Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Parkbos Gent

Noodzakelijke bosuitbreiding…… of stedelijke kolonisering van de stadsrand?

Parkbos Gent broodroof
(foto: freddy Willems)

“Als het Parkbos tegen 2012 niet af is, heb ik gefaald als gouverneur”, beweerde André Denys enkele maanden geleden in het Nieuwsblad (22/03/2008). Over vijf jaar zou het grootstedelijk gebied Gent bijna 1200 hectare open ruimte rijker moeten zijn en over vijf keer zoveel bos als vandaag moeten beschikken. Niet niks voor een bosarme provincie als Oost-Vlaanderen en voor een stad als Gent die snakt naar open ruimte.

 

Een nieuwe groenpool voor Gent

Het Parkbos is een van de vier groenpolen die Gent in haar Ruimtelijk Structuurplan naar voren schoof om het tekort aan groene open ruimtes in de binnenstad op te vangen en de druk op de bestaande groene ruimtes zoals Bourgoyen-Ossemeersen te verlichten. Het Parkbos zal worden ingeplant ten zuidwesten van Gent Centrum, in de open ruimte tussen de dorpskernen van Sint-Martens-Latem, Sint-Denijs-Westrem, De Pinte en Zwijnaarde. Het gebied wordt omgeven door de E40, de E17 en de N43/Kortrijksesteenweg en doorkruist door de spoorlijn Gent-Brussel en de N60/Expresweg.

Vandaag liggen verschillende kleinere stukken bos verspreid over het gebied. Het gebied huisvest ook een aantal kastelen en kasteelparken, zoals het Maaltepark en domein Scheldevelde.

Grote stukken van het gebied behoorden in de middeleeuwen toe aan de Gentse Sint-Pietersabdij die de kastelen oprichtte als ontginningshoeven. Het grootste deel van het toekomstige Parkbos wordt nu ingenomen door land- en tuinbouw (700 ha), met hier en daar wat bebouwing en een minimum aan andere economische activiteiten. De belangrijkste eigenaars van het gebied zijn dan ook land- en tuinbouwers en aantal adellijke of andere rijke grootgrondbezitters. Enkele beekvalleien en natte gronden en de nabijheid van de Schelde, de Ringvaart en de Leievallei geven water een belangrijke plaats in het gebied. In de buurt van het gebied, in Eke, ligt ook de megawinkel Makro. Binnenkort komt daar nog het grootschalige winkel-, kantoor- en wooncomplex The Loop bij, het huidige Flanders Expo (zie TiensTiens 12). Dat doet vrezen dat het Parkbos gebruikt zal worden ter compensatie van het waardevol stuk bosgebied dat verloren gaat bij de ontwikkeling van The Loop en bovendien gepromoot zal worden als een recreatief verlengstuk van het winkeltoerisme.

Parkbos plan 2
Parkbos plan 1

 

Bosuitbreiding in Vlaanderen

De aanzet tot het Parkbosproject gaat ver terug in de tijd: 1983 om precies te zijn. Toen werd de bevoegdheid voor bossen van het federale naar het Vlaamse niveau gebracht. Omdat Vlaanderen het tweede bosarmste gebied van Europa bleek te zijn was het evident dat bosuitbreiding een doelstelling van het Vlaamse bosbeleid werd. Aangezien bossen ergens ingeplant moeten worden, maar ruimte in Vlaanderen een schaars goed is, was het noodzakelijk dat de geplande bosuitbreiding afgestemd werd op de Vlaamse ruimtelijke ordening. Ruimtelijke planners waren in de jaren ‘90 op zoek naar manieren om de stadsvlucht te keren en zagen in de inplanting van een bos dichtbij stedelijke gebieden (‘stadsrandbossen’) een manier om de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van steden te verhogen. In Oost-Vlaanderen bleek er vooral nood aan bijkomend groen rond de stad Gent.

In 1997 werd een lokalisatiestudie gemaakt om de beste locatie voor een recreatief en ecologisch waardevol stadsbos te vinden. De keuze viel daarbij onder meer op het hierboven beschreven gebied dat ontstond uit het samenvoegen van de Kastelensite, Scheldevelde en Rosdam. De gemeentes in kwestie, vooral dan het rijke en suburbane De Pinte, werden overtuigd met het argument dat het Parkbos een buffer zal vormen tegen verdere stadsuitbreiding. De drie andere mogelijke locaties waren de Vinderhoutse Bossen, de Gentbrugse Meersen en het Oud Vliegveld in Lochristi. Lovendegem tekende onmiddellijk verzet aan tegen een mogelijke keuze voor de ‘Vinderhoutse Bossen’, die oorspronkelijk als meest geschikte locatie uit de bus kwamen, omdat de gemeente vreesde landbouwgronden te zullen moeten converteren in grond voor bosuitbreiding. Uit de studie bleek dat het gebied erg geschikt was om een goed bereikbaar stadsbos aan te leggen waar de stedeling tot rust zou kunnen komen en open ruimte ervaren, maar dat de aanwezigheid van goed draaiende land- en tuinbouwbedrijven en de Gentse wens om de aanwezige bedrijventerreinen uit te breiden het project moeilijk verteerbaar zou maken voor de economische sector. Het eenzijdig bekijken van het gebied vanuit de lens van bosuitbreiding zou algauw bekritiseerd worden door allerlei lokale en minder lokale actoren die zich niet in het plaatje voelden passen en aanstuurden op een aanpassing van de plannen.

 

"De vrees rijst dat het Parkbos gepromoot zal worden als het recreatief verlengstuk van het winkeltoerisme."

 

Van stadsbos naar Parkbos

Net als de andere drie locaties werd de locatie voor het toekomstige Parkbos als ‘multifunctionele’ groenpool ingeschreven in het Ruimtelijk Structuurplan voor Gent, dat opgemaakt werd tussen 1997 en 2002. Ongeveer tegelijkertijd, vanaf 1999, werd de afbakening van het grootstedelijk gebied Gent opgestart. Die afbakening bepaalt waar de grenzen van het stedelijk gebied Gent liggen en dus ook waar er nieuwe woningen, bedrijfsterreinen en groengebieden kunnen komen. Tijdens het opstellen van die grenzen werd pas echt duidelijk wie allemaal ‘plannen’ heeft met het gebied voor het toekomstige Parkbos. Sinds de jaren 1970 al werd het gebied omwille van zijn goede ligging dicht bij belangrijke verkeersassen gezien als belangrijk voor de economische ontwikkeling van Gent. Dat vertaalde zich concreet in plannen voor de inplanting van een wetenschapspark rond Hutsepot (in uiteindelijke plan 10 à 15 hectare). Later, in 2000 wanneer de locatiekeuze voor het Parkbos definitief op de Kastelensite en omgeving viel, verzetten ook de land- en tuinbouwers zich tegen het verlies van landbouwgrond en het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden. Omwille van die conflicterende claims op het gebied werd een apart planningstraject opgestart voor de groenpool Parkbos en werd een aantal studiebureaus in 2001 gevraagd een visie uit te werken voor de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied.

De projectgroep werkte op basis van zijn studiewerk een compromis uit tussen de verschillende visies op het gebied zoals die verdedigd werden door een stedelijke of gewestelijke administratie: de nood aan bosuitbreiding, het bouwen van een wetenschapspark, de voortzetting van landbouw, het verbeteren van de kwaliteit van de waterlopen en de bescherming van de landschappen en het cultuurhistorisch patrimonium (kastelen) in het gebied. Exit stadsbos, enter stadslandschapspark! Omdat ‘stadslandschapspark’ moeilijk in de mond ligt, gebruikte men de term 'Parkbos'. De nadruk lag niet langer op het creëren van een groot bos, maar van een groot stuk aaneengesloten open ruimte. Het stadsbestuur verdedigde, inspelend op de bezorgdheid van Zwijnaarde en De Pinte, de beslissing om het stadsbos-idee overboord te gooien teneinde de eigenheid van het beschermde kastelenlandschap te kunnen beschermen. De compromisvisie garandeerde de bosuitbreiding door kleinere boskernen in te plannen en gaf ook de landbouwer een plaats door hem aan te stellen als beheerder van de open ruimte. De visie voorzag ook in het herstellen van een aantal landschapselementen zoals de oude dreven en in een aangepaste inrichting van het gebied om het toegankelijker te maken voor de stedelijke recreant.

 

Plannen of planten?

De natuurverenigingen, Groen! en het samenwerkingsverband Bossanova (Provincie, Afdeling Bos en Groen en de Vereniging voor Bos in Vlaanderen) reageerden fel en teleurgesteld. Terecht, want blijkbaar was de aanleg van een bedrijvenzone geen probleem voor ‘het aangezicht en de eigenheid van de Kastelensite’. Natuurpunt protesteerde tegen de inplanting van een bedrijventerrein door op de site waar de 20 ha grote bedrijvenzone voorzien is, een stukje stadsbos aan te planten onder de slogans ‘Genoeg gepland. Er moet geplant!’ en ‘Nieuw bos! Geen nieuwe bedrijven.’ Gents schepen van Ruimtelijke Ordening Karin Temmerman (SP.a) verdedigde de ontwikkeling van de nieuwe bedrijvenzone en argumenteerde dat ze perfect aansluit bij het bestaand wetenschapspark Ardoyen. Bovendien stelde Temmerman dat er in Gent een grote nood is aan nieuwe bedrijventerreinen en dat de Universiteit Gent met haar ontwikkeling van een wetenschapspark dreigt uit te wijken naar Oostende als ze niet in Zwijnaarde, op de Parkbos-site, kunnen uitbreiden.

Erik Grietens, planoloog bij de Bond Beter Leefmilieu, stelt echter dat er in de Kanaalzone en op andere Gentse bedrijfsterreinen nog meer dan genoeg niet-gebruikte ruimte is voor bedrijven. Ook de bewoners van de Ryvisschestraat en de wijde omgeving, vlakbij de toekomstige bedrijvenzone, zijn uiteraard tegen en verzamelden al honderden handtekeningen tegen het project. De Stad liet het door Natuurpunt aangeplante ‘illegale bos’ inmiddels vernielen en zet door met haar plannen voor de bedrijvenzone. Uiteindelijk aanvaardde de milieubeweging het parkboscompromis.

Om het Parkbos mogelijk te maken moest de goedgekeurde compromisvisie vertaald worden in een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP). Dit RUP moet aangeven op welke gronden bos aangeplant mag worden, waar serres mogen staan, enzovoort. Tijdens het opmaken van het RUP voor het Parkbos vonden nog belangrijke verschuivingen plaats. De land- en tuinbouwers, en dan vooral de serretelers, konden zich niet vinden in de bijrol die ze in de visie voor het gebied gekregen hadden. Landbouwers vreesden ook strengere mestnormen opgelegd te krijgen. Voor serreteelt was er zelfs helemaal geen plaats meer voorzien in het toekomstige Parkbos. Onder toenemend protest van de landbouwers ging de Vlaamse Landmaatschappij de dialoog aan. Uiteindelijk werd beslist dat de serreteelt kon blijven en zelfs nog verder mocht uitbreiden. Ook werd het nieuwe bosareaal wat verminderd, de voorgestelde verbinding tussen de boskernen via veldbossen losgelaten en kregen waterlopen en dreven een minder prominente rol in de ontwikkeling van het gebied tot Parkbos.

Het RUP Parkbos, dat deel uitmaakt van het gewestelijk RUP voor heel het grootstedelijk gebied Gent, werd in 2005 goedgekeurd door de Vlaamse regering. Een grondenbank werd opgericht om het verwerven en uitruilen van gronden met de huidige grondgebruikers, de landbouwers, makkelijker te maken. Vorig jaar ging de effectieve realisatie van het Parkbos van start en werd provinciegouverneur Denys aangesteld als coördinator. Dat het laatste woord over het Parkbos nog niet gezegd is, blijkt uit de visie van de experten (zie kaders). Benieuwd of de streefdatum van 2012 zal worden gehaald…

 

STIJN OOSTERLYNCK, PASCAL DEBRUYNE EN ELKE VANEMPTEN

 

Elke Vanempten: geïntegreerde benadering faalt


Elke Vanempten (KU Leuven) plaatst serieuze kanttekeningen bij het multifunctionele karakter van de groenpool Parkbos. Op het eerste gezicht worden in het Parkbos een groot aantal conflicterende functies zoals bos, landschap, wetenschapspark en landbouw samengebracht. Toch stelt Vanempten dat het Parkbos geen voorbeeld is van multifunctionaliteit of meervoudig ruimtegebruik. De inhoudelijke uitwerking van de integratie van verschillende functies in het Parkbos laat zich volgens Vanempten lezen als een verhaal van gemiste kansen. In plaats van de verschillende functies op elkaar te gaan betrekken en met elkaar in interactie te laten gaan worden ze via een vijf meter brede groenbuffer of haag van elkaar gescheiden. Een eerder voorstel om het wetenschapspark geleidelijk te laten overlopen in het Parkbos door de aanleg van een parkachtige overgangszone met weinig beplanting werd uiteindelijk vervangen door een camouflerend groenscherm. De oorzaak voor het falen van de geïntegreerde benadering zoekt Vanempten in de onaangepastheid van de gebruikte stedenbouwkundige instrumenten. In het RUP werden de verschillende ruimteclaims (landbouw, bos, …) cijfermatig afgewogen. Omdat overgangszones van meervoudig ruimtegebruik niet toe te wijzen zijn aan een bepaalde sector verdwenen ze uiteindelijk uit het zicht. Het resultaat is een sectorale boedelscheiding en het naast elkaar blijven bestaan van monofunctionele zones.

 

Hans Leinfelder: een ‘Groenplaats’ voor Gent?


Hans Leinfelder (UGent) ziet in het Parkbos een kans om het buitengebied, zeg maar het platteland, te herdenken. Nog al te veel primeert volgens hem in de inrichting en planning van het buitengebied een cijferlogica waarin strikt gescheiden landbouw- en natuurzones geruild worden. Leinfelder pleit ervoor het buitengebied te herdenken als een publieke ruimte. Door de toegenomen mobiliteit is een strakke scheiding tussen stad en platteland moeilijk vol te houden en kunnen op het platteland langs belangrijke verkeersassen nieuwe ‘parochiale ruimtes’ gecreëerd worden waar verschillende sociale groepen (stedelijke recreanten, land- en tuinbouwers, plattelandbewoners, enzovoort) elkaar kunnen ontmoeten. Volgens Leinfelder straalde de studie voor het Parkbos die visie uit, maar blijft de vraag of die visie de omzetting naar het RUP overleefde.
(Bron: Allaert, G. en Leinfelder, H. (2005) (eds.). Parkbos Gent, over visievorming en beleidsnetwerking, AcademiaPress, Gent, 122 p.)

 

Rik Houthaeve: te offensieve planning stuit op weerstand


Rik Houthave (UGent) stelt zich vragen bij de participatie in het hele planningsproces rond het Parkbos. Volgens hem moeten bewoners en gebruikers van een plangebied een inhoudelijke bijdrage kunnen leveren. Door communicatief tweerichtingsverkeer over de plannen voor een gebied ontstaat een gezamenlijke planningsgemeenschap met alle betrokken actoren. Die gezamenlijke planningsgemeenschap geeft vorm aan een proces van “collectieve ruimtelijke betekenisgeving”, die zijn uitdrukking vindt in meervoudige ruimteclaims. In de initiële planning van 'het stadsbos' was van zo’ncollaboratief planningsproces weinig sprake. Echter, waar de voordeur werd gesloten voor een grondige collectieve ruimtelijke betekenisgeving, kwam die langs de achterdeur terug binnen, maar dan wel in meer conflictueuze vorm en in een minder geïntegreerde aanpak en verwevenheid van functies en claims.
Vlaamse technocraten en een stedelijke elite keken respectievelijk eenzijdig door de lens van bebossing/bosaanwinning en van een (stadsbos' voor recreatief stedelijk gebruik, zonder naar de bestaande sociale realiteit en activiteiten in het gebied te kijken. De offensieve planning van een stadsrandbos door een beperkte groep, die losstond van de bestaande betekenisgeving van die plek, kwam terecht in een 'vijandelijke' agrarische landelijke omgeving. Door die bestaande betekenisgeving van de plek te negeren, kwamen claims van landbouwers en hun belangenorganisaties als een boomerang terug waardoor er veel ‘tolgeld’ betaald werd, onder de vorm van de uiteindelijke ruimtelijke boedelscheiding van functies.
(Bron: Allaert, G. en Leinfelder, H. (2005) (eds.). Parkbos Gent, over visievorming en beleidsnetwerking, AcademiaPress, Gent, 122 p.)