijken zijn het ideaaltype van Suburbia, enkel de omvang varieert naargelang de portefeuille.

 

Suburbia II

All suburbs are not alike, but they are more alike than they are different”, schreef William H. Whyte in 1956.De stad en zijn rand zijn een aaneenschakeling van relatief homogene eilanden die vooral van elkaar verschillen in rijkdom. De getto’s van de exclusie gelden als voorbeeld van aangepast zijn: de mooi verzorgde villa’s, de goed onderhouden tuinen en de illusie van veiligheid. Deze getto’s schermen zich af van de stad, van ‘het gevaar’. De oude mythe, de stad als oord van verderf, vertaalt zich vandaag in ‘gated communities’. Er ontstaan arme en dus vaak allochtone wijken en wijken die enkel toegankelijk zijn voor de topklasse.De geschiedenis van de stad gaat steeds gepaard met sociaal-culturele segregatie. De capsulaire drang regeert in de 21ste eeuw echter dictatoriaal. De compartimentering van de stad vandaag is angstaanjagend. De dialoog wordt verbroken en de angst regeert. Het ontbreekt aan vrijplaatsen, plaatsen zonder bestemming, plaatsen waar men geen enquête onder je neus stopt of waar een reclamebord je toeschreeuwt: lege ruimtes, ruimtes zonder bestemming. Ruimtes die niet alleen voor iedereen toegankelijk zijn, maar ook aantrekkelijk.

De onbewuste en onbedoelde perversiteit van dergelijke processen is dat zij niet alleen nieuw leven brengen.Samen met de gevels, deuren, ramen, dakgoten worden ook de bewoners vervangen. De zichtbare armoede wordt verdreven maar niet bestreden. Naargelang het decennium worden de armen in of uit de stad gedreven.

 

Eilanden van exclusie en plaatsen van vergane glorie

De geslotenheid van de wijk is de plaats waar we onze eerste ontmoetingen meemaken, waar we onszelf definiëren in relatie met ‘de ander’. We leggen er de eerste stenen van onze identiteit en attitudes, maar ook van onze taal. De ruimte creëert mee de identiteit. Deze eerste eilanden worden door de jaren heen verbonden met verschillende andere. Ze zullen bepalen welke taal we hanteren, maar ook welke we zullen leren.Onze identiteiten spreken doorheen onze ‘look’ en de ruimtes die we frequenteren.

De stad is dan een chaotische aaneenschakeling van gesloten circuits die elkaar overlappen. Van de woning, over de wijk waarin we wonen tot de plaatsen in de stad waar we ‘anderen’ ontmoeten, het vormt allemaal een onderdeel van ons gesloten circuit. Naast de eilanden van exclusie ontstaan er de plaatsen van verloren glorie. ‘Slechte buurten’. Deze krijgen in het beste geval het etiket ‘volks’ opgekleefd, maar vaak worden ze herleid tot wat Sarkozy de jongeren in de banlieus noemde: het tuig.

Ook al begeven deze jongeren zich in de stad, zij blijven paria’s, gevangen in hun suburbia. De deuren van de hippe discotheken blijven gesloten, de fitnesscentra zijn ze liever kwijt dan rijk en een appartementje huren in het hippe centrum is Mission Impossible. Er ontstaan onzichtbare barrières in de stad, verschillende parallelle gesegregeerde werelden. De taal van de hoogopgeleide inwoners uit de eilanden van exclusie wordt waardeloos in de ‘banlieus’. Omgekeerd is ook de ruimte, taal en identiteit van de verpauperde wijken steeds weer een ondoordringbare onzichtbare muur.

 

ICO MALY